Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/7.3.4
7.3.4 Afhankelijkheid van platformwerkers en de Platform-to-Business-Verordening
Inge Graef & Jasper van den Boom, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Inge Graef & Jasper van den Boom
- JCDI
JCDI:ADS288475:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verordening (EU) 2019/1150 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (‘P2B-Verordening’) PbEU 2019, L 186/57.
Overweging 2 P2B-Verordening.
Zie art. 1 lid 5 P2B-Verordening.
Overweging 49 P2B-Verordening.
Art. 1 lid 2 P2B-Verordening.
Overweging 2 P2B-Verordening verwijst naar ‘met name kleine, middelgrote en micro-ondernemingen’.
Zie P. van Cleynenbreugel, ‘Will Deliveroo and Uber be captured by the proposed EU platform Regulation? You’d better watch out…’, European Law blog, 12 maart 2019, beschikbaar via https://europeanlawblog.eu/2019/03/12/will-deliveroo-and-uber-be-captured-by-the-proposed-eu-platform-regulation-youd-better-watch-out/.
Art. 2 lid 2 P2B-Verordening.
Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241/1), art. 1 lid 1 onder b.
HvJ EU 20 december 2017, C‑434/15, ECLI:EU:C:2017:981 (Elite Taxi), paragraaf 48; HvJ EU 10 april 2018, C‑320/16, ECLI:EU:C:2018:221 (Uber France), paragraaf 27.
HvJ EU 20 december 2017, C‑434/15, ECLI:EU:C:2017:981 (Elite Taxi), paragraaf 39; HvJ EU 10 april 2018, C‑320/16, ECLI:EU:C:2018:221 (Uber France), paragraaf 21.
HvJ EU 19 december 2019, C-390/18, ECLI:EU:2019:1112 (Airbnb Ireland), paragraaf 55-57.
Voor een analyse die stelt dat platforms als Uber en Deliveroo buiten het toepassingsgebied van de Verordening vallen, zie P. van Cleynenbreugel, ‘Will Deliveroo and Uber be captured by the proposed EU platform Regulation? You’d better watch out…’, European Law blog, 12 maart 2019, beschikbaar via https://europeanlawblog.eu/2019/03/12/will-deliveroo-and-uber-be-captured-by-the-proposed-eu-platform-regulation-youd-better-watch-out/.
Commission Staff Working Document, Impact Assessment, Annexes Accompanying the document Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council on promoting fairness and transparency for business users of online intermediation services, SWD(2018) 138 final, part 2/2, 26 april 2018, p. 15.
Art. 15 P2B-Verordening.
Als aanvulling op het misbruikverbod in het mededingingsrecht, heeft de Europese wetgever in juni 2019 de Platform-to-Business-Verordening (P2B-Verordening)1 aangenomen die tot doel heeft de billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van online tussenhandelsdiensten te bevorderen. De verordening beschermt zakelijke gebruikers die in toenemende mate afhankelijk zijn van online platforms om consumenten te kunnen bereiken. Door die afhankelijkheid krijgen aanbieders van online tussenhandelsdiensten een sterkere onderhandelingspositie ten opzichte van zakelijke gebruikers waardoor zij zich kunnen gedragen op een manier die oneerlijk en schadelijk kan zijn voor de belangen van zakelijke gebruikers en indirect ook van consumenten.2 Om dit soort praktijken tegen te gaan, legt de verordening een aantal verplichtingen op aan aanbieders van online tussenhandelsdiensten die losstaan van de mededingingsregels.3 Hoewel de naam van de P2B-Verordening ook verwijst naar billijkheid, zien de meeste bepalingen op het creëren van meer transparantie.
Transparantie voor zakelijke gebruikers is met name vereist met betrekking tot de belangrijkste parameters die de rangschikking bepalen (art. 5), tot de vraag of platforms een gedifferentieerde behandeling toepassen (art. 7) en tot de mate van toegang tot gegevens (art. 9). De verordening verbiedt echter geen praktijken en schrijft platforms ook geen gedrag voor met betrekking tot deze kwesties. Een paar situaties, waar zakelijke gebruikers meer bescherming krijgen, zijn vermeldenswaardig: Art. 3 lid 2 voorziet in een opzegtermijn van ten minste vijftien dagen voordat het platform wijzigingen in de algemene voorwaarden kan doorvoeren. Art. 4 vereist dat een platform een zakelijke gebruiker een motivering verstrekt bij het beperken, opschorten en beëindigen van zijn dienstverlening en de zakelijke gebruiker de gelegenheid biedt om de feiten en omstandigheden te verduidelijken in het kader van de interne klachtenbehandeling, die art. 11 verplicht stelt met uitzondering van kleine ondernemingen/platforms.
Deze ‘light-touch’-benadering lijkt erop te zijn gericht om meer informatie over de sector te verzamelen en na te gaan of mogelijke oneerlijke praktijken blijven bestaan – zelfs als deze zichtbaarder worden door de nieuwe transparantieverplichtingen. De P2B-Verordening houdt uitdrukkelijk de mogelijkheid open voor verdere maatregelen, waaronder van wetgevende aard, als de huidige bepalingen niet toereikend blijken om ‘aanhoudende onevenwichtigheden en oneerlijke handelspraktijken in de sector’ aan te pakken.4
Hoewel het probleem van afhankelijkheid en onevenwichtige onderhandelingsposities ook speelt bij platformwerkers, is niet helemaal duidelijk in hoeverre zij binnen het toepassingsgebied vallen. De P2B-Verordening biedt bescherming aan zakelijke gebruikers, gedefinieerd als ‘elke natuurlijke persoon die in een commerciële of professionele hoedanigheid optreedt of elke rechtspersoon, die via onlinetussenhandelsdiensten goederen of diensten aan consumenten aanbiedt voor doeleinden die verband houden met zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit’.5 Hieruit volgt dat particuliere chauffeurs of bezorgers niet altijd binnen het toepassingsgebied vallen. De P2B-Verordening geldt alleen als de activiteit wordt uitgevoerd op professionele basis, waardoor professionele gebruikers van platforms onder bepaalde voorwaarden binnen het toepassingsgebied vallen.6 Niet-professionele gebruikers van platforms vallen in plaats daarvan onder het consumentenrecht.7
Ook is het begrip ‘online tussenhandelsdienst’ cruciaal om te bepalen voor welke diensten de verplichtingen gelden. Om als online tussenhandelsdienst te kwalificeren moet een dienst aan drie voorwaarden voldoen, namelijk: (i) een dienst van de informatiemaatschappij vormen in de zin van Richtlijn 2015/1355; (ii) zakelijke gebruikers de mogelijkheid geven om goederen en diensten aan te bieden aan consumenten, met het oog op het faciliteren van het initiëren van directe transacties tussen die zakelijke gebruikers en consumenten; en (iii) aan zakelijke gebruikers geleverd worden op basis van contractverhoudingen tussen de aanbieder van dergelijke diensten en zakelijke gebruikers die goederen of diensten aanbieden aan consumenten.8 Wat betreft de platforms waarin wij voor dit boekhoofdstuk geïnteresseerd zijn, is vooral de vraag of aan de eerste voorwaarde is voldaan: met andere woorden: zijn Deliveroo en Uber diensten van de informatiemaatschappij?
Richtlijn 2015/1355 definieert een dienst van de informatiemaatschappij als een dienst ‘die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten wordt verricht’.9 Op het eerste gezicht lijkt deze definitie de activiteiten van platforms te omvatten die inderdaad op afstand en tegen betaling als tussenpersoon optreden tussen bedrijven en consumenten. Probleem is dat het Hof van Justitie sommige online tussenhandelsdiensten heeft uitgesloten van de definitie van dienst van de informatiemaatschappij. In zaken zoals Elite Taxi en Uber France heeft het Hof van Justitie bepaald dat een bemiddelingsdienst, zoals aangeboden door Uber, waarmee particuliere, niet-professionele chauffeurs die hun eigen voertuig gebruiken via een smartphoneapp tegen betaling in contact worden gebracht met klanten, niet als dienst van de informatiemaatschappij kan worden beschouwd, maar dient te worden gekwalificeerd als vervoersdienst.10 Volgens het Hof van Justitie creëert Uber als aanbieder van de bemiddelingsdienst namelijk een aanbod van vervoersdiensten dat anders niet bestaan zou hebben. Tegelijkertijd oefent Uber een beslissende invloed uit over de dienstverrichtingsvoorwaarden door onder andere de maximumprijs van de rit vast te stellen, de prijs te innen bij de klant vooraleer een deel terug te storten aan de betreffende chauffeur en controle uit te oefenen op de kwaliteit van de voertuigen, de chauffeurs en hun gedrag.11 In de Airbnb-uitspraak uit december 2019 heeft het Hof de grens tussen het leveren van een informatiedienst en het leveren van een dienst in de betreffende markt verscherpt. In tegenstelling tot zijn conclusie wat betreft Uber achtte het Hof het platform Airbnb geen noodzakelijk kanaal voor het uitoefenen van de verhuurdienst. Bovendien stelde Airbnb geen prijzen vast en oefende het platform slechts minimaal invloed uit. Zodoende bepaalde het Hof dat Airbnb wel aangemerkt moeten worden als een informatiedienst en niet als accommodatiedienst,12 waardoor het ook duidelijk is dat zakelijke gebruikers van Airbnb onder het toepassingsgebied van de P2B-Verordening vallen.
Wat betreft Uber is het de vraag of de uitkomst in de Elite Taxi en Uber France-zaken,die alleen zag op niet-professionele chauffeurs, ook geldt voor professionele chauffeurs van Uber die anders binnen het toepassingsgebied zouden vallen.13 De Europese Commissie besteedt aandacht aan deze vraag in haar Staff Working Document dat tegelijk is gepubliceerd met het originele wetsvoorstel in april 2018, waarin zij stelt dat de redenering in het Uber France-arrest geen invloed heeft op het begrip ‘online tussenhandelsdienst’ zoals gebruikt in de P2B-Verordening. Volgens de Commissie ziet dat arrest op een specifiek type dienst van Uber dat niet langer als online tussenhandelsdienst kwalificeert, maar heeft dit geen gevolgen voor andere bemiddelingsdiensten die Uber aanbiedt.14 Met andere woorden, professionele chauffeurs vallen volgens de Commissie gewoon onder het toepassingsgebied. Deze interpretatie is ook de meest wenselijke vanuit het oogpunt van de sociale bescherming van platformwerkers. Het is moeilijk te rechtvaardigen dat chauffeurs van Uber en misschien ook zelfs andere platformwerkers die diensten verlenen gerelateerd aan vervoer waardoor zij buiten de definitie van een dienst van de informatiemaatschappij vallen, niet gebruik zouden kunnen maken van de bepalingen van de P2B-Verordening die juist de afhankelijkheid van zakelijke gebruikers in de gehele online platformeconomie wil aanpakken. Het is daarom aan te raden voor lidstaten die de handhaving moeten verzekeren15 het toepassingsgebied zo te interpreteren dat platformwerkers die in een professionele status werken ook profiteren van de opgelegde transparantieverplichtingen. Op deze manier kan de P2B-Verordening extra bescherming bieden naast het mededingingsrecht.