Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.3.1
1.3.1 De eerste fundamentele onderzoeksvraag
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702032:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik hecht er belang aan reeds hier aan te tekenen dat het op zich logisch is dat rechters en bestuursorganen in de grond genegen zijn de meeste vormen van een deskundigenadvies te volgen. Dat heeft te maken met de nog te bespreken ‘kennisparadox’. De rechter of het bestuursorgaan kan simpelweg niet alle onderdelen van het advies inhoudelijke beoordelen. Het ontbreekt hen namelijk aan de daarvoor vereiste kennis, hetgeen ook juist de reden was om zich deskundig te laten voorlichten. Ik verwijs naar § 4.2.4.1 en § 8.3.1.3. Voor algemene beschouwingen omtrent de kennisparadox zie bijvoorbeeld: De Groot & Akkermans, NTBR 2007/72; De Groot 2008, p. 13-14. Zie ook een aantal publicaties van Giard: Giard, EeR 2017/4, p. 136-137; Giard & Merkelbach, NJB 2018/140. Veel literatuurverwijzingen bevat voorts Visser, EeR 2019/4, voetnoot 35.
Bijvoorbeeld: Scheltema & Storm, NTBR 2007/65; Van Ravels, O&A 2015/88.
Sluysmans, TBR 2008/5, p. 25-30. Sluysmans, TBR 2009/25; Sluysmans, O&A 2015/89; Sluysmans, TBR 2015/51; Sluysmans 2018, p. 17-21; Sluysmans 2011, p. 179-197.
Verpaalen, Advocatenblad 1967; Verpaalen, De Pacht 1967, nr. 3/4, p. 18; Wijting 1984, i.h.b. p. 273-274.
De hierboven beschreven rol van de schadedeskundigen in het onteigenings- en nadeelcompensatierecht oogt bijzonder ten opzichte van de rol van andere deskundigen die adviseren in juridische procedures. Die notie ontleen ik dan in de eerste plaats aan het veelal imperatieve karakter van de benoeming. In de meeste civiel- en bestuursrechtelijke rechtsgebieden is de inschakeling van deskundigen eerder uitzondering dan regel. In het onteigenings- en nadeelcompensatierecht is de inschakeling van deskundigen daarentegen wettelijk verplicht, of toch in elk geval de hoofdregel. In de tweede plaats lijken de inhoudelijke werkzaamheden van de schadedeskundigen te verschillen van die van andere deskundigen. Van de schadedeskundigen wordt immers niet alleen gevraagd om te adviseren over datgene dat zich aan de kennis van de rechter of van het bestuursorgaan onttrekt, maar ook om een oordeel te geven over de toepassing van regels van recht. In zoverre wordt de doorgaans strikte scheiding tussen het werk van de rechter (of van het bestuursorgaan) en het werk van de deskundigen ‘doorbroken’. Die scheiding is dikwijls aldus dat de taak van de deskundigen is beperkt tot het leveren van een stukje bijzondere expertise. De rechter (of het bestuursorgaan) is vervolgens verantwoordelijk voor de kwalificatie van die expertise in het licht van een juridische norm. De combinatie van het imperatieve karakter van de benoeming en de integrale adviestaak maakt dat er een significante invloed uitgaat van het deskundigenadvies in onteigenings- en nadeelcompensatiezaken op de uitkomst van het juridisch schadedebat.1
Ook in de hierboven aangehaalde rechtsgeleerde literatuur is aandacht besteed aan de veronderstelde ‘bijzonderheid’ van de positie van de schadedeskundigen. In sommige gevallen blijft dat bij een enkele signalering.2 In andere gevallen leidt de notie van de bijzondere positie tot een roep om een regelgevend kader voor die deskundigen.3 En in nog andere gevallen wordt die ‘bijzondere’ positie zelfs als te dominant en daarom als ongewenst ervaren.4 De aanname dat de positie van de schadedeskundigen ‘bijzonder’ is, is evenwel nog nooit door rechtswetenschappelijk onderzoek aangetoond. De eerste onderzoeksvraag die ik in dit boek daarom beantwoord is:
“Op welke wijze komt de veronderstelde bijzondere positie van de schadedeskundigen in het onteigenings- en nadeelcompensatierecht met het oog op de besluitvorming en geschilbeslechting tot uitdrukking en in hoeverre is deze positie daadwerkelijk bijzonder in vergelijking met de positie van andere deskundigen die adviseren in juridische procedures?”
Deze eerste onderzoeksvraag beantwoord ik aan de hand van twee deelvragen. De eerste deelvraag (eigenlijk een bundeling van losse vragen) luidt: “waar – dus in welke wetten en regels – komen de schadedeskundigen voor? Hoe ziet het benoemingsproces er krachtens die wetten en regels uit? En met welke adviestaak worden de schadedeskundigen belast?” Met de beantwoording van deze eerste deelvraag schets ik direct het juridische kader van de advisering door de schadedeskundigen. Een dergelijke schets is raadzaam voor het vervolg van dit boek. Zoals hierna nog zal blijken, maken het onteigeningsrecht en het nadeelcompensatierecht deel uit van een breder rechtsgebied. Dit bredere rechtsgebied, het overheidsaansprakelijkheidsrecht wegens rechtmatig handelen, is complex en sterk verbrokkeld. Bovendien kent het rechtsgebied verschillende soorten vergoedingsplichten.
Nadat ik deze eerste deelvraag heb beantwoord, richt ik mij – ook nog binnen het bestek van de eerste onderzoeksvraag – op de historische herkomst van de gesignaleerde bijzondere positie van de schadedeskundigen. Daaruit vloeit mijn tweede deelvraag voort; ik zal trachten te achterhalen of de notie omtrent hun bijzonderheid historisch verklaarbaar is en, indien dat het geval is, hoe die verklaring dan luidt. Nadat ik ook deze vraag heb beantwoord, onderzoek ik of de claim dat de positie van schadedeskundigen ‘bijzonder’ is ook daadwerkelijk gestand kan worden gedaan.