Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/11.6.2.1
11.6.2.1 De bewoordingen van art. 4 Moeder-dochterrichtlijn
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298378:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 1 april 1993, zaak C-136/91 (Findling), r.o. 11.
Ook uit de jurisprudentie die door het HvJ over de toepassing van de Moeder-dochterrichtlijn is gewezen, blijkt dat het Hof van Justitie EG bij de interpretatie van de richtlijn in de eerste plaats te rade gaat bij de bewoordingen van de bepaling waarvan de toepassing in geschil is. Zie HvJ EG 17 oktober 1996, zaken C-283/94, C-291/94 en C-292/94 (Denkavit International, VITIC Amsterdam en Voormeer), r.o. 24 en 25; HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-375/98 (Epson Europe BV), r.o. 22; HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-294/99 (Athinaiki Zythopoiia), r.o. 26 en HvJ EG 25 september 2003, zaak C-58/01 (Océ van der Grinten), r.o. 46.
HvJ EG 6 oktober 1982, zaak C-283/81 (CILFIT), r.o. 18.
HvJ EG 9 januari 2003, zaak C-257/00 (Nani Givane), r.o. 36 en 37.
Zie ten aanzien van de Moeder-dochterrichtlijn HvJ EG 17 oktober 1996, zaken C-283/94, C-291/94 en C-292/94 (Denkavit International, VITIC Amsterdam en Voormeer), r.o. 24 en 25; HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-375/98 (Epson Europe BV), r.o. 22; HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-294/99 (Athinaiki Zythopoiia), r.o. 26; en HvJ EG 25 september 2003, zaak C-58/01 (Océ van der Grinten), r.o. 46.
Art. 4 van de Moeder-dochterrichtlijn zondert van de ‘uitgekeerde winst’ uit winstuitkeringen ter zake van de liquidatie van de dochteronderneming.
HvJ EG 6 oktober 1982, zaak C-283/81 (CILFIT), r.o. 19.
Zie N. Reich, Understanding EU law, Objectives, Principles and Methods of Community Law, Antwerpen-Oxford: Intersentia 2005, p. 27.
Zie HvJ EG 18 januari 1984, zaak 327/82 (Ekro), r.o. 11 en Gerecht 25 oktober 2005, T-298/02 (Herrero Romeu/Commissie, r.o. 27. In Sena liet het Hof de uitleg van het begrip ‘billijke vergoeding’ als bedoeld in art. 8, lid 2, van richtlijn 92/100 over aan de lidstaten. Dit begrip werd in richtlijn niet gedefinieerd. Het Hof van Justitie EG overwoog dat het geen enkele objectieve reden zag om precieze methodes ter bepaling van een uniforme billijke vergoeding vast te stellen omdat Richtlijn 92/100 geen enkel bijzonder criterium oplegde. De lidstaten waren daarom bevoegd om op hun grondgebied de meest relevante criteria vast te stellen om er binnen de door het gemeenschapsrecht en in het bijzonder Richtlijn 92/100 gestelde grenzen voor te zorgen dat dit communautaire begrip werd geëerbiedigd. Wel verzocht het Hof van Justitie EG de lidstaten om het begrip ‘billijke vergoeding’ zo uniform mogelijk uit te leggen. HvJ EG 6 februari 2003, zaak C-245/00 (Sena), r.o 34 t/m 36.
Volgens vaste rechtspraak zijn bij de uitlegging van een bepaling van het geschreven gemeenschapsrecht niet alleen haar bewoordingen van belang maar ook de samenhang en de doelstellingen van de regeling waartoe zij behoort.1 Het beginpunt bij de interpretatie van het geschreven gemeenschapsrecht is de tekst.2 Hierbij doet zich het probleem voor dat de wetgeving van de gemeenschap is opgesteld in 27 verschillende authentieke talen. Om een bepaling van het gemeenschapsrecht uit te kunnen leggen is het daarom nodig om deze taalversies met elkaar te vergelijken.3 Alle taalversies hebben in beginsel dezelfde waarde. Wanneer er verschillen tussen die versies bestaan, wordt de betreffende bepaling uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt.4
Het Hof van Justitie EG gaat bij de interpretatie van de richtlijn dus in de eerste plaats te rade bij de bewoordingen van de bepaling waarvan de toepassing in geschil is.5Art. 4 Moeder-dochterrichtlijn heeft betrekking op ‘uitgekeerde winst’ (in de Engelse tekst ‘distributed profits’).6 Deze term wordt eveneens gebruikt in art. 5 Moeder-dochterrichtlijn dat beoogt om uitgekeerde winst van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij vrij te stellen van bronbelasting. Art. 1, lid 1, Moeder-dochterrichtlijn gebruikt de term ‘uitkeringen van winst’ (in de Engelse tekst ‘distributions of profits’). Deze termen worden niet gedefinieerd noch wordt verwezen naar het nationale recht.
Stemmen de verschillende taalversies volledig overeen en komt een term die wordt gebruikt in het gemeenschapsrecht ook voor in de wetten van de verschillende lidstaten, dan volgt hier niet uit dat deze term conform de nationale wetgeving moet worden uitgelegd. Het gemeenschapsrecht heeft namelijk een eigen terminologie.7 Wanneer haar inhoud af zou hangen van het recht van de lidstaten, zouden de regels van het gemeenschapsrecht niet binnen de gehele Unie dezelfde betekenis hebben. Het Hof van Justitie EG staat daarom in beginsel een uniforme interpretatie van het gemeenschapsrecht voor.8
De termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, worden in de gehele Gemeenschap dus autonoom en op eenvormige wijze uitgelegd. Vindt de gemeenschapsrechter echter noch in het gemeenschapsrecht noch in de algemene beginselen daarvan iets dat hem in staat stelt de inhoud en de draagwijdte van een gemeenschapsbepaling door autonome uitlegging te preciseren, dan kan hij een uitzondering op deze regel maken.9 De term ‘uitgekeerde winst’ moet dus in beginsel in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd.