Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.5.3.3
III.6.5.3.3 Boerenplaatsje-arrest
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623687:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8282, NJ 2004/487 (Boerenplaatsje), r.o. 3.5. Over dit arrest ook: Luijten & Meijer 2004; Mellema-Kranenburg 2004b; Blokland & Stollenwerck 2004.
HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8282, NJ 2004/487 (Boerenplaatsje), r.o. 3.6.
HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8282, NJ 2004/487 (Boerenplaatsje), r.o. 3.5. Zie in dit verband ook de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense onder punt 12, waarin zij opmerkt dat: ‘Aan het wezenskenmerk van het fideï-commis de residuo wordt door het verlenen van testeerbevoegdheid naar mijn oordeel geen afbreuk gedaan, met name niet in geval de testeerbevoegdheid – zoals in casu – slechts met betrekking tot een deel van de fideï-commissaire goederen wordt verleend zodat kan worden gesproken van een fideï-commis de residuo waarbij geldt dat bepaalde goederen slechts onder het fideï-commissaire verband en daarmee onder het residu vallen onder de opschortende voorwaarde dat daarover niet bij testament is beschikt (curs. NB).’
Vgl. ook HR 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5402, BNB 1996/112 en HR 5 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:BI5838, BNB 1998/8, die ik in paragraaf 6.3.3 noemde.
In het Boerenplaatsje-arrest was deze voorwaarde overigens niet zo duidelijk als voorwaarde geformuleerd. Erflater had de voorwaarde als volgt geredigeerd: ‘Hij zal echter wel bij testament over het na te melden onroerend goed mogen beschikken.’ Zie ook paragraaf 2.2.3.
Deze wil dient kenbaar te worden gemaakt op een door erflater voorgeschreven wijze: namelijk door het, binnen de grenzen van de door erflater verleende bevoegdheid, maken van een eigen uiterste wilsbeschikking door de bezwaarde. Er is hier dus sprake van een onzekere toekomstige gebeurtenis. Op het moment van erflaters overlijden is het immers onzeker of de bezwaarde al dan niet bij uiterste wil over het aan hem vermaakte zal beschikken. Zie ook paragraaf 6.3.2.
Vgl. paragraaf 4.3.5 ‘Objectivering door redelijkheid en billijkheid voorkomt willekeur’. Vgl. voorts Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 221, p. 190: ‘Het handelen van de gedelegeerde – […] – moet men toetsen aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid.’
De voorwaarde waardoor de werking van een voorwaardelijke making afhankelijk is van de wil van de bezwaarde lijkt overigens de (in het verbintenissenrecht omstreden) – zuiver – potestatieve voorwaarde (paragraaf 6.4) dichter te benaderen dan bijvoorbeeld de voorwaarde dat een derde het bezwaar voor bepaalde goederen niet wil.
Ook aan voorwaardelijke makingen kunnen voorwaarden worden verbonden. In de vorige paragraaf (paragraaf 6.5.3.2) zagen we bijvoorbeeld dat de erflater bij een tweetrapsmaking (een voorwaardelijke making) aan de bezwaarde de bevoegdheid kan verlenen om het aan hem vermaakte geheel of gedeeltelijk te vervreemden en te verteren. Deze bevoegdheidsverlening berust op de wet (art. 4:138 lid 2 jo. 3:215 BW) en maakt onderdeel uit van de voorwaardelijke making. Het betreft immers een extra ontbindende respectievelijk opschortende voorwaarde, te weten de voorwaarde dat er een overschot is op het tijdstip van het einde van het bezwaar. Ik merkte reeds op dat in het verlengde hiervan ligt: de door de Hoge Raad toelaatbare bevoegdheidsverlening aan de bezwaarde om bij uiterste wil over het bezwaarde vermogen te beschikken:
‘Geen regel van erfrecht zoals dat gold tot de inwerkingtreding per 1 januari 2003 van de wet van 16 augustus 2002, Stb. 430 – dat ingevolge art. 68a in verbinding met 69 Overgangswet Nieuw BW de onderhavige vraag beheerst – verzet zich tegen een testamentaire making als bedoeld in art. 4:928 (oud) BW waarbij de erflater de bezwaarde niet slechts de vrijheid laat het hem gemaakte te vervreemden of te verteren, doch hem eveneens de bevoegdheid verleent daarover bij testament te beschikken. […]. Er is geen grond om aan te nemen dat het in strijd is met het tot 1 januari 2003 geldende wettelijk stelsel de erflater de vrijheid te laten om in een geval van een fideï-commis de residuo aan de bezwaarde de bevoegdheid toe te kennen om over het gemaakte bij testament te beschikken. In dat geval is sprake van een fideï-commissaire making onder de voorwaarde dat zij slechts van kracht is, indien en voor zover de bezwaarde niet bij uiterste wil over de fideï-commissair vermaakte zaken mocht blijken te hebben beschikt. Is zulks wel het geval, dan vallen de bedoelde zaken niet langer onder het fideï-commissair verband (curs. NB).1
De verwachter wordt anders gezegd onder een dubbele (opschortende) voorwaarde geroepen: de voorwaarde dat de verwachter de bezwaarde overleeft én de voorwaarde dat de bezwaarde noch tijdens leven het hem vermaakte heeft vervreemd of verteerd noch bij uiterste wil erover heeft beschikt (zie ook paragraaf 2.2.3). Dit geldt getuige r.o. 3.6 evenwel niet alleen voor de bijzondere tweetrapsmaking als bedoeld in art. 4:141 BW:
‘3.6 Opmerking verdient nog dat in het erfrecht zoals het sedert 1 januari 2003 van kracht is, het fideï-commis de residuo niet meer als afzonderlijke rechtsfiguur is geregeld, doch beheerst wordt door hetgeen de wet omtrent voorwaardelijke makingen behelst, met dien verstande dat ingevolge art. 4:141 BW de in art. 4:140 neergelegde beperking in de tijd van de werking van aan erfstellingen verbonden voorwaarden niet geldt voor makingen als hier bedoeld. Het effect van een fideï-commis de residuo onder het oude recht kan thans worden bewerkstelligd door een making aan de bezwaarde onder de ontbindende voorwaarde dat de verwachter de bezwaarde zal overleven, met een daarop aansluitende making aan de verwachter onder dezelfde voorwaarde, doch in opschortende vorm. Zoals ook blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 13 aangehaalde passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van de nieuwe wetgeving, staat het de erflater vrij de aan een dergelijke making verbonden voorwaarden aldus te formuleren dat de te vermaken zaak of zaken slechts dan aan de verwachter zal (zullen) toevallen indien deze de bezwaarde overleeft en laatstgenoemde niet bij uiterste wil over die zaak (zaken) heeft beschikt.’2
Het staat erflater naar huidig recht vrij om aan voorwaardelijke makingen, voorwaarden te verbinden mét wilsafhankelijke elementen, zoals de voorwaarde dat ‘de te vermaken zaak of zaken slechts dan aan de verwachter zal (zullen) toevallen indien deze de bezwaarde overleeft en laatstgenoemde niet bij uiterste wil over die zaak (zaken) heeft beschikt.’
In het Boerenplaatsje-arrest betrof het overigens een tweetrapserfstelling waarbij de erflater in zijn uiterste wil aan de bezwaarde de bevoegdheid heeft verleend om bij uiterste wil over een bepaald goed, te weten het Boerenplaatsje, te beschikken. Gelet op de hierna aangehaalde en gecursiveerde woorden van de Hoge Raad, kan de erflater deze bevoegdheid eveneens aan de bezwaarde verlenen met betrekking tot alle tot de tweetrapserfstelling behorende goederen:
‘Geen regel van erfrecht […] verzet zich tegen een testamentaire making […] waarbij de erflater de bezwaarde niet slechts de vrijheid laat het hem gemaakte te vervreemden of te verteren, doch hem eveneens de bevoegdheid verleent daarover bij testament te beschikken (curs. NB).’3
De Hoge Raad bevestigt in het Boerenplaatsje-arrest dat het mogelijk is om, met behulp van wilsafhankelijke voorwaarden, de werking van een voorwaardelijke making (eveneens) voorwaardelijk te maken. Doordat aan de bezwaarde de bevoegdheid wordt verleend om bij uiterste wil over het aan hem vermaakte te beschikken, heeft de bezwaarde het zelf in de hand om zijn verkrijging onvoorwaardelijk te maken. De goederen waarover de bezwaarde bij uiterste wil beschikt, vallen immers niet meer onder de tweetrapsmaking. Ten aanzien van deze goederen vervalt de ‘tweede trap’. Hiermee kan de bezwaarde indirect bepalen wat al dan niet tot het overschot behoort en bijgevolg, door ervoor te zorgen dat er géén overschot is, eventuele verwachters uitschakelen.
De testeervrijheid laat in dit arrest (eveneens)4 haar gewicht krachtig zien. Erflater is vrij om, binnen de grenzen van wet en fatsoen, de inhoud, werking en voorwaarden van zijn uiterste wilsbeschikkingen naar eigen inzicht te bepalen (zie hoofdstuk 1 en de daarin genoemde ‘testeervrijheid in materiële zin’). Hij kan zodoende de voorwaarde, dat de verwachters enkel het bezwaarde vermogen verkrijgen indien zij het tijdstip waarop het bezwaar eindigt overleven, verzwaren met een extra voorwaarde. Te weten: de voorwaarde dat, op het tijdstip waarop het bezwaar eindigt, door de bezwaarde over het aan hem vermaakte vermogen niet bij uiterste wil is beschikt.5 Met behulp van een dergelijke voorwaarde maakt erflater de werking van de tweetrapsmaking afhankelijk van het al dan niet beschikken door de bezwaarde bij uiterste wil. De tweetrapsmaking is anders gezegd indirect afhankelijk van de wil van de bezwaarde.6 Geen regel van erfrecht verzet zich tegen een dergelijke voorwaardelijke making, waarbij de erflater de bezwaarde niet slechts de vrijheid laat om tijdens leven het aan hem gemaakte te vervreemden of te verteren, maar hem eveneens de bevoegdheid verleent om daarover bij dode te beschikken. Deze bevoegdheidsverlening door de erflater aan de bezwaarde is geoorloofd, aldus de Hoge Raad in HR 16 januari 2004, NJ 2004/487. De bezwaarde kan anders gezegd zelf (ofwel ‘potestatief’) bepalen of en in hoeverre de voorwaarde zal werken.
Uit het Boerenplaatsje-arrest kan worden geconcludeerd dat het is toegestaan om de werking van makingen afhankelijk te maken van wilsafhankelijke voorwaarden. Enkel indien de voorwaarde in strijd komt met het wezen van de beschikking, bijvoorbeeld omdat er op ontoelaatbare wijze wordt geknutseld aan de inhoud van de beschikking (zie paragraaf 6.5.2 en het schema aan het slot van deel II van dit onderzoek), is er mijns inziens sprake van een ongeoorloofde wilsafhankelijke voorwaarde die ongeoorloofde wilsdelegatie teweegbrengt.
Overigens verschilt de mogelijkheid om de werking van een tweetrapsmaking afhankelijk te maken van het al dan niet beschikken bij uiterste wil door de bezwaarde, mijns inziens wezenlijk niet van een tweetrapsmaking die afhankelijk is gemaakt van de toekomstige onzekere gebeurtenis dat bijvoorbeeld een derde met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid7 bij notariële akte te kennen geeft dat het bezwaar voor bepaalde goederen niet geldt. Wat maakt een dergelijke voorwaarde, waardoor de werking van de tweetrapsmaking afhankelijk is van de wil van een derde, immers anders dan een voorwaarde waardoor de werking van de tweetrapsmaking afhankelijk is van de wil van de bezwaarde (vgl. het Boerenplaatsje-arrest)? Of anders dan bijvoorbeeld een (gewone) voorwaarde als ‘tenzij een derde – zoals mijn broer Y – binnen acht maanden na mijn overlijden een reis naar Canada maakt’? Speelt hier misschien het ‘willekeurcriterium’, dat ik eerder noemde in de inleiding en verantwoording van dit onderzoek en dat verbiedt dat erflater zijn beschikkingen afhankelijk maakt van de willekeur van een ander, een rol? Ik kom op deze vraag terug in paragraaf 6.6.8 Vooreerst ga ik nog nader in op ‘voorwaarden in het erfrecht’, in het bijzonder op de uiterste wilsbeschikking onder testamentaire last en op de voorwaardelijke testamentaire last. De testamentaire last duid ik hierna kortheidshalve aan als ‘last’.