NTM/NJCM-bull. 2022/11
Het recht op huisvesting en de Nederlandse Grondwet
Een analyse van artikel 22 lid 2 Grondwet: het recht op voldoende woongelegenheid
Michel Vols, datum 08-06-2022
- Datum
08-06-2022
- Auteur
Michel Vols*
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS650248:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Bouwrecht / Woonrecht
Huurrecht / Algemeen
Staatsrecht / Decentralisatie
Staatsrecht (V)
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Prof. mr. dr. M. Vols is als hoogleraar openbare-orderecht verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen en leidt het EVICT project (www.eviction.eu). Het onderzoek is medegefinancierd met een ERC Starting Grant verstrekt door de European Research Council (ERC), projectnummer 949316.
Zie R. Beets & J. de Vries, ‘Wonen is een recht, blijf het vooral zo noemen’, NRC 14 oktober 2021.
Zie Aanhangsel Kamerstukken II 20/21, nr. 3970; J. van Bockxmeer, ‘Zo wordt wonen wél een recht’, de Correspondent 7 december 2021.
V. Thunnissen, ‘Huisvesting als sociaal grondrecht’, NJCM-Bulletin 1980, p. 283-291; G.J.M. Cartigny, ‘Bevordering van voldoende woongelegenheid’, in: A.K. Koekkoek, W. Konijnenbelt & F.C.L.M. Crijns (red.), Grondrechten. Commentaar op Hoofdstuk 1 van de herziene Grondwet (Jeukens-bundel), Nijmegen: Ars Aequi 1982, p. 426-432; B. Hubeau & R. de Lange (red.), Het grondrecht op wonen: de grondwettelijke erkenning van het recht op huisvesting in Nederland en België, Antwerpen: Maklu 1995; F.M.C. Vlemminx, ‘Artikel 22’, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 240-244.
Zie F.M.C. Vlemminx & R. Passchier, ‘Commentaar op artikel 22 van de Grondwet’, in: E.M.H. Hirsch Ballin, E.J. Janse de Jonge & G. Leenknegt (red.), Uitleg van de Grondwet, Den Haag: Boom juridisch 2021.
Zie J. Hohmann, The Right to Housing. Law, Concepts, Possibilities, Oxford: Hart 2013.
Zie Housing Rights Watch, Binding obligations related to housing from European and international case law, Brussel: Feantsa 2020.
Zie M. Oren & R. Alterman, ‘The right to adequate housing around the globe: analysis and evaluation of national constitutions’ in: S. Agrawal (red.), Rights and the City: Problems, Progress and Practice, Edmonton: University of Alberta Press 2021.
Zie D. Donnelly, J. Finnerty & C. O’Connell, ‘The Right to Housing’ in: G. McCann & F. Ó hAdhmaill (red.), International Human Rights, Social Policy and Global Development, Bristol: Bristol University Press 2021, p. 217. Zie ook W.E. Block, ‘The housing rights repudiator’, in: W.E. Block (red.), Defending the Undefendable II, Singapore: Springer 2021, p. 173-175.
Zie Maastricht Guidelines on Violations of Economic, Social and Cultural Rights, Maastricht, 22-26 january 1997, paragraaf 6. Zie hieromtrent ook A.E.M. Leijten & K. de Bel, ‘Facing financialization in the housing sector: A human right to adequate housing for all’, Netherlands Quarterly of Human Rights 2000, no. 2, p. 97-100.
Dit ging in het verleden niet altijd even goed in Nederland, zie bijvoorbeeld ‘Rotterdam mag bij huisvestingsbeleid niet discrimineren’, Trouw 3 augustus 1974. Tegenwoordig wordt ook in het kader van de toepassing van de Rotterdamwet gesteld dat Nederland het recht op huisvesting niet respecteert: zie M. Vols, ‘Banning criminals and nuisance neighbours from housing: human rights proof? Exclusion and the Dutch Urban Areas Special Measures Bill’, in: J. Sidoli del Ceno, M. Vols & M. Kiehl, Regulating the City: Contemporary Urban Housing Law, Den Haag: Eleven Publishing 2017, p. 127-143.
Zie CESCR General Comment No. 4: The Right to Adequate Housing 1991, p. 3.
CESCR General Comment No. 4: The Right to Adequate Housing 1991, p. 3. Zie ook P. Kenna, ‘Introduction’ in: P. Kenna e.a. (red.), Loss of Homes and Evictions across Europe. A Comparative Legal and Policy Examination, Cheltenham: Edward Elgar 2018, p. 25-43.
Zie Y. Donders, ‘Protecting the home and adequate housing. Living in a caravan or trailer as a human right’, International Human Rights Law Review 2015, p. 1-25.
Zie M. Vols & E. Dyah Kusumawati, ‘The International Right to Housing, Evictions and the Obligation to Provide Alternative Accommodation’, Asia-Pacific Journal on Human Rights and the Law 2020, p. 237-269.
Zie Donders 2015 (supra noot 13).
Zie S. Wilson, ‘The right to adequate housing’, in: J. Dugard e.a. (red.), Research Handbook on Economic, Social and Cultural Rights as Human Rights, Cheltenham: Edward Elgar 2020, p. 181-202.
Zie bijvoorbeeld CESCR 20 juni 2017, Mohammed Ben Djaza en Naouel Bellili tegen Spanje, communication no. 5/2015.
Zie M. Adams, ‘Grootboom: sociale grondrechten en maatschappelijke doelen ten overstaan van de rechter’, AA 2021, p. 221.
Dit betreft het huidige art. 12 GW.
Zie Proeve van een nieuwe grondwet, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken 1966, p. 14.
Zie Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 14.
Naar een nieuwe Grondwet. Deel 3, Den Haag: Staatsuitgeverij 1969, p. 176.
Zie ‘Een nieuwe Grondwet’, NJB 1971, bijzonder nummer, p. 105.
J.J.M. van der Ven, ‘De Sexto, oftewel over sociale grondrechten’, NJB 1971, bijzonder nummer, p. 65.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 1.
Zie bijvoorbeeld T. Barkhuysen e.a., De Nederlandse Grondwet geëvalueerd; anker- of verdwijnpunt, Alphen aan den Rijn: Kluwer 2009; W. Konijnenbelt, ‘‘Herijking van de rechtsstaat’ en het Nederlandse recht’, in Preadviezen Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht 2012, p.61-88; P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt, ‘Realisering van grondwettelijke sociale grondrechten; wetgever, ubi est?’, RegelMaat 2016, nr. 4, p. 281-294.
Kamerstukken II 1973/74, 12944, nr. 2, p. 11. Zie ook Kamerstukken II 1974/75, 12944, nr. 15, p. 10; Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 1973/74, 12944, nr. 2, p. 11.
Kamerstukken II 1973/74, 12944, nr. 2, p. 11.
Kamerstukken II 1974/75, 12944, nr. 15, p. 11. Zie ook Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 1974/75, 12944, nr. 15, p. 11.
Kamerstukken II 1974/75, 12944, nr. 15, p. 11. Zie ook Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 7-8.
Kamerstukken II 1974/75, 12944, nr. 15, p. 11.
Kamerstukken II 1973/74, 12944, nr. 2, p. 12.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 5.
Kamerstukken II 1976/77, 13873, nr. 7, p. 3.
Kamerstukken II 1973/74, 12944, nr. 2, p. 12.
Kamerstukken II 1973/74, 12944, nr. 2, p. 12.
Kamerstukken II 1976/77, 13873, nr. 7, p. 3.
Kamerstukken II 1976/77, 13873, nr. 7, p. 3.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 6-7. Zie ook Kamerstukken II 1974/75, 12944, nr. 15, p. 11.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 8.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 6-7.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 7.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 7. Zie ook Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 1-4, p. 27.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nrs. 5-6, p. 4.
Handelingen I 1978/79, p. 1105.
Handelingen I 1978/79, p. 1106.
Handelingen I 1978/79, p. 1190.
Handelingen I 1978/79, p. 1200.
Zie in algemene zin over de vaagheid van de grondwetsbepalingen: T. Barkhuysen e.a 2009 (supra noot 26), p. 59. Zie ook A.W. Heringa, Sociale grondrechten,’s-Gravenhage: T.M.C. Asser Instituut 1989, p. 320-321.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 4.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 14.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 14.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 14.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 14.
Kamerstukken II 1976/77, 13873, nr. 7, p. 24.
Kamerstukken II 1976/77, 13873, nr. 7, p. 24.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 1-4, p. 22.
Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 1-4, p. 31.
Kamerstukken II 1976/77, 13873, nr. 5, p. 18.
Kamerstukken II 1976/77, 13873, nr. 7, p. 23.
Kamerstukken II 1976/77, 13873, nr. 7, p. 23.
Kamerstukken II 1976/77, 13873, nr. 7, p. 23.
Kamerstukken II 1976/77, 13873, nr. 9, p. 5.
Tj. Gerbranda & M. Kroes, Grondrechten evaluatie-onderzoek: eindrapport, Leiden: NJCM-Boekerij 1993, p. 334.
Tj. Gerbranda & M. Kroes 1993 (supra noot 71), p. 334.
M.C.B. Burkens, ‘Normen met onbestemd karakter’, in: M.C.B. Burkens & R. Crince Le Roy (red.), Burger en overheid, Den Haag: VUGA 1984, p. 89.
Burkens 1984 (supra noot 73), p. 90.
M.C.B. Burkens, ‘Grondrechten als rechtsnormen en als rechtsbeginselen’, in: M.M. den Boer e.a. (red.), Gegeven de Grondwet. CZW-bundel, Deventer: Kluwer 1988, p. 56. Zie ook J. van der Hoeven,’De plaats van de Grondwet in het constitutionele recht. Na 27 jaar’, AA 1985, p. 716-719; F.M.C. Vlemminx, ‘Onze tandeloze sociale grondrechten in het licht van twintig jaar EVRM’, NJCM-bulletin 2003, p. 233-234.
G.J.H. van Hoof, ‘De praktische betekenis van economische, sociale en culturele rechten van de mens in Nederland’, in: M.K.C. Arambulo, A.P.M. Coomans & B.C.A. Toebes (red.), De betekenis van economische, sociale en culturele rechten in de Nederlandse rechtsorde, Leiden: NJCM-Boekerij 1998, p. 7.
Van Hoof 1998 (supra noot 76), p. 14.
Barkhuysen e.a 2009 (supra noot 26), p. 55.
Barkhuysen e.a 2009 (supra noot 26), p. 60.
Konijnenbelt 2012 (supra noot 26), p. 75.
Konijnenbelt 2012 (supra noot 26), p. 79.
Van Sasse van Ysselt 2016 (supra noot 26), p. 289.
Van Sasse van Ysselt 2016 (supra noot 26), p. 290.
Barkhuysen e.a 2009 (supra noot 26), p. 58.
ABRvS 6 november 1987, AB 1989/96.
Gerechtshof Den Bosch 23 augustus 1989, NJ 1990/376, r.o. 4.6.
ABRvS 30 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6485, r.o. 2.6.1.
Rb. Den Haag (vzr.) 12 augustus 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:10154, NJF 2013/411, r.o. 3.2.
Rb. Utrecht 18 juni 1991, Prg. 1991/3497, NJ 1992/370, KG 1991/255, r.o. 3.3-3.7.
Ktr. Terborg 12 november 1992, ECLI:NL:KTGTRB:1992:AL2057, Prg. 1993/3802, r.o. 7-8.
Rb. Arnhem 21 augustus 2001, ECLI:NL:RBARN:2001:AB7893, r.o. 10.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10510, r.o. 4.1.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 december 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10510, r.o. 4.4.
Rechtbank Den Haag 13 december 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4247, r.o. 27.2; ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3578, r.o. 42.1.
ABRvS 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2356, r.o. 4.1-4.2.
Rb. Gelderland 9 maart 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1106, r.o. 6.2.
Rb. Gelderland 9 maart 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1106, r.o. 6.2.
ABRvS 20 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4534, r.o. 2.3.
Zie ook Rb. Rotterdam 1 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1884, r.o. 5.2.
Rb. Gelderland 9 maart 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1106, r.o. 4.3.
Rb. Gelderland 9 maart 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1106, r.o. 5.4.
Rb. Den Haag 12 augustus 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4952, r.o. 3.2.
Rb. Midden-Nederland 4 oktober 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:4752, r.o. 4.9.
Rb. Midden-Nederland 23 juli 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:5542, r.o. 4.9.
Rb. Midden-Nederland 19 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2016:7816, r.o. 5.13-5.14.
Rb. Maastricht 6 mei 2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD6937, r.o. 3.5.4.
In één geval doet de huurder wel een beroep op art. 22, tweede lid, GW, maar wordt de vordering op andere gronden afgewezen: Rb. Rotterdam 1 februari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2229, r.o. 4.3.
Gerechtshof Den Bosch 2 maart 1994, KG 1994/192.
Gerechtshof Den Bosch 7 juni 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2303, r.o. 6.9.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7919, r.o. 6.13.
Rb. Rotterdam 19 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2655, r.o. 4.5.
Rb. Rotterdam 10 januari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:125, r.o. 5.22.
Rb. Rotterdam 10 januari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:125, r.o. 5.16.
Rb. Rotterdam 10 januari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:125, r.o. 5.18.
F. Ringnalda, annotatie bij Rb. Rotterdam 10 januari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:125, JHV 2020/9. Zie ook de noot van R.A. Veldman in WR 2020/86.
Zie Gerechtshof Den Haag 30 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2358, r.o. 10.1.
Gerechtshof Den Haag 30 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2358, r.o. 10.2-10.12.
Zie W. Beekers, Het bewoonbare land, Amsterdam: Boom 2012, p. 243 e.v.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1975/76, 13873, nr. 3, p. 4. Zie meer in het algemeen: M.C.B. Burkens, ‘Normen met onbestemd karakter’, in: M.C.B. Burkens & R. Crince Le Roy (red.), Burger en overheid, Den Haag: VUGA 1984, p. 89; Van Sasse van Ysselt 2016 (supra noot 26), p. 292.
Ontleend aan J. Jansen van Galen, De gouden jaren van het linkse levensgevoel. Het verhaal van Vrij Nederland, Amsterdam: Balans 2016.
F.M.C. Vlemminx, ‘Het juridisch tekort van de sociale grondrechten in de Grondwet’, NJB 1996, p. 1201.
CBS, Het wonen overwogen, 2010.
Zie Beekers 2012 (supra noot 119), p. 243 e.v.
Zie ABF Research, Vooruitzichten bevolking, huishoudens en woningmarkt, Delft 2021.
Volgens Vlemminx ligt de bescherming tegen forced evictions besloten in het woord ‘bevordering”: Vlemminx 2000 (supra noot 3), p. 242.
Zie M. Vols, Woonoverlast en het recht op privéleven. De aanpak van overlastveroorzakers in Nederland, Engeland, Wales en België, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 18-25.
Zie bijvoorbeeld: Handelingen II 1978/79, p. 5022.
In de desbetreffende Afdelingsuitspraak (ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285) draait het om een woningsluiting in het kader van art. 13b Opiumwet. Zie ook L.M. Bruijn & M. Vols, Onderzoek toepassing artikel 13b Opiumwet, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 38-42.
Zie bijvoorbeeld HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:2011:BQ9880.
Zie M. Vols, ‘Voortdurend Verhuizen: de impact van het kinderrechtenverdrag op huisuitzettingen in het privaat- en bestuursrecht’, NTM/NJCM-Bull. 2020, p. 3-24. Zie ook Aanhangsel Handelingen I/II (?), 2021-22, nr. ? (antwoord op vragen van het lid Beckerman over de opzegging van de overeenkomsten van de standplaatsen op het Vakantiepark Berkenven, antwoord op vraag 5).
Zie o.a. A. Terlouw, ‘Menselijke waardigheid en de rechten van niet rechtmatig verblijvenden’, AA 2020, p. 412-418.
Zie voor een soortgelijke sombere conclusie: O. Taylor, S. Loubière & P. Auquier, ‘Homelessness, Housing First, and the Right to Housing – Confronting Right and Reality’, Human Rights Review 2020, p. 373-389.
J. Hohmann, ‘Toward a right to housing for Australia: Reframing affordability debates through article 11(1) of the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights’, Australian Journal of Human Rights 2020, nr. 2, p. 292-307.
Raad van State, Herstel begint met een huis. Dakloosheid voorkomen en verminderen, Den Haag 2021, p. 39.
Raad van State, Herstel begint met een huis. Dakloosheid voorkomen en verminderen, Den Haag 2021, p. 40.
41 Raad van State, Herstel begint met een huis. Dakloosheid voorkomen en verminderen, Den Haag 2021, p. 40.
Zie Kamerstukken II 2019/20, 35488, nr. 3, p. 7.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, Nationale Woon- en Bouwagenda, 11 maart 2022, p. 23.
Het recht op huisvesting staat volop in de belangstelling. Onderliggende bijdrage onderzoekt in hoeverre artikel 22 lid 2 Grondwet als een recht op huisvesting kan worden aangemerkt. Dat artikel legt vast dat de bevordering van voldoende woongelegenheid voorwerp van zorg der overheid is. Aan de hand van de parlementaire stukken, literatuur en jurisprudentie wordt de betekenis van artikel 22 lid 2 GW achterhaald. Het blijkt dat de grondwetgever de bepaling koppelde aan het niveau van overheidsinmenging in de volkshuisvesting in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw. De verwachting was dat het verregaande overheidsingrijpen alleen verder zou toenemen, en dat artikel 22 lid 2 GW een politieke barrière zou opwerpen voor afbouw of afbraak. Die verwachting blijkt niet te zijn uitgekomen.
1 Inleiding
De wooncrisis raakt velen. In 2021 kwamen duizenden mensen bijeen in onder andere Amsterdam en Den Haag voor de landelijke Woonprotesten. Demonstranten wezen met spandoeken op hun ‘grondrecht op wonen’.1 Aan het begin van het collegejaar 2021-2022 bezetten boze studenten het academiegebouw in Groningen, omdat zij geen huisvesting kunnen vinden. Ook hier werd gescandeerd dat een woning geen gunst, maar een recht is. Een paar maanden eerder beriepen bewoners van de Rotterdamse Tweebosbuurt zich op hun grondrecht op huisvesting. Zij moesten tegen hun zin hun huurwoning verlaten vanwege grootschalige renovatie van hun wijk. Ondanks een initieel gewonnen rechtszaak, een ingediende klacht bij de Verenigde Naties en een interventie van onder meer de Special Rapporteur for the right to adequate housing werden de woningen gesloopt.2
De Nederlandse Grondwet spreekt weliswaar niet van een grondrecht op wonen of huisvesting, maar legt in artikel 22, tweede lid, vast dat de bevordering van voldoende woongelegenheid voorwerp van zorg der overheid is. In deze bijdrage onderzoek ik hoe het recht neergelegd in artikel 22, tweede lid, GW moet worden begrepen. Dat is een tamelijk basale juridische vraag, maar opmerkelijk genoeg is de literatuur over artikel 22, tweede lid, GW beperkt van omvang, verouderd of wordt slechts een klein deel van de beschikbare jurisprudentie besproken.3 Bovendien focussen auteurs veelal meer op de betekenis van artikel 11 IVESCR dan op de betekenis van het recht gecodificeerd in de Grondwet.4
Dit artikel beoogt meer te zijn dan een beschrijving van de stand van zaken in de parlementaire stukken, literatuur en jurisprudentie. In paragraaf 2 bespreek ik kort de betekenis van het recht op huisvesting, aan de hand van het gedeconstrueerde recht op huisvesting. Deze theorie is gebaseerd op internationale literatuur over the right to adequate housing, en gaat uit van drie typen rechten op huisvesting: toegangsrechten, bewoningsrechten en vertrekrechten. In paragraaf 3 onderzoek ik welke betekenis de grondwetgever aan artikel 22, tweede lid, GW heeft willen toekennen. Uit die analyse blijkt dat de grondwetgever de bepaling koppelde aan het toenmalige niveau van overheidsinmenging in de volkshuisvesting. De verwachting was dat het verregaande overheidsingrijpen alleen verder zou toenemen, en dat artikel 22, tweede lid, GW een politieke barrière zou opwerpen voor afbouw of afbraak. Er is door de grondwetgever daarom niet gekozen om de rechter bij de verwezenlijking van het recht uit artikel 22, tweede lid, GW een grote rol te geven. In paragraaf 4 komt de literatuur over artikel 22, tweede lid, GW aan bod. Het blijkt dat de grote meerderheid van de auteurs in mineur is over de werking van deze bepaling en de grondwettelijke sociale grondrechten. De stemming is dat deze rechten in de praktijk nauwelijks normatieve kracht hebben. Dat stopt mensen echter niet om zich bij de rechter op artikel 22, tweede lid, GW te beroepen. In paragraaf 5 wordt duidelijk dat de bepaling een rol speelt in de jurisprudentie. Ik analyseer de rechtspraak over artikel 22, tweede lid, GW in het licht van het gedeconstrueerde recht op huisvesting. Het blijkt dat de bepaling een rol speelt bij conflicten over zowel toegangsrechten, bewoningsrechten als vertrekrechten. In paragraaf 6 komen alle analyselijnen bij elkaar, en in paragraaf 7 trek ik enkele conclusies.
2 Het gedeconstrueerde recht op huisvesting
In de internationale literatuur is het een gemeenplaats dat de betekenis van het recht op huisvesting tamelijk ambigu is.5 Het recht wordt ingelezen in bepalingen in verschillende internationale verdragen: denk aan artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 11 IVESCR, artikel 27 van het Kinderrechtenverdrag, artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest, artikel 34 van het EU Handvest van de grondrechten en artikel 8 EVRM.6 Daarnaast is het recht te vinden in nationale grondwetten.7 Veel van de conceptuele onduidelijkheid is te verklaren door de wens om alle juridische casuïstiek over huisvesting te analyseren met één veelomvattende definitie van één recht op huisvesting. Bovendien wordt het recht op huisvesting – ten onrechte – gezien als een recht op een gratis woning.8
Een gedeconstrueerd recht op huisvesting stelt ons in staat om een beter inzicht te krijgen in de precieze betekenis van de rechten en de verplichtingen die voortvloeien uit dat recht. Het uitgangspunt van deze theorie is kortgezegd dat niet één, maar verschillende rechten op huisvesting moeten worden onderscheiden. Om deze verschillende rechten helder boven tafel te krijgen, moet het recht op huisvesting worden ‘gedeconstrueerd’. Als het recht uit elkaar wordt getrokken, ontstaat zicht op drie typen rechten op huisvesting: 1) toegangsrechten (access rights), 2) bewoningsrechten (in housing rights) en 3) vertrekrechten (exit rights). Uit deze rechten vloeien in de literatuur uitgebreid besproken verplichtingen van de staat voort: de staat moet de rechten respecteren (respect), beschermen (protect) en verwezenlijken (fulfill).9
De verschillende typen rechten op huisvesting zijn inherent met elkaar verbonden. Tussen de rechten zitten geen schotten: zij lopen in elkaar over. Zo spelen na een gedwongen vertrek uit een woning natuurlijk de toegangsrechten wederom een belangrijke rol. Dat geldt ook als iemand om een andere reden dakloos wordt. Het element van woonzekerheid (tenure security) speelt bijvoorbeeld een belangrijke rol bij zowel de verplichtingen voortvloeiend uit bewoningsrechten als vertrekrechten.
De indeling in drie typen rechten houdt niet in dat alle positiefrechtelijke bepalingen die zien op het recht op huisvesting alle type rechten zoals onderscheiden (zouden moeten) bevatten of beschermen. Sommige positiefrechtelijke bepalingen zien alleen op bewonings- of vertrekrechten, waar andere elementen alle type rechten raken. De theorie bekritiseert deze verschillen in bescherming niet, maar maakt het juist mogelijk de verschillen tussen de verschillende bepalingen te expliciteren en analyseren. Als men alle genoemde verdragsbepalingen in samenhang beschouwt, komen alle elementen uit de verschillende typen huisvestingsrechten wel aan bod en beziet men het recht op huisvesting in zijn totaliteit.
Het eerste type recht op huisvesting betreft toegangsrechten. Dit type rechten is relevant als iemand nog geen woning heeft of een andere woning wil betrekken: iemand wil toegang tot (een deel van) de woningmarkt. Bij deze toegang kunnen mensen verschillende rechten genieten. Zo bestaat het recht om niet gediscrimineerd te worden bij het toetreden tot de woningmarkt. Zo mag de staat niet zelf discrimineren bij het toewijzen van woningen: het gaat om de negatieve verplichting om het (toegangs)recht op huisvesting te respecteren.10 Ook dient de staat op te treden tegen private actoren zoals verhuurders die potentiële huurders discrimineren. Het gaat dan om een positieve verplichting om het (toegangs)recht op huisvesting te beschermen. Ook vloeien uit artikel 11 IVESCR positieve verplichtingen voor de staat voort om voor voldoende betaalbare huisvesting te zorgen, om zo het (toegangs)recht op huisvesting van mensen te verwezenlijken.11
Het tweede type recht op huisvesting betreft bewoningsrechten. Dit type rechten is relevant in het geval iemand al een woning bewoont: de bewoner is vrij om de woning zelf te gebruiken, mag anderen uit die woning weren, en geniet zekerheid van een veilige, stabiele en cultureel adequate woonomgeving. Het is de staat verboden om zonder inachtneming van de wet de woning te betreden. Dit is de negatieve verplichting om het huisrecht van de bewoners te respecteren. De staat heeft bovendien de positieve verplichting om het (bewonings)recht op huisvesting te beschermen als private actoren – zoals buren of verhuurders – zonder toestemming van de bewoner of rechter de woning betreden. De staat heeft ook een positieve verplichting tot beschermen van het (bewonings)recht op huisvesting in geval van gevaarlijke woningen of woonomgevingen. Zo moet de staat optreden tegen slecht onderhouden woningen (substandard housing) of tegen zeer vervuilde of overlastgevende situaties in de nabijheid van woningen. Ten slotte heeft de staat de verplichting om bewoningsrechten te verwezenlijken. Zo vloeit bijvoorbeeld uit artikel 11 IVESCR een positieve verplichting voort om woonzekerheid (tenure security) te bieden door wetgeving aan te nemen en beleid te voeren die die woonzekerheid bevordert.12 Er bestaat ook de positieve verplichting om cultureel adequate huisvesting te verwezenlijken (bijvoorbeeld door wetgeving of beleid), waarbij rekening wordt gehouden met de culturen van minderheden.13
Het derde type recht betreft vertrekrechten. Deze rechten zijn relevant als mensen hun woning moeten verlaten. Men moet dan denken aan huisuitzettingen (evictions). Op verdragsniveau bestaat er een verbod op zogenaamde forced evictions. Dit betekent niet dat alle huisuitzettingen verboden zijn, maar dat huisuitzettingen waarbij onvoldoende rechtsbescherming wordt geboden naar internationaal recht, als schending van het (vertrek)recht op huisvesting gelden.14 De staat heeft zelf de negatieve verplichting om het (vertrek)recht op huisvesting te respecteren en zichzelf niet schuldig te maken aan een forced eviction. Zo moet de staat in het geval hij een huisuitzetting initieert in overleg treden met de bewoners.15 Daarnaast bestaat de positieve verplichting voor de staat om mensen te beschermen tegen huisuitzettingen geïnitieerd door private actoren zoals hypotheeknemers, verhuurders of projectontwikkelaars.16 De staat dient bijvoorbeeld een effectief systeem van rechtsbescherming tegen huisuitzettingen te ontwikkelen en te handhaven, en (strafrechtelijk) tegen private forced evictions op te treden. Ten slotte bestaan ook op het gebied van vertrekrechten op huisvestingen verplichtingen op het niveau van verwezenlijking van het recht. Hierboven kwam de verplichting om woonzekerheid te bevorderen al aan de orde. Ook dient de staat zorg te dragen voor een systeem van voldoende noodopvang om te zorgen dat dakloze mensen opvang geboden wordt.17
De derde opmerking ziet op de kwalificatie van het recht op huisvesting als sociaal of klassiek recht. Het gedeconstrueerde recht op huisvesting laat zien dat het recht niet alleen een sociaal grondrecht betreft. Zo hebben de toegangs- en vertrekrechten tot huisvesting evident kenmerken van klassieke grondrechten: de overheid dient zich te onthouden van discriminerende praktijken en mag niet overgaan tot een forced eviction. Ook het bewoningsrecht op huisvesting dat beschermt tegen het binnentreden in een woning is te kenmerken als klassiek grondrecht. Het gedeconstrueerde recht op huisvesting stelt ons in staat om per geval het recht op huisvesting en de daaruit voortvloeiende verplichtingen te kwalificeren, en laat zien dat het harde onderscheid tussen klassieke en sociale grondrechten te rigide is.18
3 Artikel 22, tweede lid, GW in de parlementaire geschiedenis
Voordat artikel 22, tweede lid, GW door de lens van het gedeconstrueerde recht op huisvesting kan worden geanalyseerd, onderzoek ik eerst de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling. Artikel 22, tweede lid, GW is één van de grondrechten die in 1983 aan de Grondwet is toegevoegd. Voor die tijd bevatte de Grondwet geen grondrecht op voldoende woongelegenheid, maar werd het huisrecht van burgers wel gecodificeerd in artikel 172 Grondwet (1963).19
3.1 Wel of geen recht?
Een goed startpunt van de analyse is 1966. In dit jaar verschijnt een Proeve van een Nieuwe Grondwet. Veel over wonen of woongelegenheid is daarin niet te vinden. De opstellers van de Proeve stellen niet voor om een recht op wonen of woongelegenheid in een nieuwe Grondwet op te nemen, maar volstaan met één algemeen en ruim omschreven artikel op het gebied van sociale grondrechten: ‘De wet stelt regels vast omtrent de maatschappelijke rechten van de ingezetenen’.20 Het is onduidelijk of deze maatschappelijke rechten volgens de opstellers zien op huisvesting.
De Sociaal-Economische Raad (SER) reageert in 1969 op de Proeve. Voor het recht op huisvesting is deze reactie van groot belang gebleken.21 De SER adviseert niet om een zelfstandig recht op huisvesting op te nemen, maar laat huisvesting onderdeel zijn van een veel ruimer grondrecht.22 De Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet stelt vervolgens voor om een apart hoofdstuk met vijf sociale grondrechten op te nemen in de Grondwet. Het recht op voldoende woongelegenheid valt daar niet onder.23 In zijn invloedrijke artikel over de sociale grondrechten uit Van der Ven daarop kritiek. Volgens hem dienen de genoegzame woongelegenheid en een toereikend woonvolume een plaats te krijgen in de Proeve. Dit is geen kwestie van ‘een soort sociale nieuwlichterij’, maar een ‘fundamentele bevestiging van een belangrijk stuk wetgeving en politiek’.24
De regering dient in 1976 een wetsvoorstel in waarin dit recht op voldoende woongelegenheid wel is opgenomen, en kwalificeert dit recht als een sociaal grondrecht.25 Tijdens de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel is in algemene zin gedebatteerd over nut en noodzaak om sociale grondrechten op te nemen in de Grondwet. Het is niet de bedoeling om in dit artikel een uitputtende analyse te maken van dit debat of van de betekenis van sociale grondrechten in het Nederlandse recht.26 Voor een beter begrip van de betekenis van artikel 22, tweede lid, GW is een korte bespreking van de functies van sociale grondrechten in de Grondwet wel noodzakelijk.
3.2 Functies sociale grondrechten
Tijdens de parlementaire behandeling van de grondwetsherziening zijn enkele functies van sociale grondrechten genoemd. Een eerste functie is dat de sociale grondrechten – waaronder het recht op voldoende woongelegenheid – al bestaande wetgeving ‘op bijzondere wijze tegen eventuele intrekking’ beschermen.27 Deze wetgeving wordt zo erkend als ‘maatschappelijke verworvenheid’.28 Bovendien stimuleren de grondrechten wellicht tot ‘verdere ontwikkeling en uitbouw’ van die wetgeving.29
De sociale grondrechten verplichten de regering bovendien om ‘zodanige voorzieningen te treffen, dat de maatschappelijke werkelijkheid zoveel mogelijk in overeenstemming is met hetgeen de sociale grondrechten beogen aan de burger te verzekeren’.30 Uit de nieuwe voorzieningen kunnen rechten voor de burger voortvloeien.31 Ten slotte vormen de sociale grondrechten
‘een uitgangspunt tussen de vertegenwoordigende lichamen en de besturende overheid over de mate en het tempo waarin en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de desbetreffende grondwetsartikelen. Zij geven een zodanig uitgangspunt ook aan groeperingen en individuen in de samenleving die bij de overheid aandringen op de totstandbrenging van de voor de realisering van een sociaal recht nodige voorzieningen’.32
De regering ziet in dat in de toekomst wellicht de verhoudingen in de maatschappij zullen veranderen. Dat zou kunnen leiden tot het leggen van andere accenten in wetgeving en bestuur die de sociale grondrechten moeten concretiseren. Toch meent de regering dat ‘de hoofdgedachte van waarborging van de bestaanszekerheid van de mens en van diens individuele en maatschappelijke ontplooiing in de Grondwet’ stellig haar betekenis zal behouden.33
3.3 Artikel 22, tweede lid, GW als sociaal grondrecht
Een belangrijke andere kwestie voor de uitleg van artikel 22, tweede lid, GW betreft de classificatie van het recht als sociaal grondrecht, en niet als klassiek grondrecht. Welk effect heeft deze classificatie voor de betekenis van de bepaling? Een eerste blik op de parlementaire geschiedenis lijkt te suggereren dat daar niet veel betekenis aan dient te worden gegeven. De regering is vrij stellig over het onderscheid tussen klassieke en sociale grondrechten. Volgens de regering is het inzicht zowel op internationaal als nationaal kader gegroeid dat ‘de sociale grondrechten van niet minder betekenis zijn dan de klassiek vrijheids- en gelijkheidsrechten’.34 De regering acht ‘uit dogmatisch oogpunt een onderscheiding tussen klassieke en sociale grondrechten aanvechtbaar’, en kiest er daarom voor alle grondrechten in één hoofdstuk in de Grondwet op te nemen.35 De sociale grondrechten ontberen volgens de regering geen rechtskarakter. Zij ‘zijn niet louter directieven; zij zijn rechtsnormen; rechtsnormen die beogen te leiden tot een samenleving waarin de burger volledige ontplooiingsmogelijkheden heeft’.36
Uit nadere analyse blijkt dat het onderscheid ook tijdens de parlementaire behandeling wel degelijk uitmaakt. De regering ziet de sociale grondrechten ‘overwegend als instructienormen, dat wil zeggen als opdrachten aan de overheid’.37 Zij zullen meer dan klassieke grondrechten taakstelling voor wetgeving en bestuur inhouden.38 Bovendien erkent de regering dat uit de sociale grondrechten niet ‘direct subjectieve rechten’ voortvloeien.39 Het is niet gezegd dat ‘de burger met een direct beroep op de grondwetsbepalingen die een opdracht aan de wetgever of de overheid inhouden, ten overstaan van de recht een subjectief recht geldend zou kunnen maken’.40 De burger kan vaak wel een subjectief recht ontlenen aan de ‘wetgeving die ter uitvoering van deze bepalingen tot stand komt’.41
3.4 Afdwingbaarheid van het recht uit artikel 22, tweede lid, GW
Het blijkt dat de opdracht tot het bevorderen van voldoende woongelegenheid niet alleen voor de centrale overheid geldt, maar ook voor de lagere overheden.42 De regering stelt dat de overheid ‘die gaat stilzitten, voorzieningen op de lange baan schuift of van het betreffende onderwerp slechts een onbetekenend gedeelte regelt’ het verwijt kan treffen dat er sprake is van schending van de grondwettelijke opdracht.43 De overheden genieten wel een ruime beleidsmarge, vanwege de niet onbegrensde sociaaleconomische mogelijkheden van het land.44 Zij mogen zelf bepalen of de opdracht neergelegd in de sociale grondrechten vervuld wordt door middel van (een combinatie van) regelgeving of bestuurlijke maatregelen.45 De beleidsmarge betekent bovendien dat de overheid zelf gaat over ‘de mate en de snelheid van verwezenlijking van de in de bepalingen verwoorde belangen’.46
Er is volgens de regering voor de rechter geen eigenstandige taak weggelegd in het vervullen van de opdrachten neergelegd in bijvoorbeeld artikel 22, tweede lid, GW.47 Vanwege het toetsingsverbod uit artikel 120 GW kan de rechter geen regelgeving van de formele wetgever toetsen. De rechter heeft wel een toetsende taak aangaande de regelgeving en maatregelen van lagere lichamen. Volgens de regering zal de rechter vanwege de ruime beleidsmarge niet snel tot een schending kunnen concluderen. De sociale grondrechten lenen zich vanwege deze beleidsmarge ‘niet of nauwelijks tot toetsingscriterium’.48 De regering acht de mogelijkheid dat de rechter tot de conclusie komt dat in strijd is gehandeld met een sociaal grondrecht ‘vrijwel een theoretische’, die zich alleen voordoet in ‘een zeer uitzonderlijk geval’.49
In het parlement is ter linkerzijde fundamentele kritiek geuit op de wijze waarop sociale grondrechten hun werking krijgen in de Grondwet. Zo beargumenteert de fractie van de Communistische Partij Nederland in de Tweede Kamer dat alle sociale grondrechten ‘zeer vrijblijvend’ zijn geformuleerd. De Grondwet zal zo ‘optredend in een maatschappij waarin de ongewisheid en de willekeur van het kapitalistische systeem de hoofdgang der dingen bepaling [SIC, MV], geen zekerheden kan en wil geven met betrekking tot de fundamentele sociale rechten waarop de niet-bezitters van kapitaal aanspraak kan maken’.50 De PvdA-fractie in de Eerste Kamer is eveneens kritisch, en stelt dat de artikelen aangaande sociale grondrechten ‘een mengelmoes’ zijn geworden van ‘subjectieve rechten en intentieverklaringen, beide elementen zo mogelijk in één artikel verwoord’.51 De sociale grondrechten zijn ‘nietszeggende frasen’, omdat de rechtssituatie ongewijzigd blijft.52 De fractie meent dat ‘deze sociale grondrechten alleen maar toepasbaar zijn in een economische ‘hausse-situatie’.53 De regering is het daarmee oneens: ‘Ook in een periode, waarin het wat moeilijker gaat en waarin Regering en parlement moeten roeien met de riemen die zij hebben, moet men zien naar wat er aan sociale rechten in de Grondwet is opgenomen’.54
3.5 Debat over de tekst van artikel 22, tweede lid, GW
Nu inzicht is verkregen in de betekenis en rol van sociale grondrechten in de Grondwet, ga ik nader in op de precieze betekenis van artikel 22, tweede lid, GW. De tekst van de bepaling is tamelijk vaag.55 Dat geldt voor de formulering van alle sociale grondrechten in de Grondwet: deze is in ieder geval minder gedetailleerd dan bijvoorbeeld het IVESCR. Dat blijkt een bewuste keuze. Volgens de regering kan de Grondwet ‘de nadere uitwerking van de sociale grondrechten in meerdere mate overlaten aan de wetgevende en besturende organen. In Nederland, waar die nadere uitwerking op diverse terreinen reeds in grote mate gerealiseerd is, behoeft de Grondwet niet in detail aan te geven, waaruit de uitwerking zal bestaan’.56
Tijdens de parlementaire behandeling is wel het nodige gezegd over het belang van het recht. Zo acht de regering de zorg voor voldoende woongelegenheid ‘een taak ter bevrediging van een der primaire levensbehoeften van de mens’.57 De overheidszorg op het gebied van woningvoorziening is ‘reeds van oude datum en de behoefte aan deze zorg, die zich ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog nog verder heeft ontwikkeld, is van blijvende aard’.58
Er is enige aandacht gegeven aan de betekenis van de woorden van de grondwetsbepaling. Zo stelt de regering dat voldoende woongelegenheid niet alleen slaat op ‘een voldoende aantal woningen’.59 Naast een kwantitatieve betekenis, ziet voldoende woongelegenheid ook op een kwalitatieve taakstelling: het heeft ook betrekking op de zorg voor ‘volume, de kwaliteit, de veiligheid, de gezondheid etc. van de woningen’.60 Artikel 22, tweede lid, GW verplicht tot overheidsbeleid dat gericht is ‘op een voldoende aantal woningen, op het binnen het bereik brengen van goede woningen ook voor de laagste inkomensgroepen, op een voldoende kwaliteit van woningen, ook op langere termijn, op bevordering van het wooncomfort’.61 Het beleid moet erop gericht zijn dat ‘slechts in noodgevallen een situatie van onvoldoende aantal wooneenheden mag bestaan’.62
De Raad van State vraagt de regering om aan te geven welke zelfstandige betekenis het recht heeft naast het grondrecht op de zorg voor de bewoonbaarheid.63 Volgens de regering zien bewoonbaarheid en woongelegenheid beiden op het wonen, maar is bewoonbaarheid ruimer. Het begrip bewoonbaarheid ziet op de woonomgeving. Woongelegenheid is beperkter van aard, en ziet op concrete huisvesting van mensen.64
Tijdens de parlementaire behandeling bestaan twee discussiepunten. De PvdA-fractie in de Tweede Kamer vindt de volgorde van de sociale grondrechten in de Grondwet geen recht doen aan de prioriteit die de volkshuisvesting zou moeten krijgen. Huisvesting dient de eerste prioriteit te krijgen bij het zorgen voor een ‘basisniveau van voorzieningen’ voor een ‘welvaartskader’.65 De fractie pleit ervoor om van artikel 22, tweede lid, GW een zelfstandig artikel te maken.66 De regering stelt dat elke keuze omtrent volgorde ‘tegelijk verdedigbaar, aanvechtbaar en arbitrair’ is. Zij is
‘uitgegaan van de volgende overwegingen: eerst moet er een milieu zijn (bewoonbaarheid van het land), dat beschermd en verbeterd moet worden. In dat milieu is de mens geplaatst, wiens gezondheid de overheid aangaat (volksgezondheid), en die een dak boven zijn hoofd moet hebben (voldoende woongelegenheid). Is eenmaal aandacht gewijd aan deze meer stoffelijke belangen van de mens, dan komen de meer geestelijke belangen aan de orde (maatschappelijke en culturele ontplooiing, vormen en opleiding, onderwijs)’.67
De regering ziet geen reden om de volgorde te veranderen, zeker omdat uit de volgorde geen verschil in rechtsgevolgen voortvloeit.68
Het tweede geschilpunt ziet op de term bevordering. De PvdA-fractie prefereert ‘het tot stand (doen) brengen’ of ‘zorgen voor, direct of indirect’ boven de term bevordering. Zo zou de verantwoordelijkheid van de overheid steviger worden vastgelegd.69 De regering vervult deze wens niet, omdat de andere redacties van het artikel te weinig rekening houden ‘met de omstandigheid dat de taken van de onderscheidende overheden op het gebied van de volkshuis-vesting in aard en reikwijdte verschillen. Zo voorziet de rijksoverheid niet in de volkshuisvesting door zelf woningen te bouwen; zij subsidieert en stimuleert bouwactiviteiten’.70
4 Artikel 22, tweede lid, GW in de literatuur
Artikel 22, tweede lid, GW is nauwelijks onderwerp van bespreking in de literatuur. Zo komt de bepaling niet aan bod in het eerste evaluatieonderzoek inzake grondrechten uit 1993. Wel wordt ten aanzien van de sociale grondrechten geconcludeerd dat de overheid zich onder meer op het gebied van volkshuisvesting op afstand heeft geplaatst. Volgens de onderzoekers past dat niet met de ‘uitgangspunten van de grondwetgever’.71 Ook wordt geconcludeerd dat de overheid in het kader van ‘de Grote Efficiency Operatie’ veel bezuinigingen heeft doorgevoerd, en dat de afwezigheid van de inbreng van de sociale grondrechten in de discussie daaromtrent onbegrijpelijk is ‘als gekeken wordt naar de door de grondwetgever beoogde functies van die rechten’.72
Die bevindingen zijn in lijn met andere opvattingen in wat oudere literatuur. Zo stelt Burkens in 1984 dat de sociale grondrechten vooral een bevestigend karakter hebben in ons constitutionele bestel. Deze rechten ‘verankeren een feitelijk plaatsgevonden hebbende rechtsontwikkeling in de Grondwet’. Volgens hem leggen deze grondrechten ‘dan ook getuigenis af van een optimistisch vertrouwen in de toekomstige expansiemogelijkheden. Hun formulering dateert van het eind van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig, toen de sociaal-economische vooruitzichten een voortdurende expansie waarschijnlijk deden zijn’.73 Burkens stelt dat ‘aan de mogelijkheid, dat de omstandigheden tot een regressieve beweging zouden nopen’ niet werd gedacht.74 In 1988 constateert hij dat de sociale grondrechten ‘geen normatieve werking weten te ontplooien.75 Van Hoof betoogt in 1998 dat de betekenis van economische, sociale en culturele rechten in theorie formidabel, maar in de praktijk ‘zo goed als nihil’ is.76 Het opnemen van de sociale grondrechten in de Grondwet kan niet als meer dan een ‘lippendienst’ worden gezien.77
In het tweede evaluatieonderzoek inzake grondrechten, gepubliceerd in 2009, speelt de bepaling eveneens geen rol. Ook in dit onderzoek wordt gewezen op de veranderende politieke werkelijkheid en verschuivende maatschappijvisies. Tijdens de parlementaire behandeling van de sociale grondrechten werd gehecht ‘aan een centrale, beschermende positie van de overheid ten aanzien van de burgers en ook een groot geloof bestond in de maakbaarheid van de samenleving’.78 Na inwerkingtreding veranderde die maatschappijvisie. De sociale grondrechten hebben
‘niet in de weg gestaan aan een verschuiving tussen rechten en plichten. De verantwoordelijkheid voor de invulling van sociaal-grondrechtelijke waarborgen wordt niet geacht alleen bij de overheid te liggen, maar bij een ieder, bij de samenleving als geheel, in sociaal-economisch opzicht vooral bij de sociale partners. Tegenover zorgplicht van de overheid staan medeverantwoordelijkheden en plichten van de burger.’79
In 2012 concludeert Konijnenbelt in een preadvies dat de sociale grondrechten niet in staat zijn om heel veel invloed uit te oefenen.80 Hij gaat niet specifiek in op artikel 22, tweede lid, GW, maar uit een algemene jurisprudentieanalyse van zijn hand blijkt dat de beroepen op sociale grondrechten ‘in het algemeen niet veel om het lijf’ hadden en ‘tamelijk gemakkelijk’ konden worden afgedaan.81 Van Sasse van Ysselt trekt in 2016 soortgelijke conclusies. Hij komt tot de conclusie dat de sociale grondrechten weinig richting of houvast geven ‘voor de nadere inkleuring van wetgeving ter uitwerking van die grondrechten. Tegelijkertijd wordt dat ook niet bepaald bevorderd door het achterwege laten van verwijzingen ernaar’.82 Bijzonder is dat hij dit punt illustreert met een wetsvoorstel inzake de Wijziging Huisvestingswet 2014. Volgens hem beperkt dit wetsvoorstel de overheidszorg voor voldoende woongelegenheid in plaats dat het deze zorg bevordert.83
5 Artikel 22, tweede lid, GW in de jurisprudentie
Uit de hierboven besproken literatuur blijkt dat de rechtspraak terughoudend is wat betreft de toetsing aan artikel 22, tweede lid, GW en andere grondrechtsbepalingen die sociale grondrechten vastleggen.84 In deze paragraaf analyseer ik alle jurisprudentie die tussen 1983 en 2021 op rechtspraak.nl of in tijdschriften is gepubliceerd. De analyse vindt plaats aan de hand van het gedeconstrueerde recht op huisvesting: de jurisprudentie wordt gekwalificeerd als uitspraak over het toegangs-, bewonings- of vertrekrecht op huisvesting. Eveneens onderzoek ik wat voor soort verplichting voortvloeit uit het recht dat in de zaken centraal staat.
5.1 Toegangsrecht op huisvesting
In verschillende zaken ervaren mensen moeilijkheden om een woning te vinden of te betrekken. Er zijn drie verschillende typen uitspraken te onderscheiden. In een eerste type uitspraken treedt de overheid veelal in de klassieke publiekrechtelijke zin op: dat wil zeggen dat het bevoegd gezag een bestuursrechtelijk besluit neemt. Een eerste voorbeeld is de casus waarin het college van gedeputeerde staten besluit geen vergunning te verlenen om een woonwagen te bewonen. De aanvrager stelt dat dit in strijd is met de Grondwet, en stapt tevergeefs naar de rechter. Volgens de voorzitter van de Afdeling leent artikel 22 GW zich niet voor rechtstreekse toepassing, aangezien de bepaling een zorgplicht aan de overheid oplegt.85
In 1989 oordeelt het gerechtshof dat uit artikel 22, tweede lid, GW geen vergaande rechtsplicht voor de gemeente voortvloeit om een huurder die uit een huurwoning is gezet vervangende woonruimte te verschaffen.86 In een andere zaak concludeert de Afdeling dat artikel 22 GW niet met zich brengt dat het college onder alle omstandigheden een woning in de gemeente dient te garanderen. Het is bovendien volgens de Afdeling de vraag of de ingeroepen bepalingen wel betrekking hebben op de zaak, of de burger wel in rechte een beroep mag doen op de bepalingen en of zij wel een rol kunnen spelen bij het nemen van het besluit zoals genomen door het college.87
Een andere uitspraak gaat over een onrechtmatige overheidsdaad-zaak: de staat zou in strijd met artikel 22 GW hebben gehandeld door aan het einde van de detentie geen passende woonruimte aan de ex-gedetineerde toe te (laten) wijzen. De rechtbank wijst deze vordering af. Artikel 22 GW verschaft burgers ‘geen in rechte inroepbare waarborgen’. De bepaling geeft volgens de rechtbank geen ‘recht op woonruimte, maar verplicht de overheid een beleid te voeren dat erop gericht is (in het algemeen) voldoende woongelegenheid te bevorderen’.88
In een tweede type zaak over toegangsrechten treedt de overheid als verhuurder van woonruimte op. Dat is het geval in de zaak waarin de gemeente Utrecht weigert om een woningzoekende na een ontruiming een nieuwe huurwoning toe te wijzen. De rechtbank wijst op de inspanningsverplichting uit artikel 22 GW en op artikel 61 Woningwet (oud) dat ziet op de bouw van woningen van gemeentewege. De gemeente Utrecht heeft ten tijde van het vonnis ook ‘een omvangrijk bezit aan woningen, waaronder woningen die passend zijn voor eiseres en haar gezin’. In deze casus kan de gemeente volgens de rechtbank ‘niet langer in redelijkheid tot het oordeel komen dat zij geen woning uit haar eigen bestand aan eiseres verhuurt’.89
Een derde type casus gaat over de rol van (private) woningcorporaties en hun relatie met toegangsrechten. In de eerste zaak daaromtrent heeft de ontruiming al plaatsgevonden, maar beroepen de huurders zich op artikel 22, tweede lid, GW. De kantonrechter oordeelt dat zowel op de centrale als de gemeentelijke overheid een inspanningsverplichting rust om voor woongelegenheid te zorgen. De gemeente heeft in deze casus geen eigen woningbezit meer, de woningen zijn overgedragen aan een woningcorporatie. Volgens de kantonrechter rust de verplichting nu op de woningcorporatie, omdat deze als enige sociale woningbouw in de gemeente aanbiedt. De woningcorporatie heeft weliswaar de vrijheid om de huurders geen woning aan te bieden, maar de kantonrechter oordeelt dat ‘wanneer dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbaar resultaat leidt’ het de woningcorporatie gelet op de monopoliepositie niet vrij staat om geen woning aan de huurder aan te bieden. In deze casus is sprake van een onaanvaardbare situatie, omdat de huurders al een jaar geen vaste huisvesting hebben en ook geen concreet zicht hierop bestaat.90
In een andere uitspraak gaat het om een woningzoekende in woningnood die geen urgentieverklaring krijgt. De woningstichting weigert de woningzoekende daarom met voorrang een huurwoning aan te bieden. De woningzoekende stapt naar de burgerlijke rechter en vordert dat de woningstichting haar een woning aanbiedt. De rechtbank wijst deze vordering af. Wel overweegt de rechtbank dat de gemeente zich ‘niet zo makkelijk aan haar grondwettelijke taak om huisvesting te verzorgen’ kan onttrekken door de problemen ‘op het bordje’ van de woningstichting te leggen. De rechtbank erkent dat de gemeente geen partij is in de procedure, ‘maar dat laat onverlet dat de president de gemeente op haar grondwettelijke verantwoordelijkheden mag wijzen’. De rechtbank adviseert dat de advocaat van de woningzoekende actie onderneemt en zich tot de gemeente wendt.91
In een laatste zaak speelt de gemeente geen rol in de procedure. Een woningcorporatie weigert een woningzoekende in te schrijven vanwege een historie van betalingsproblemen en huurschulden. Volgens de woningzoekende volgt uit artikel 22, tweede lid, GW dat zijn woonbelang zwaarder moet wegen dan het financiële belang van de corporatie.92 Het gerechtshof is het daarmee oneens. Het hof volgt de woningzoekende niet in zijn betoog dat het een basisrecht is om reguliere woonruimte in zijn leefomgeving te vinden en dat het belang van de verhuurder daarvoor moet wijken.93
5.2 Bewoningsrecht op huisvesting
Een beperkt aantal uitspraken waarin artikel 22, tweede lid, GW een rol speelt, betreft het bewoningsrecht op huisvesting. Het gaat in de meerderheid van deze casus om burgers die betogen dat de overheid de positieve verplichting om hun bewoningsrecht te beschermen niet heeft nagekomen. Opmerkelijk is dat in al de gevonden zaken de burger bakzeil haalt in de procedure. Zo speelt de bepaling een rol in uitspraken over de vuurwerkramp in Enschede en de aardbevingen in de provincie Groningen. Bewoners stellen dat het overheidsoptreden onveilige woonsituaties heeft veroorzaakt en daarom als schending van artikel 22, tweede lid, GW moet worden gekenmerkt. In beide gevallen stelt de rechter dat de norm neergelegd in artikel 22, tweede lid, GW zich niet leent voor een rechtstreeks beroep voor de rechter.94
In twee uitspraken stellen omwonenden dat de lokale overheid onvoldoende optreedt tegen in hun ogen hinderlijke of gevaarlijke situaties in de woonomgeving. Zo stellen buurtbewoners dat het college van burgemeester en wethouders artikel 22, tweede lid, GW schendt omdat het college onvoldoende optreedt tegen de slechte staat van een buurwoning. De Afdeling gaat niet mee met dit betoog, en concludeert dat artikel 22 GW zich in beginsel niet leent voor rechtstreekse toetsing door de rechter. In dit geval is geen sprake van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat toch moet worden getoetst.95 In een andere casus oordeelt de rechtbank dat het verlenen van een splitsingsvergunning het woongenot van omwonenden niet aantast en dat daarom geen sprake is van een schending van hun recht uit artikel 22, tweede lid, GW.96 Bovendien oordeelt de rechtbank dat uit artikel 22 GW niet valt af te leiden dat voor ieder ‘een algemeen recht bestaat op het kunnen huren van een sociale huurwoning voor een redelijke prijs’.97
Het bewoningsrecht speelt in één zaak een rol als meer klassiek recht, waaruit volgens de bewoner voor de overheid de negatieve verplichting voortvloeit om zich niet te bemoeien met de wijze van bewonen. De bewoner heeft zijn recreatieverblijf aangepast zonder dat hij de benodigde vergunningen heeft. De Afdeling oordeelt dat artikel 22, tweede lid, GW mensen niet het recht geeft om te bouwen zonder een daartoe vereiste bouwvergunning of in afwijking van een verleende bouwvergunning.98
5.3 Vertrekrecht op huisvesting
Het merendeel van de geanalyseerde jurisprudentie over artikel 22, tweede lid, GW ziet op een beroep op het vertrekrecht op huisvesting. Mensen dreigen hun woning te verliezen, en betogen dat artikel 22, tweede lid, GW zich tegen dat vertrek verzet. Er kunnen drie type ontruimingszaken worden onderscheiden: zaken waarin een burger tegen een bestuursrechtelijk besluit opkomt, zaken over kraken en casus waarin huurders dreigen hun huurwoning te moeten verlaten.
Een voorbeeld van het eerste type zaak gaat over een omgevingsvergunning die de sloop en renovatie van woningen mogelijk maakt.99 Volgens een bewoner is het verlenen van een dergelijke vergunning in tijden van woningnood in strijd met artikel 22, tweede lid, GW.100 De rechtbank is het daarmee oneens. Zo betwijfelt de rechtbank of het bouwplan kan worden getoetst aan artikel 22, tweede lid, GW. Daarnaast ziet de rechtbank niet in dat sprake zou kunnen zijn van strijdigheid, omdat het aantal woningen na de renovatie gelijk blijft.101
De kraakuitspraken gaan in meerderheid over aankomende strafrechtelijke ontruimingen van gekraakte panden. De krakers verzoeken in die zaken de rechter om de ontruiming te verbieden en stellen onder meer dat het ontruimingsbeleid van het Openbaar Ministerie (OM) in strijd is met artikel 22, tweede lid, GW. De rechters gaan niet mee in dit betoog. Zo wijst in de eerste zaak de rechtbank het verzoek af, omdat door de krakers helemaal geen huisrecht zou zijn gevestigd.102 In de tweede zaak oordeelt de rechtbank dat het ontruimingsbeleid van het OM is gebaseerd op artikel 551a Sv. Dit is een formeelrechtelijke bepaling, en daarom staat artikel 120 GW toetsing aan artikel 22, tweede lid, GW in de weg. Bovendien is artikel 22, tweede lid, GW een instructienorm, en kan de bepaling niet door de burger rechtstreeks worden ingeroepen.103 In een derde zaak oordeelt de rechtbank dat artikel 22, tweede lid, GW de staat niet verplicht om na ontruiming alternatieve woonruimte aan te bieden. De rechtbank stelt dat de kraker het recht op huisvesting tegenover de staat niet ten laste van de eigenaar van het pand kan afdwingen.104
Een tweetal kraakzaken gaat over privaatrechtelijke ontruimingen waarin krakers zich verzetten tegen door de eigenaar gevorderde ontruiming met een beroep op artikel 22, tweede lid, GW. In de eerste zaak stelt de rechtbank dat de krakers het recht hebben om op te komen voor hun idealen en kritiek te leveren, maar dat die idealen niet gelden als belang dat moet worden afgewogen in het kader van een belangenafweging in kort geding. De rechter gaat niet expliciet in op het beroep op artikel 22 GW en wijst de ontruimingsvordering toe.105 In de tweede zaak oordeelt de rechtbank dat artikel 22, tweede lid, GW ziet op een sociaal grondrecht en zich niet op private rechtspersonen richt. Bovendien is het recht ook richting de overheid niet rechtens afdwingbaar.106
Huurders in huurrechtelijke ontruimingszaken beroepen zich doorgaans ook zonder veel succes op artikel 22, tweede lid, GW.107 In 1994 wijst het gerechtshof een ontruimingsvordering toe, en houdt artikel 22, tweede lid, GW geen in rechte afdwingbaar recht van de burger in om een concrete door die burger gewenste woning bij de overheid te krijgen.108 In een andere zaak verwerpt het gerechtshof een beroep op artikel 22, tweede lid, GW, omdat de huurder inmiddels een andere woning in de private huursector heeft gevonden.109 In weer een andere casus stelt een huurder dat sociale verhuurders volgens artikel 22 GW verplicht zijn om huurders te helpen met betalingsproblemen. Het gerechtshof oordeelt dat deze stelling geen basis vindt in het recht en ook niet inhoudt dat sociale verhuurders moeten aanvaarden dat huurders een huurachterstand laten ontstaan.110 De rechtbank oordeelt in een vergelijkbare ontruimingszaak dat artikel 22, tweede lid, GW een verplichting oplegt aan de overheid, en niet aan een door de overheid aangewezen toegelaten instelling zoals de woningcorporatie. Daarnaast heeft de overheid de verplichting voortvloeiend uit artikel 22, tweede lid, GW ingevuld met wetgeving. De woningcorporatie heeft die wetgeving gevolgd.111
Een afwijkende huurrechtelijke uitspraak betreft een vonnis uit 2020 over ontruimingen in de reeds genoemde Tweebosbuurt. Huurders verzetten zich tegen de beëindiging van een huurovereenkomst. De woningcorporatie wil samen met de gemeente ‘herstructureren’ en een groot aantal huurwoningen slopen. Na de herontwikkeling neemt het aantal sociale huurwoningen in de buurt af, en niet alle bewoners kunnen in de buurt terugkeren. De woningcorporatie vordert dat de rechter de huurovereenkomst beëindigt en de huurder verplicht de huurwoning te ontruimen. De rechtbank weigert dat te doen, omdat de ‘huidige herstructureringsplannen de strenge toets van het dringend eigen gebruik niet kunnen doorstaan’.112 De rechtbank merkt op dat in deze casus ‘op geen enkele wijze en op geen enkel moment sprake is geweest van het (daadwerkelijk) betrekken van de bewoners bij de ontwikkeling van de plannen voor herstructurering’.113 Het is opvallend dat de rechtbank oordeelt dat de woningcorporatie ‘er in deze zaak onvoldoende blijk van gegeven [heeft, MV] dat het grondrecht op huisvesting (artikel 22 aanhef en lid 2 Grondwet) voor alle bewoners van de Tweebosbuurt in het bijzonder en voor alle personen met een smalle beurs in het algemeen voldoende is gewaarborgd’.114 Volgens de rechtbank staat het grondrecht uit artikel 22 GW onder druk, omdat de wachttijden voor sociale huurwoningen oplopen en dat aan die situatie voorlopige geen einde lijkt te komen.
Het is opmerkelijk dat de rechtbank in dit vonnis artikel 22, tweede lid, GW zo nadrukkelijk betrekt in de beoordeling van de vordering. Het is onduidelijk of de door de rechtbank geconstateerde strijdigheid met artikel 22 GW ook daadwerkelijk de reden is om de vordering af te wijzen. De rechtbank lijkt de vordering van de verhuurder vooral af te wijzen omdat niet voldaan is aan de eisen die de bepaling aangaande de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik (artikel 7: 274, eerste lid, sub c, Burgerlijk Wetboek) stelt. In de literatuur is het vonnis kritisch ontvangen. Zo betwijfelt Rignalda of artikel 22 GW tegenover een private partij zoals de woningcorporatie kan worden ingeroepen, en of hier sprake is van een schending van het grondrecht.115
In hoger beroep vernietigt het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam, beëindigt de huurovereenkomst en veroordeelt de huurder de huurwoning te ontruimen.116 Vanuit het grondwettelijk perspectief is het arrest tamelijk teleurstellend: het gerechtshof constateert dat de kantonrechter aandacht heeft besteed aan artikel 22 GW, maar laat die bepaling verder onbesproken omdat de huurder zich daarop in hoger beroep nadrukkelijk niet beroept.117Artikel 8 EVRM en andere internationaalrechtelijke bepalingen staan volgens het gerechtshof ook niet in de weg van het verlies van de huurwoning in de Tweebosbuurt.118
6 Discussie van bevindingen
Deze laatste paragraaf bekijkt de parlementaire stukken, literatuur en jurisprudentie over artikel 22 GW door de lens van het gedeconstrueerde recht op huisvesting en presenteert een aantal synthetiserende bevindingen.
De eerste bevinding is dat de grondwetgever artikel 22, tweede lid, GW nadrukkelijk heeft gekoppeld aan het niveau van overheidsinmenging in de volkshuisvesting/woningmarkt in de jaren ‘60 tot begin jaren ‘80 van de vorige eeuw. Deze naoorlogse overheidsinmenging via investeringen en een steeds uitdijend wetgevingsapparaat was groot.119 De grondwetgever lijkt veel vertrouwen te hebben dat artikel 22, tweede lid, GW die toenmalig gerealiseerde uitwerking van het grondrecht zal consolideren en nadere uitbouw en uitwerking van de overheidsinmenging in de volkshuisvesting zal bevorderen.120 De bepaling is, kort gezegd, de resultante van ‘de gouden jaren van het linkse levensgevoel’.121
De tweede bevinding betreft de misrekening van de grondwetgever. Vlemminx geeft aan dat de grondwetgever leek te verwachten dat het met de sociale grondrechten wel zou goed-komen.122 Een blik op de huidige staat van de Nederlandse volkshuisvesting leert ons dat dat de verwachting dat de overheid zich blijvend even intensief zal bezighouden met de volkshuisvesting niet geheel is uitgekomen. Sinds het einde van de jaren ‘80 van de vorige eeuw is de overheidsinmenging in de volkshuisvesting flink afgenomen. De woningmarkt is vergaand geprivatiseerd en geliberaliseerd: waar in 1986 nog 57% van de woningvoorraad een huurwoning betrof,123 is dat in 2021 teruggelopen naar 43%.124 De ‘bruteringsoperatie’ van 1995 verzelfstandigde de woningcorporaties.125 Het aandeel van huurwoningen in handen van corporaties in het totale aantal woningen is verminderd: waar in 2013 de corporatie nog 30,7% van de woningvoorraad in eigendom had, is dat anno 2021 nog 28,8%.126
Een kleinere (sociale) huursector is natuurlijk niet één op één de reden voor problemen in de volkshuisvesting of een schending van artikel 22, tweede lid, GW, maar het is wel een indicatie dat de overheid een andere rol heeft gekregen dan de grondwetgever in 1983 voor ogen had. Een blik op andere cijfers leert ons dat de problemen aangaande wonen sinds eind jaren ‘80 niet significant zijn verbeterd. Er is een groot tekort aan een woningen: anno 2021 betreft dit 279.000 woningen, en het is niet de verwachting dat dit tekort op korte termijn wordt opgevuld.127 Ook de betaalbaarheid van woonruimte staat onder druk. De woonquote van huurders – het gemiddeld percentage van het besteedbaar huishoudinkomen dat besteed wordt aan woonlasten – is van 36,2% in 2012 opgelopen naar 38,1% in 2018.128 Het aantal daklozen is van 17.800 personen in 2009 met 80% gestegen tot 32.000 personen in 2021.129
De verwachting van de grondwetgever was dat de in de jaren ‘70/’80 geldende wetgeving op het gebied van wonen voldoende bescherming zou bieden tegen eventuele schendingen. Zoals wij hierboven hebben gezien, is de wetgeving en het overheidsbeleid aangaande de volkshuisvesting sinds de inwerkingtreding van de Grondwet drastisch veranderd. De koppeling van het grondrecht aan het positieve recht heeft de bepaling daarom een dynamische betekenis gegeven, en de betekenis oneerbiedig gezegd tot een speelbal van tamelijk wisselvallige politiek gemaakt.
De derde bevinding is dat artikel 22, tweede lid, GW ziet op zowel toegangs- als bewoningsrechten op huisvesting. Tijdens de parlementaire behandeling benadrukt de regering dat de bepaling zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve taakstelling met zich brengt. De kwantitatieve taakstelling ziet op een positieve verplichting van de overheid om een voldoende aantal woningen en zo toegang tot huisvesting te verwezenlijken. De kwalitatieve taakstelling ziet op een positieve verplichting van de overheid om de kwaliteit, veiligheid en gezondheid van woningen te verwezenlijken. Door het aannemen en handhaven van wetten als de Woningwet tracht de overheid aan deze verplichting te voldoen.
De grondwetgever heeft niet beoogd om het vertrekrecht op huisvesting door artikel 22, tweede lid, GW te laten beschermen. Het verlies van een woning en ontruimingen zijn niet aan bod gekomen tijdens de parlementaire behandeling.130 Een mogelijk verklaring daarvoor is dat artikel 10 GW enige bescherming biedt tegen het verlies van de woning.131 Een andere verklaring voor het gebrek aan aandacht van de grondwetgever voor het vertrekrecht op huisvesting is de voor burgers uitgebreide wettelijke bescherming van verlies van de (huur)woning ten tijde van de grondwetsherziening.132 De grondwetgever koppelde de bescherming die artikel 22, tweede lid, GW geeft nadrukkelijk aan de toenmalige heersende wetgeving, en achtte het daarom wellicht niet nodig om de reeds bestaande bescherming tegen huisuitzetting nog een keer te verankeren in artikel 22, tweede lid, GW.
De vierde bevinding ziet op de rechtsbescherming tegen (vermeende) schendingen van de rechten beschermd door artikel 22, tweede lid, GW. De analyse van de parlementaire stukken laat zien dat de grondwetgever beperkte mogelijkheden heeft gecreëerd voor burgers om bij de rechter een rechtstreeks beroep te doen op artikel 22, tweede lid, GW. Overheden hebben een ruime beleidsmarge, en kunnen zich alleen in een zeer uitzonderlijk geval schuldig maken aan een schending. Overheden kunnen worden aangesproken bij stilzitten, het op de lange baan schuiven van voorzieningen of het enkel regelen van onbetekenende gedeelten van de volkshuisvesting.
Dat de kans op juridisch succes op basis van het bovenstaande klein lijkt, maakt niet dat mensen niet toch naar de rechter stappen en betogen dat sprake is van een schending van artikel 22, tweede lid, GW. De rechtspraakanalyse laat zien dat mensen de bepaling inroepen in casus over toegangs- en bewoningsrechten op huisvesting. De conclusie is wel dat dit beroep nauwelijks succes heeft: er is geen enkel succesvol beroep gevonden in de zaken over bewoningsrechten. Bij uitspraken over toegangsrechten is sporadisch sprake van succes: alleen in wat oudere zaken waarin de gemeente zelf woningbezit heeft en weigert woningzoekenden in te schrijven. In de grote meerderheid van de zaken wordt het beroep op artikel 22, tweede lid, GW afgedaan met de mededeling dat de bepaling zich niet leent voor rechtstreekse toepassing.
Hoewel artikel 22, tweede lid, GW niet ziet op het vertrekrecht op huisvesting, gaat een groot deel van de geanalyseerde jurisprudentie juist over huisuitzettingen en het verlies van een woning. Ook in deze zaken is het beroep op het grondrecht doorgaans onsuccesvol. De rechter oordeelt dat de bepaling niet rechtens afdwingbaar is jegens de overheid of een woningverhuurder. Een uitzondering betreft een recente casus over een renovatie in de Rotterdamse Tweebosbuurt, waarin de rechtbank Rotterdam een beëindigingsvordering van de verhuurder afwijst en daarbij nadrukkelijk artikel 22 GW betrekt. In hoger beroep is dit vonnis vernietigd: het gerechtshof maakt geen woorden vuil aan het grondrechtelijk recht.
De rechterlijke terughoudendheid is voor een groot gedeelte te verklaren door de beperkte werking die de grondwetgever aan artikel 22, tweede lid, GW heeft toegekend. Toch betekent dat niet dat het recht op huisvesting in zijn geheel niet doorwerkt in de Nederlandse rechtspraak. Het recht kan ook via andere bepalingen uit de nationale wet of verdragen in de rechtspraak doorwerken. Dit aspect staat niet centraal in onderliggend artikel en dient nader te worden onderzocht, maar de voorbeelden van deze doorwerking zijn legio. Zo biedt het evenredigheidsbeginsel zoals te vinden in artikel 3:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht zeker na de Afdelingsuitspraak van 2 februari 2022 bescherming tegen inbreuken op woonrechten en - belangen van burgers.133 Ook artikel 8 EVRM speelt een belangrijke rol in de rechterlijke bescherming tegen ontruimingen van huur-, koop- en kraakwoningen.134 Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het Kinderrechtenverdrag135 en in minder mate het Europees Sociaal Handvest.136 Hoewel artikel 22, tweede lid, GW dus in de praktijk geen groot direct effect lijkt te hebben, kan het belang dat de bepaling wil beschermen in Nederland wel degelijk juridisch bescherming genieten. Het is alleen de vraag in welke mate artikel 22, tweede lid, GW iets bijdraagt aan die bescherming, en in het achterhoofd van de rechters meespeelt bij hun toepassing van andere beschermende nationale en internationale bepalingen in zaken over huisvesting.
7 Conclusie
De conclusie van dit artikel kan als somber worden gekenmerkt. Het recht op huisvesting staat evident onder druk, en de mogelijkheden om het in de Grondwet vastgelegde recht af te dwingen – enkele uitzonderingen daargelaten – hebben niet veel om het lijf.137 Deze somberheid kan wel wat worden genuanceerd. Hohmann geeft terecht aan dat het kwalificeren van huisvesting als een recht – zoals in de Grondwet is gedaan – kan helpen om in politieke, minder strikt juridische arena’s het belang van huisvesting op de agenda te zetten en de werking te verster-ken.138 Een voorbeeld daarvan is het recente advies van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) waarin bepleit wordt dat het recht op huisvesting de basis is voor het ‘nemen van een andere vorm van politieke regie van dakloosheid’.139 Het grondrecht moet worden geoperationaliseerd ‘in wet- en regelgeving door bij botsende regels meer gewicht aan het woonaspect te geven’.140 Ook dient het grondrecht meer betekenis te krijgen ‘in concrete situaties van (dreigende) dakloosheid, door “wonen” als basis van herstel te nemen en daar ook naar te handelen’.141
Ook in het parlement staat het grondrecht steeds meer in de belangstelling en klinkt de roep om meer overheidsinterventie in de volkshuisvesting nadrukkelijk. Een wetsvoorstel om huurprijzen nader te maximeren, beoogt expliciet de uitvoering van de zorgplicht uit artikel 22, tweede lid, GW te verbeteren.142 In een in 2020 aangenomen motie spreekt de Tweede Kamer onder verwijzing naar het grondrecht in artikel 22, tweede lid, GW de wens uit dat in een komend kabinet de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu terugkeert.143 Dit blijkt een succesvolle politieke interventie te zijn geweest: in januari 2022 treedt Hugo de Jonge aan als Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. De Jonge presenteert twee maanden later al zijn Nationale Woon- en Bouwagenda, waar hij aankondigt dat de overheid ‘de regie op de volkshuisvesting’ herneemt: dat betekent dat ‘het Rijk vaker dan in het verleden de lijnen uitzet en normen stelt’.144 In het licht van artikel 22, tweede lid, GW is dat positief nieuws, al blijft het waarschijnlijk aan demonstranten op woonprotesten om de druk op de politieke ketel te houden.