Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.5.5:5.5.5 Rekening houden met aanvaarde risico’s in meerpartijenverhoudingen
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.5.5
5.5.5 Rekening houden met aanvaarde risico’s in meerpartijenverhoudingen
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS496350:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 3, par. 3.6.4. Zie ook Scheltema 1997 (o.a. p. 77-79).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hierboven is een formulering voorgesteld van het vereiste dat een rechtsgrond ontbreekt: een rechtsgrond ontbreekt als niet een rechtvaardiging aanwezig is voor zowel het verrichten als het behouden van de prestatie. Opmerking verdient dat het begrip rechtvaardiging normatief en daardoor enigszins flexibel kan worden toegepast. Voordeel daarvan is dat in beginsel wenselijke uitkomsten kunnen worden bereikt. Evengoed bestaat het gevaar dat in concrete gevallen wordt geoordeeld dat een rechtsgrond ontbreekt voor een bepaalde prestatie terwijl het onwenselijk is dat deze prestatie kan worden teruggevorderd.
In het bijzonder bestaat in meerpartijenverhoudingen het gevaar dat een partij die bepaalde risico’s heeft aanvaard, deze risico’s probeert af te wentelen op een derde als de risico’s zich verwezenlijken. Het volgende voorbeeld maakt dit duidelijk. A sluit als gevolg van B’s bedrog een overeenkomst met B. B heeft een schuld aan C. A betaalt in opdracht van B rechtstreeks aan C. C heeft geen inzicht in de rechtsverhouding tussen A en B, maar hij is op grond van artikel 6:58 verplicht de betaling van B of diens hulppersoon te aanvaarden op straffe van schuldeisersverzuim. Als A erachter komt dat hij door B is bedrogen, vernietigt hij de overeenkomst met B. B gaat vervolgens failliet. Een vordering van A op C zou tot gevolg hebben dat C in een nadeligere positie komt te verkeren dan waarin hij zou hebben verkeerd als de betaling niet was verricht door A, maar door B; C kan door B’s faillissement sowieso niet op zijn beurt verhaal nemen op B. Dit zou betekenen dat een vordering van A ertoe leidt dat A het risico dat B hem bedriegt en hem niet kan terugbetalen, kan afwentelen op C. Daarvoor bestaat naar mijn mening geen rechtvaardiging.
Het voorbeeld maakt duidelijk dat in meerpartijenverhoudingen bij de toepassing van het criterium ‘zonder rechtsgrond’ rekening moet worden gehouden met bepaalde risico’s die partijen al dan niet hebben geaccepteerd. Vooral Duitse auteurs hebben erop gewezen dat drie risico’s in het bijzonder van belang zijn, waarvan de presterende partij zich een beeld kan vormen.1 Degene die betaalt, beseft (of kan beseffen) dat een kans bestaat dat (i) een gebrek kleeft aan de rechtsverhouding die aanleiding geeft tot het verrichten van de prestatie, of dat (ii) hij betaalt zonder dat een rechtsverhouding daartoe aanleiding geeft. Als deze risico’s zich realiseren, kan de partij die betaalt, een vordering uit onverschuldigde betaling instellen. In dat geval bestaat ook het risico (iii) dat de ontvanger tegen deze vorderingen verweermiddelen kan inroepen of insolvent is.
De betaler kan tot op zekere hoogte deze risico’s inschatten. In elk geval moet hij worden geacht deze risico’s te hebben aanvaard; deelnemen aan het rechtsverkeer is nu eenmaal niet zonder risico. Ten aanzien van een derde kan de betalende partij al deze inschattingen niet maken, laat staan dat hij ze heeft willen aanvaarden. De betaler dient daarom niet het risico te dragen dat de derde de prestatie niet kan teruggeven. Hij moet dus in beginsel kunnen terugvorderen van de partij van wie hij bepaalde risico’s heeft aanvaard. Bovendien heeft de derde deze risico’s niet aanvaard. Deze risico’s zouden echter op hem worden afgewenteld als hij een vordering van de betaler tegen zich moet laten gelden. Daarvoor bestaat in beginsel geen rechtvaardiging. Het is daarom onwenselijk dat de betaler zomaar een derde zou kunnen aanspreken.
In het volgende hoofdstuk illustreer ik de hier ontwikkelde invulling van de begrippen betaling en rechtsgrond aan de hand van enkele meerpartijenverhoudingen. Daar besteed ik uitvoerig aandacht aan bepaalde risico’s die partijen al dan niet hebben geaccepteerd.