Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/4.3.4.2
4.3.4.2 Bijzondere uitsluitingsgronden
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS302520:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een zijdelingse opmerking is hier op zijn plaats aangaande de terminologie die de wetgever hanteert waar hij aangeeft dat een behandeling niet in het openbaar plaatsvindt. Meestal wordt gesproken van een terechtzitting met gesloten deuren, maar soms (bijvoorbeeld in art. 972 lid 7 (oud) Rv) dook de term raadkamer op. Zowel P-G Berger als A-G Biegman-Hartogh hebben zich, voor respectievelijk HR 26 juni 1981, NJ 1982, 450 en HR 24 september 1982, NJ 1983, 243, de vraag gesteld of aan deze onderscheiden terminologie gewicht moest worden toegekend. Beiden (de P-G op grond van de wet, de A-G op grond van de wetsgeschiedenis van art. 429g Rv en de literatuur) komen tot de conclusie dat de wetgever tussen de twee termen geen wezenlijk verschil heeft willen maken, althans niet wat de 'graad van niet-openbaarheid' betreft. Wel is er het ceremoniële verschil dat ingevolge art. 2 Regl. 11 de rechters gehouden zijn op een terechtzitting met gesloten deuren in toga met bef aanwezig te zijn, terwijl dit in raadkamer aan hun eigen inzicht wordt overgelaten. A-G Biegman-Hartogh vindt dit ceremoniële verschil in zaken betreffende het gezag over minderjarige kinderen ook functioneel: het past bij de eenvoudige en informele rechtsgang in dit soort zaken om kinderen op hun gemak te stellen; daar horen geen toga's en beffen bij.
EHRM 8 december 1983, Pretto, serie A, vol 71, § 23; EHRM 8 december 1983, Axen, serie A, vol 72, § 26 en EHRM 22 februari 1984, Sutter, serie A, vol 74, § 27.
Zie Handelingen NJ V 1983, deel 2, p. 48.
Handelingen NJ V 1983, deel 2, p. 92.
De Boer (1985), p. 836. Naast Dommering en de Boer gaat annotator Alkema onder HR 20 mei 1988, NJ 1989, 676, ervan uit dat de in art. 6 EVRM vermelde uitzonderingen kennelijk in het bijzonder door de rechter in het concrete geval moeten worden gemaakt.
Beijer ( T&CRv), art. 27, aant. 3, heeft het ten onrechte over 'altijd'.
Een ondersteuning voor deze opvatting is terug te vinden in ECRM 2 juli 1990,1356288, DR 66, p. 181. In deze tuchtzaak overweegt de Commissie: 'It is true that the public character of proceedings is a principle of fundamental importance to the fairness of those proceedings. However, derogations from this principle may be justified, particularly by the need to protect the private lives of the parties or by the interests of justice. 'These derogations may, be regulated by the legislator, who is free to decide that ... hearings shall normally be conducted in closed session. It is then for the party claiming the right to publicity to ask the disciplinaly body to weigh the conflicting interests against each other.' (curs. P.S.).
In zaken betreffende het personen- en familierecht geschiedt de behandeling als vaste regel met gesloten deuren, zo blijkt uit art. 803 Rv. Ook elders in de wet zijn bijzondere wettelijke bepalingen te vinden waarbij een uitzondering wordt gemaakt op het beginsel van openbaarheid van terechtzittingen,1 zo in art. 1001 lid 4 Rv (voor vorderingen met betrekking tot jaarverslagen of jaarrekeningen), in art. 2:353 lid 3 BW (de enquêteprocedure in ondernemingszaken) en in art. 4 lid 1 Fw dat de openbare behandeling van aangiften en verzoeken tot faillietverklaring uitsluit.
De achterliggende gedachte van de wetgever bij de bijzondere uitsluiting is dat in de uitgezonderde gevallen de bescherming van het privéleven en/of de bedrijfsgegevens van de betrokkenen in het algemeen de voorkeur verdient boven de belangen die worden gediend met de behandeling daarvan in de openbaarheid. Men kan zich de vraag stellen of de uitsluitingstechniek van de Nederlandse wetgever voor bepaalde categorieën van zaken zich wel verenigt met art. 6 EVRM dat uit lijkt te gaan van toetsing in het concrete geval.
Het Europees Hof laat zich over strijd van nationale bepalingen met art. 6 EVRM niet uit, noch laat het zich erover uit of een bepaling buiten toepassing gelaten, gewijzigd of geschrapt moet worden. Slechts wordt in het voorliggende geval beoordeeld of een verdragsschending heeft plaatsgevonden. Men kan deze conclusie trekken uit de door het Europees Hof in de arresten Pretto, Axen en Sutter gelijkluidende overweging:
'Whilst the member States of the Council of Europe all subscribe to this principle of publicity, their legislative systems and judicial practice reveal some diversity as to its scope and manner of implementation, as regards both the holding of hearings and the "pronouncement" of judgments. The formal aspect of the manner is, however, of secondary importance as compared with the purpose underlying the publicity required by Article 6 § 1. The prominent place held in a democratic society by the right to a fair trial impels the Court, for the purposes of the review which it has to undertake in this area, to examine the realities of the procedure in question.'2
Vriesendorp meent dat het EVRM zou toelaten een bepaald type zaken in de wet van openbaarheid uit te sluiten, aangezien voor die zaken redelijkerwijs valt aan te nemen dat deze altijd vragen om de 'protection of the private lifes of the parties',3 zulks onder verwijzing naar onder andere de wetgeving in Frankrijk en Duitsland, waar net als in Nederland - een tweegroepen-systeem toegepast wordt: uitsluiting van openbaarheid op grond van algemene uitzonderingsgronden én uitsluiting voor bijzondere categorieën zaken.
Zowel Dommering4 als De Boer5 zijn van mening dat ook bij bijzondere uitsluitingen door de wetgever toetsing in concreto moet plaatsvinden. Alleen benaderen beide schrijvers het probleem vanuit een ander uitgangspunt. Dommering stelt dat de openbaarheid in beginsel dient te regeren en dat daar in het voorkomende geval van kan worden afgeweken. De Boer accepteert de uit 'administratief gemak' geboren bijzondere uitsluitingen van openbaarheid, maar stelt dat daarvan moet worden afgeweken als blijkt dat betrokkenen de voorkeur geven aan openbare behandeling en een contra-indicatie om daaraan geen gehoor te geven niet aanwezig is. De benaderingswijze van De Boer spreekt het meeste aan: het lijkt reëel aan te nemen dat in de door de wetgever van openbare behandeling uitgezonderde gevallen in beginsel6 besloten behandeling geïndiceerd is; het gros van de betrokkenen zal een besloten behandeling als vanzelfsprekend ervaren. Betrokkenen die dat minder voor de hand vinden liggen, dienen dat aan de rechter door een expliciet en tijdig beroep duidelijk te maken.7
Ziet de rechter geen kwaad in een openbare behandeling, dan kunnen mijns inziens niet alleen de deuren, maar ook de dossiers, zonder bedenkingen open. Openbaarheid beperkt zich dan immers in redelijkheid niet meer tot de daadwerkelijke zittingen, maar tot de gehele (dus ook schriftelijke) procedure.
De Nederlandse bijzondere uitsluitingsgronden moeten - dat is de conclusie gelezen worden in het licht van art. 6 EVRM; indien de specifieke omstandigheden van het geval daar om vragen dient men van de niet-openbaarheid af te stappen ten faveure van de openbaarheid.