Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.5.2
5.5.2 Andere invulling van het begrip rechtsgrond is wenselijk
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS496349:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.3.3.
PG Boek 6, p. 805.
Par. 5.2.
Bartels (2004, p. 154) meent dat een samengestelde rechtsgrond alleen kan worden aangenomen als de presterende partij (A) de bedoeling heeft om zowel zijn eigen schuld aan B na te komen als de schuld die zijn schuldeiser (B) heeft jegens degene die de prestatie in ontvangst neemt (C). Zoals Bartels opmerkt is C in veel gevallen waarin B aan A verzoekt om rechtstreeks te presteren aan C, voor A niet meer dan een betaaladres. A zou dan slechts presteren op grond van de rechtsverhouding AB, terwijl C’s vordering op B wel door A wordt nagekomen. Waarom C de prestatie mag behouden, wordt zo niet verklaard. Bovendien heeft een samengestelde rechtsgrond als nadeel dat gebreken in de relatie BC gevolgen hebben voor A, terwijl A geen volledig zicht heeft op deze rechtsverhouding. Zie ook: Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 433, 435.
Zie par. 5.3.5 onder i.
Zie par. 5.4.4.
Zie ook hoofdstuk 6, par. 6.4.3.3.
Zie ook hoofdstuk 6, par. 6.4.3.2.
C kan ten opzichte van A niet een rechtvaardiging voor het behoud van de prestatie van A aantonen door enkel een beroep te doen op de rechtsverhouding BC; A is immers geen partij bij deze rechtsverhouding; vgl. in de context van art. 6:212, HR 28 oktober 2011, NJ 2012/495 (Van Hees q.q./Y). Echter, op het uitgangspunt dat rechtsverhoudingen tussen twee partijen niet bindend zijn voor derden, worden uitzonderingen aanvaard; één daarvan is dat de derde de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij de rechtsverhouding tussen twee andere partijen (de verrijkte, C, en diens wederpartij, B) tegen zich laat werken. Dit is uitvoerig onderzocht in het kader van inbreuken op exclusieve rechtsposities (zie hoofdstuk 4, par. 4.5.5.2). Bij het verrichten van prestaties (die niet bestaan in het leveren van goederen) is er geen sprake van dat de verarmde (de presterende partij) rechthebbende is tot een exclusieve rechtspositie. Daarom kan, anders dan bij exlcusieve rechtsposities, bij de ontvangst van prestaties wél relatief eenvoudig worden aangenomen dat de verwarmde (de presterende partij) de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij de rechtsverhouding tussen twee andere partijen (de verrijkte, C, en diens wederpartij, B) tegen zich laat werken.
Wat is de wenselijke invulling van het begrip rechtsgrond die past bij de hierboven ontwikkelde invulling van het begrip betaling in de zin van artikel 6:203?
Zoals wij zagen wordt onder rechtsgrond verstaan: ‘het feit dat het verrichten van de prestatie rechtvaardigt’.1 De nadruk wordt gelegd op het perspectief van de presterende partij. Zo bepaalt artikel 6:203 dat iemand die ‘zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven’, recht heeft op terugbetaling. In de parlementaire geschiedenis is over het begrip rechtsgrond opgemerkt dat het gaat om: “een causa, een feit dat het gevenrechtvaardigt (cursivering SRD)”.2 Het perspectief van degene die de prestatie in ontvangst neemt, lijkt niet van belang.
In tweepartijenverhoudingen zal het gekozen perspectief ook niets uitmaken. Stel bijvoorbeeld dat A presteert aan B omdat hij per abuis meent een schuld te hebben aan B. Wij zagen dat in abstracto een afweging is gemaakt tussen de belangen van A én B met als uitkomst dat A zijn prestatie kan terugvorderen van B.3 Of stel dat A en B een overeenkomst sluiten en dat A een beroep doet op dwaling. Dan wordt een afweging gemaakt van de belangen van zowel A als B. Als de overeenkomst wordt vernietigd, heeft voor A (met terugwerkende kracht) geen rechtvaardiging bestaan voor het verrichten van de prestatie, terwijl er voor B geen rechtvaardiging bestaat om de prestatie te behouden.
Wanneer meer dan twee partijen betrokken zijn bij een bepaalde prestatie, is het gekozen perspectief wel degelijk van belang. De heersende leer kiest voor het perspectief van enkel de presterende partij. Dit leidt ertoe dat een ontvanger kan worden geconfronteerd met een vordering uit onverschuldigde betaling, terwijl hij geen partij was bij een rechtsverhouding waarin een belangenafweging is gemaakt aan de hand van het toetsingskader van de nietigheids- en vernietigingsgronden. We zagen dit bij de afgekorte betaling. Stel dat A een schuld heeft aan B als gevolg van een overeenkomst tussen A en B. B heeft een gelijkluidende schuld aan C. Op verzoek van B verricht A een prestatie aan C. Voor de verrichting van deze prestatie moet een rechtvaardiging worden aangewezen. Deze rechtvaardiging volgt niet enkel uit de overeenkomst AB; deze rechtsverhouding biedt geen verklaring waarom A de prestatie aan C verricht in plaats van aan B. De rechtvaardiging voor de prestatie volgt ook niet enkel uit de rechtsverhouding BC. De heersende leer neemt daarom aan dat de rechtsverhouding AB en de rechtsverhouding BC samen de prestatie AC rechtvaardigen.4 Als vervolgens de rechtsverhouding AB gebrekkig blijkt, wordt duidelijk dat een deel van de rechtsgrond ontbreekt. De rechtsgrond AB+BC is daarom niet geldig. C wordt daardoor betrokken in de afwikkeling van de rechtsverhouding AB. Hij was daarbij echter geen partij. Allerlei beschermingsconstructies bleken nodig die naar mijn mening niet toereikend of overtuigend zijn.5
Ik meen dat het daarom wenselijk is dat een andere invulling wordt gegeven aan het begrip rechtsgrond die dergelijke beschermingsconstructies overbodig maakt. Daarvoor is naar mijn mening nodig dat wordt gelet op zowel (i) het perspectief van de presterende partij als (ii) het perspectief van de ontvangende partij. Ik leg hieronder uit waarom beide perspectieven van belang zijn.
(i) Het perspectief van de presterende partij
De reden waarom moet worden gelet op het perspectief van de presterende partij, is dat de presterende partij geen belang heeft bij de vordering uit onverschuldigde betaling als een rechtvaardiging voor het verrichten van de prestatie bestaat. In veel gevallen zal de presterende partij het ook niet op prijs stellen om betrokken te raken in de afwikkeling van een gebrekkige rechtsverhouding waarbij hij geen partij is. Daarentegen dient de presterende partij wel een vordering uit onverschuldigde betaling te hebben als hij zonder geldige reden een prestatie heeft verricht.
Een voorbeeld ter verduidelijking. Stel dat A een schuld heeft aan B en in opdracht van B presteert aan C. Zoals hierboven bleek, kan het verrichten van de prestatie door A worden toegerekend aan B en kan het ontvangen van de prestatie door C worden toegerekend aan B.6 Zowel A als B verricht derhalve een prestatie aan C; A verricht bovendien een prestatie aan B waarmee hij is gekweten jegens B. De rechtvaardiging voor het verrichten van de prestatie door A aan C is volgens mij dat A een schuld heeft aan B en van B een opdracht heeft gekregen om te presteren, welke opdracht A moet uitvoeren.7 Bij een gebrek in de rechtsverhouding BC heeft A geen belang bij een vordering tegen C; A is immers gekweten jegens zijn schuldeiser B. Bovendien zal A het niet op prijs stellen om betrokken te raken in de afwikkeling van de rechtsverhouding BC. Daarentegen is de prestatie van B aan C zonder geldige reden verricht. B dient daarom wel van C te kunnen terugvorderen.
(ii) Het perspectief van de ontvangende partij
Ook het perspectief van de ontvangende partij is van belang. De reden is dat de ontvanger van een prestatie in veel meerpartijenverhoudingen geen inzicht heeft in de al dan niet bestaande rechtsverhouding die voor de presterende partij aanleiding is om een prestatie te verrichten, terwijl de ontvanger wel kan wijzen op een goede reden waarom hij de prestatie zou mogen behouden. Stel bijvoorbeeld dat A ten onrechte meent een schuld te hebben aan B en dat B een schuld heeft aan C. In opdracht van B verricht A een prestatie aan C. C is op grond van artikel 6:58 verplicht de prestatie te aanvaarden die A als (klaarblijkelijke) hulppersoon van B verricht. Als A achter zijn vergissing komt, dient C daarom niet verplicht te zijn de prestatie terug te geven aan A (of B).8 De vordering van C op B – in samenhang met het feit dat A zich als hulppersoon van B presenteert9 – rechtvaardigt het behouden van de prestatie door C.