Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.6.5
2.6.5 De parlementaire behandeling van het Nieuw Gewijzigd Ontwerp
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1919/20, p. 1967-1968.
Handelingen II 1919/20, p. 1968.
Handelingen II 1919/20, p. 1968.
Handelingen II 1919/20, p. 1925.
Handelingen II 1919/20, p. 1908.
Handelingen II 1919/20, p. 1911.
Handelingen II 1919/20, p. 1911.
Handelingen II 1919/20, p. 1968.
NRC 28 januari 1920, ochtendeditie.
Het Centrum, 9 en 11 februari 1920.
NRC 13 april 1920, ochtendeditie.
Het Centrum, 8 maart 1920.
Het Centrum, 11 maart 1920.
NRC 13 april 1920, ochtendeditie.
Het Centrum, 16 en 30 juni 1920.
Handelingen II 1919/20, p. 1968-1969.
Zie voor een uitgebreide beschrijving van de parlementaire behandeling Pieterman 1990, p. 201-205.
Bijl. Handelingen II 1919/20, 18, nr. 12.
Handelingen I 1920/21, p. 211.
De verhouding tussen beide leden van artikel 170 kwam ook naar voren in de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Het Kamerlid Kleerekoper was van mening dat het tweede lid van het artikel kon worden gemist, omdat al op grond van het eerste lid het oordeel van het om zou moeten gelden als het criterium voor het instellen van de vervolging.1 Minister Heemskerk kon zich in dat bezwaar wel vinden.2 Het lid Dresselhuys was echter de mening toegedaan dat het eerste lid aan het om een verplichting tot spoedige vervolging op zou leggen, waarmee hij in feite de betekenis van het artikellid zoals de staatscommissie dat had opgesteld voor ogen leek te hebben.3 Tijdens de parlementaire behandeling werd over het algemeen instemmend gereageerd op de keuze voor het opportuniteitsbeginsel en de vastlegging daarvan in de wet. In de vrijheid van het om om al dan niet te vervolgen werd een grote waarborg voor de rechtszekerheid gezien.4
Kritische opmerkingen werden gemaakt door het communistische Kamerlid Wijnkoop, die van mening was dat het opportuniteitsbeginsel de mogelijkheid van klassenjustitie openliet. In plaats daarvan gaf hij de voorkeur aan het legaliteitsbeginsel, waarbij de beslissing tot vervolging door een raad van arbeiders zou dienen te worden genomen.5 Kleerekoper reageerde daarop met de woorden: ‘Ik kan mij niet voorstellen dat men zich eenige democratische illusies zou maken van een systeem, waarbij men legislatief zou vastleggen in welke gevallen vervolgd moet worden en in welke gevallen niet. Dat zou niet leiden tot hooge rechtvaardigheid, maar in tal van gevallen tot een zoo pijnlijke onrechtvaardigheid, dat, voor zoover mij bekend, ik het loslaten van het opportuniteitsbeginsel op democratische overwegingen nog nooit verdedigd heb gezien. Wel komt het mij voor, dat wat de Minister in het betrekkelijk artikel aan dat opportuniteitsbeginsel in zijn uitwerking heeft toegevoegd, namelijk dat het parket op gronden van algemeen belang van een vervolging kan afzien, een terminologie is, waarbij men verwarring zou kunnen krijgen tusschen zuiver justitieele en meer speciaal politieke overwegingen.’ 6 Een bijkomende waarborg voor een goede toepassing van het opportuniteitsbeginsel bestond er volgens Kleerekoper in, dat de wet voorziet in rechterlijke en ministeriële controle.7
Eveneens door Kleerekoper werd een bedenking opgeworpen tegen het criterium van het algemeen belang. Dat zou volgens hem namelijk de ruimte kunnen bieden om zelfs een pleger van een aanslag op een staatsgevaarlijk persoon vrijuit te laten gaan met een beroep op het ‘algemeen belang’, omdat hij immers in het staatsbelang handelde door een staatsgevaarlijk individu uit te schakelen. Deze uitleg van het algemeen belang werd door de minister echter weersproken met de overweging: ‘...dat de betekenis van de uitdrukking deze is, dat in acht moeten worden genomen overwegingen van billijkheid en goede justitie en dat het algemeen belang is, dat het openbaar ministerie doet besluiten al dan niet tot vervolging over te gaan. Daarbij kan dan ook in overweging worden genomen, of de gevolgen van het misdrijf zijn hersteld en of het leed, door de vervolging veroorzaakt, buiten alle verhouding zou staan tot het nut van de vervolging. (...) Het is in het algemeen belang, dat er recht gedaan wordt en dat daden van eigen richting van dien aard, gewelddadige aanslagen, ook tegen personen die gevaarlijk zouden zijn, worden beteugeld.’8
Deze woorden konden Kleerekoper niet overtuigen. Naast een voorbeeld over de geringe bereidheid om politieambtenaren te vervolgen haalde hij een zaak aan tegen de directeur van ‘Het Nederlandsche Sportpark’ te Amsterdam, die zich zou hebben schuldig gemaakt aan verduistering en valsheid in geschrift. Nadat het bericht van zijn ontslag gepubliceerd werd9 had de politie een onderzoek ingesteld, terwijl de directeur al naar Parijs gevlucht was.10 Nadat hij zich echter vrijwillig had gemeld werd hij gearresteerd.11 De voorlopige hechtenis werd opgeheven,12 en de officier van justitie meldde dat hij geen aanleiding vond de strafvervolging voort te zetten omdat vrienden van de directeur de schade zouden hebben vergoed.13 Deze beslissing heeft kennelijk veel reacties losgemaakt, waaronder een lied van een cabaretier onder wiens gehoor Kleerekoper zich bevond. Door het Kamerlid De Buisonjé werden vragen aan de minister van Justitie gesteld. De minister gaf toe dat de voorlopige hechtenis beëindigd was, maar benadrukte het voortduren van de strafzaak zelf. Of hij een aanwijzing heeft gegeven aan de officier van justitie, dan wel dat de officier verkeerd geïnterpreteerd zou zijn maakte de minister niet duidelijk. Wat betreft de beslissingsruimte van de officier van justitie merkte hij op: ‘Overigens kunnen er, dit zij ten overvloede opgemerkt, gevallen voorkomen, dat naar aanleiding van vrijwillig herstel der door een misdrijf aangerichte schade van vervolging wordt afgezien, waarbij ieder geval geheel op zich zelf is te beoordelen.’14 De directeur werd overigens conform de eis veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf.15 Kleerekoper stelde zich op het standpunt dat de vervolgingsbeslissing met te weinig waarborgen is omgeven omdat, in gevallen als dit, niet-vervolging door brede lagen van de bevolking als onrecht gevoeld wordt, terwijl er geen of weinig belanghebbenden zijn die beklag kunnen indienen.16
De artikelen 170 en 245 werden zonder hoofdelijke stemming aangenomen.17 Na verwerking van de wijzigingen werden ze vernummerd tot artikel 167 en 242.18 Door de Eerste Kamer werden geen wijzigingen aangebracht. Wel werd benadrukt dat het om met name bij overtredingen gebruik moet maken van de mogelijkheid om niet te vervolgen, en deze buiten proces moet afdoen.19