Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.5.3:5.5.3 Voorstel voor een nieuwe invulling van het begrip rechtsgrond
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.5.3
5.5.3 Voorstel voor een nieuwe invulling van het begrip rechtsgrond
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500051:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoe kan worden bereikt dat beide perspectieven een rol spelen? Ik meen dat de vraag of een rechtvaardiging voor een prestatie bestaat, moet worden opgesplitst in twee deelvragen. Ten eerste: bestaat een rechtvaardiging voor het verrichten van de prestatie? Ten tweede: bestaat een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie?
Voor de invulling van het begrip ‘rechtvaardiging’ in deze twee vragen kan worden aangesloten bij de heersende leer.1 Een rechtvaardiging voor het verrichten van de prestatie bestaat als daarvoor een geldige reden aanwezig is. Het gaat daarbij niet per se om een verplichting om te presteren. Stel bijvoorbeeld dat B en C afspreken dat áls B een prestatie verricht, C een tegenprestatie moet verrichten. B is dan niet verplicht om te presteren. Als hij desondanks ervoor kiest om door middel van A te presteren aan C, bestaat daarvoor een rechtvaardiging.
Ook het enkele feit dat de overeenkomst bestaat die voor de betaler reden is geweest om te presteren, is niet maatgevend. In gevallen waarin een opdracht is gegeven, dient zowel de opdracht als de onderliggende rechtsverhouding geldig te zijn. Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Stel dat A en B een overeenkomst hebben gesloten, op grond waarvan A een schuld heeft aan B. A meent een opdracht te hebben ontvangen van B. De opdracht zou luiden dat A aan C dient te presteren. A vergist zich echter; hij heeft geen geldige opdracht gekregen. A verricht de prestatie omdat hij de overeenkomst AB wil nakomen. Echter, deze overeenkomst vormt geen rechtvaardiging voor het verrichten van A’s prestatie aan C, omdat een geldige opdracht ontbreekt.
Een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie bestaat als er een feit is dat verklaart waarom de ontvanger de prestatie mag behouden. Bijvoorbeeld: B en C spreken af dat als B een prestatie verricht, C een tegenprestatie moet verrichten. C heeft geen vorderingsrecht tot nakoming jegens B. Echter, als B presteert door middel van A, bestaat een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie, zelfs als de overeenkomst AB achteraf gebrekkig blijkt.
In tweepartijenverhoudingen is het antwoord op de twee deelvragen gelijk. Als een rechtvaardiging bestaat (of ontbreekt) voor het verrichten van de prestatie, bestaat (of ontbreekt) ook een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie.
In meerpartijenverhoudingen is dat – zoals hierboven uit de voorbeelden reeds bleek – echter niet altijd het geval. Als een rechtvaardiging ontbreekt voor het verrichten van de prestatie, kan de presterende partij terugvorderen. Als hij een van de betrokken ontvangers aanspreekt, en het antwoord op de tweede deelvraag luidt dat een rechtvaardiging bestaat voor het behouden van de prestatie die deze ontvanger heeft gekregen, dan kan de prestatie niet worden teruggevorderd van déze ontvangende partij. In dat geval is er een andere ontvangende partij die niet kan wijzen op een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie die hij heeft ontvangen. Díe ontvangende partij moet dan de prestatie afstaan.