Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/5.2.3:5.2.3 Tijdselement; periode aandelenbezit
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/5.2.3
5.2.3 Tijdselement; periode aandelenbezit
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS451740:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijkbelangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 82, Fed, Deventer, 1995; H.J. Hofstra/L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, Fiscale hand- en studieboeken nr. 2, blz. 457. Kluwer, Deventer, 1994; Van Soest e.a.. Belastingen, blz. 259, Gouda Quint, Deventer, 1995.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder de tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregeling was nog relevant of de belastingplichtige in de loop van de laatste vijf jaren (al dan niet tezamen met zijn echtgenoot etc.) een aanmerkelijk belang in de vennootschap had gehad. Hield de belastingplichtige op enig moment op aanmerkelijkbelanghouder te zijn in de vennootschap, dan was de aanmerkelijkbelangregeling nog gedurende een periode van vijf jaren van toepassing; men sprak dan van een aflopend aanmerkelijk belang. Vervreemdde de belastingplichtige de aandelen vervolgens binnen deze vijfjaarsperiode, dan was de vervreemdingswinst belast als winst uit aanmerkelijk belang. De achtergrond van deze vijfjaarsperiode was het voorkomen van een gesplitste verkoop van aanmerkelijkbelang-pakketten, nl. eerst net genoeg om het overblijvende aandelenpakket beneden de kwantitatieve criteria voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang te brengen en vervolgens het overblijvende aandelenpakket; de vijfjaarstermijn moest dergelijke wel erg opzichtige ontgaansmanoeuvres tegengaan.
Onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is aan een dergelijke aflopend aanmerkelijkbelangregeling niet langer behoefte, nu de aanmerkelijkbelang-claim niet langer geruisloos kan verdwijnen. Is op enig moment geen sprake meer van een aanmerkelijk belang in de vennootschap, dan wordt de aandeelhouder immers geacht zijn aandelen te hebben vervreemd (art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB, zie hoofdstuk 7, onderdeel 7.3.8). Vervolgens kan de eventuele aanmerkelijkbelangwinst op de voet van art. 20e Wet IB worden doorgeschoven naar het daadwerkelijke vervreemdingsmoment, het zgn. fictieve aanmerkelijk belang (zie hoofdstuk 9). Onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is de regeling van het aflopend aanmerkelijk belang dan ook terecht vervallen.
Wordt gekozen voor doorschuiving van de aanmerkelijkbelangclaim op de voet van art. 20e Wet IB (zie hoofdstuk 9), dan ontstaat in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling een zgn. fictief aanmerkelijk belang, waar in de oude aanmerkelijkbelangregeling nog een zgn. aflopend aanmerkelijk belang ontstond. Dit verschil heeft een aantal consequenties. Zo gold voor een zgn. aflopend aanmerkelijk belang geen bovengrens, zodat waardestijgingen van de aandelen tijdens de aflopende aanmerkelijkbelangperiode bijdroegen tot de belaste aanmerkelijkbelangwinst en waardedalingen leidden tot een geringere aanmerkelijkbelangwinst. Bij een fictief aanmerkelijk belang is de potentiële aanmerkelijkbelangwinst beperkt tot de aanmerkelijkbelangwinst die aanwezig is op het moment, waarop de aanmerkelijkbelangkwalificatie eindigt. Latere waardestijgingen van de fictief-aanmerkelijkbelangaandelen blijven onbelast, latere waardedalingen van de fictief-aanmerkelijkbelangaandelen daarentegen leiden ingevolge art. 20e, tweede lid, tweede volzin, Wet IB wel tot een geringere in aanmerking te nemen aanmerkelijkbelangwinst. Anderzijds eindigde een aflopend aanmerkelijk belang na ommekomst van een periode van vijf jaren en ging niet over op de erfgenamen.1 Een fictief aanmerkelijk belang onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling loopt nimmer af en vererft zelfs op de erfgenamen (zie uitgebreider hoofdstuk 9).