Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/V.5
V.5 Karel V en de indulten
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS385361:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
Dit is de datum van de publieke bekendmaking en van de fulminatieprocedure.
ROPB, II, 6, 263-265: Brussel, 19 augustus 1552: maatregelen genomen om het beheer van de abdij van Postel onder Hendrik Boerten van Orp en de verhouding met de abdij van Floreffe onder Jean Doyen, de eerste abt op basis van het indult van 1515, beter te regelen.
J. Fühner, Die kirchen- und die antireformatorische Religionspolitik Kaiser Karls V. in den Siebzehn Provinzen der Niederlande 1515-1555, Leiden 2004, 76, voetnoot 92.
In dit kader mag herhaald worden dat de executie van de indulten in de Nederlanden nog niet onderzocht is.
Alleen deze opdracht kan leiden tot een nieuw proefschrift. Bij de goede bewaring van de beneficies rijst het heuristisch probleem van de stappen, die leidden tot de verkrijging van de titel.
R. van Caenegem, Introduction aux sources de l’histoire médiévale, Turnhout 1997, 138-139, 264 en 295. In het archief van de Bibliothèque municipale de Besançon bevinden zich verschillende pouillés van het bisdom Besançon. Zie voor een exemplaar met vermelding van de taxatie, die voor elk beneficie aan de aartsbisschop moest betaald worden, 15de eeuw: A. Castan, Catalogue général, I, 870, fol. 1 (recueils Boisot, Cartulaire, tome 1). Zie ook ibidem, II, 1029. Zelfs in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag is een soortgelijk exemplaar: Inventaris van de handschriften van de Koninklijke Bibliotheek, ’s-Gravenhage 1988, I, 64, nr. 70 H 60: Politum praebendarum, dignitatum, personatuum, officiorum et parochialium ecclesiarum metropolitanae ecclesiae et diocesis Bisuntinae. Zie voor het bisdom ’s-Hertogenbosch: Een pouillé met andere aanteekeningen van den sententiarius van Sonnius, Johannes Vogelsanck, in: G. van den Elsen en W. Hoevenaars, Analecta Gijsberti Coeverincx, ’s-Hertogenbosch 1905, I, 160-190.
Voorlopig kan men zich gedeeltelijk behelpen met F. Pinsson, Inventaire des indults, Paris 1688, II, 1170-1215 en 1216-1234. Zie 1216-1234: Bourgondië; 1172-1180: Kamerijk; 1181-1187: Atrecht; 1188-1191: Doornik; 1191-1194: Saint-Omer; 1194-1197: Namen; 1198-1203: Mechelen; 1203-1204: Antwerpen; 1204-1207: Gent; 1207-1209: Brugge; 1210- 1213: Ieper; 1213-1214: ’s-Hertogenbosch; 1215: Roermond.
M. van Durme, Les Archives générales de Simancas et l’histoire de la Belgique (IXe-XIXe siècles), Brussel 1973, IV, 1, 41, lijn 1.
De brand van het hertogelijk paleis te Brussel in 1731 heeft ongetwijfeld voor een deel van dit verlies gezorgd. Wil de vorser dieper doordringen in het ontstaan van de Reformatie, dan is een zo goed mogelijk overzicht van de aanwending en invloed van de indulten een belangrijke stap.
Christinaeus of de drukker vergist zich hier: C.16 q.7 c.12 luidt: Si quis deinceps. In deze canon verwijst hij naar §1. Si quis imperatorum.
G. Mollat, Le roi de France et la collation plénière (pleno iure) des bénéfices ecclésiastiques. Étude suivie d’un appendice sur les formulaires de la chancellerie royale, in: Mémoires présentés par divers savants à l’Académie des Inscriptions et Belles-Lettres, Paris 1951, t. 14: 2, 107-286.
P. Christinaeus, Practicarum quaestionum rerumque in supremis Belgarum curiis actarum et observatarum decisiones, in sex volumina distributae, Antverpiae 1661, 72 (6). Bij de laatste zin met het besluit van Christinaeus horen de verwijzingen naar het Romeinse recht: D.1.3.14 en D.1.3.39.
ARAB AUD 1473/4.
ARAB AUD 1473/4.
ARAB AUD 1473/4.
Steekproeven wezen uit dat gegevens uit kleinere instellingen vóór 1600 moeilijk te vinden zijn, zoals Ameyden al wist.
Sint-Gorik was één van de belangrijkste kerken van Kamerijk. De patroonheilige ervan was een vroegere bisschop van Kamerijk. G. de Smet, Privilegia nominationum Lovaniensium, Gandavi 1665, 104-106.
ARAB AUD 1250, fo 12 ro. Zie nu bijlage X, fo 12 ro.
G. de Smet, Privilegia, 106-108. Zie ook bijlage X, fo 34 ro.
ARAB AUD 1473/4: Brussel, 31 juli 1553, ondertekend door Maria van Hongarije en haar secretaris Rombaut Loets.
Het huidige Nederland kwam er bekaaid af.
Chronologisch zijn de indulten het best te plaatsen na de rechten, die Karel V van zijn rechtsvoorgangers, de heren, graven en hertogen in de Nederlanden als stichters van kerken en abdijen, had verworven. Vanaf de datering van het eerste indult op 5 juli 1515 voor aartshertog Karel van Oostenrijk kwam de toepassing ervan in de Nederlanden op 27 februari 15161 en volgende jaren goed op gang. Met de typologie van de indulten stemde een verschillende aanpak overeen. Aan Maria van Hongarije werd volgende instructie meegegeven: ‘Onze zus moet zich laten inlichten over de waardigheden van abt en van andere functies, waarover de paus ons door zijn indult (Fervor pure devotionis) het nominatierecht gaf. De informatie over goede, geschikte kandidaten, die passen bij die beneficies, de welvaart van ons land en onze dienst, zal ze met haar advies doorsturen. Ze moet ook opletten, ons gezag bewaren, zorgen voor het onderhoud van de goederen van de beneficies ten voordele van die beneficies.2 Kandidaten, die een plaats ambiëren, mogen in geen geval betrokken zijn bij de aanstelling van de adviseurs. Deze laatste zullen discreet zijn en een goed geweten hebben.’3
Over de registratie van alle ‘indultarii’ of van de personen, die konden genieten van een indult, zijn we zeer slecht ingelicht. Wellicht hangt hiermee samen dat in de Nederlanden niet vroeger over indulten is nagedacht. Wanneer in een afzonderlijke instelling (kapittel, abdij of klooster) met één indult moest rekening gehouden worden, bleef dat een detail. Wanneer de centrale instelling niet (meer) over haar registratie beschikte, was de ramp slechts moeizaam te herstellen.
Deze lacune blijft zeer zwaar, maar niet onoverkomelijk. Ze heeft niet alleen betrekking op de personen, die indulten kregen, maar ook op de executeurs4 van indulten en op alle administratieve documenten, die nodig waren om de uitvoering van het indult vlot te laten verlopen. Gelukkig hielden particuliere personen soms goed boekhouding van hun eigen beneficies. Zo kunnen we de lijst van de beneficies en van de indulten, die hij kreeg en waarbij hij als executeur optrad, bij Antoine Perrenot goed volgen. Tussen zijn tijdgenoten bleek hij één van de meest geprivilegieerde personen te zijn in het Vrijgraafschap en in de Nederlanden.5
Wel was het voor de tijdgenoten al duidelijk dat het onderzoek in de archieven problemen opleverde, wanneer Filips II op zoek was naar een origineel of een afschrift van een indult. Soortgelijke problemen stellen we ook vast in de Nederlanden en zelfs in de Spaanse ambassade in Rome. Ook het Vrijgraafschap ging niet voorbij aan de goede optekening van een indult, wanneer een ouder exemplaar niet meer voldeed.
In sommige landen beschikt men over het ‘pouillé’,6 waarin het beneficium is aangegeven met de patroon, met de geestelijke, die de institutie verricht, en met het financiële gewicht van het beneficie. Bij soortgelijke overzichten is het makkelijker om zich een beeld te vormen hoeveel kandidaten op een indult een beroep konden doen en hoe men de beneficies met elkaar kon vergelijken.7
Het gebeurde ook dat er een afzonderlijke registratie werd opgezet om de omvang en de gevolgen van het indult beter te overzien. In de literatuur werd hier de naam ‘economato’ gebruikt. Voor Milaan en wellicht ook voor Spanje8 zijn er aanwijzingen in deze zin. Voor de Nederlanden is een soortgelijke registratie nog niet teruggevonden. Toch moet de lezer zich een beeld kunnen vormen over de personele, financiële en geestelijke gevolgen van de verschillende indulten.9
Tijdgenoten waren voorzichtig in hun oordeel over de rechten van de keizer. Er was een strenge censuur in de boekdrukkunst. Straffen tegen majesteitsschennis groeiden voortdurend en zeker tegen personen, die de rechtgelovigheid in vraag stelden. Onze beste inlichtingen bevinden zich nog in de archieven van de vorstelijke justitieraden en in de geschriften van Johannes Wamesius, Epo Boëthius en Paulus Christinaeus. Deze laatste auteur en de erfgenamen van de eerste wisten zich in de zeventiende eeuw veiliger ná de laatste keizer, die in de Nederlanden had geregeerd.
Christinaeus signaleerde dat lekenpatronen in zijn tijd beneficies met vol recht ‘pleno iure’ vergaven. Indien de keizer de investituur van een kerkelijke waardigheid verleende, ging hij rechtstreeks in tegen de uitdrukkelijke bepaling van het recht, namelijk ‘c. Deinceps, vers. Si quis Imp.’, waarin een dergelijke handelwijze verboden was aan keizers en koningen.10 Indien hier bedoeld werd dat aan de keizer een eed van trouw moest afgelegd worden, dan vinden we dat gebruik ook bij de Franse koning.11 Inderdaad, een leek kon het presentatierecht (ius praesentandi) bezitten en soms kon hij een beneficium verlenen (ius conferendi), maar de institutie moest altijd door een geestelijke verricht worden. Dat was de essentie geweest van de strijd tegen de lekeninvestituur, maar in de praktijk waren deze regels weer losser geworden. Christinaeus voegde daar nog aan toe, dat men niet mocht besluiten dat hetzelfde recht toekwam aan anderen, indien dat recht aan de keizer was toegelaten op basis van een privilege of door gewoonte. Christinaeus besloot dat, wat tegen de redelijkheid was gerecipieerd, geen juridische gevolgen mocht hebben.12
Het feit dat het territorium van de Nederlanden in zijn grootste uitgestrektheid niet tot staatsvorming leidde, bracht mee dat de informatie over de indulten zeer verspreid geraakte en gemakkelijker verloren ging. Het collatierecht van de vorst was bovendien niet absoluut. Hij zorgde ervoor, dat ook zijn zussen zijn collatierecht gedeeltelijk gebruikten, maar majestueus ging hij voorbij aan de regel dat buitenlandse kandidaten geen kans mochten krijgen. Om de praktijk beter te leren kennen beschikken we voorlopig over de goede documentatie van één indult uit de regering van Karel V. De beslissingen over de keizerlijke collatie aangaande het indult van 13 augustus 1552 hadden plaats op 19 en 20 juli 1553 te Brussel. In tegenstelling tot zijn zussen Maria en Eleonora ondertekende Karel V zijn collaties niet. Men had kunnen verwachten dat ook Filips II de kans kreeg om beneficies te verlenen, maar in de bewuste periode waren de voorbereidingen voor zijn huwelijk met Mary Tudor aan de gang.
Van de keizerlijke collaties zijn twee lijsten bewaard. Deze komen niet volledig met elkaar overeen. In de keizerlijke lijsten zijn ook de collaties opgenomen, die later aan zijn zussen, Eleonora en Maria, zouden toegekend worden. De registratie van de keizerlijke collaties geeft de indruk een voorbereiding te vormen voor een netversie, die nog niet is opgedoken. Met deze vijf lijsten weten we wie door de bevoegde instanties, die onbekend blijven, zijn genoemd voor de erbij vermelde instellingen. Hier wordt collatie gebruikt in de zin van een vorstelijk voorstellingsrecht. Van de institutie is er geen sprake. Ook over de waarde van het desbetreffende beneficie is er geen enkele aanwijzing. Naast de twee lijsten van Karel V beschikken we over twee lijsten van Maria van Hongarije, de zus van Karel V. Opmerkingen en aantekeningen in de kantlijn van Viglius van Aytta leren ons dat het in de eerste lijst om vijfendertig collaties gaat: ‘Collationes Reginae in novissimo Indulto’: ‘bij het allerlaatste indult’.13 Dankzij het overzicht van de indulten weten we nu, dat het om het indult van Julius III gaat (Digna consideratione fidelitatis, 13 augustus 1552).
In de tweede lijst, die op 31 juli 1553 werd ondertekend door Maria en door haar secretaris Rombaut Loets, staat bovenaan ‘Pro Regina Hungariae’. In de kantlijn staan de namen van de ‘indultarii’ ingevuld, voor zover Maria de toewijzing ervan niet voor zichzelf reserveerde bij een andere gelegenheid.14 Verder beschikken we over de lijst met de collaties, die ter beschikking stonden van Eleonora van Oostenrijk (Pro Regina Francie).15 Deze zus van Karel V was na het verdrag van Kamerijk de echtgenote van Frans I geworden. In haar lijst stonden tien collaties vermeld. Samen met haar secretaris ondertekende ze te Brussel haar lijst op 14 augustus 1553. Feit is dat Karel V dirigeerde hoe het indult kon verdeeld worden en wat er verdeeld werd. Op dit ogenblik kan dit onderzoek naar de begunstigden van het indult slechts uitgevoerd worden vanuit de betrokken instellingen, voor zover die gegevens nog beschikbaar zijn.16 Toch is er nog een geografische invalshoek, die nader licht werpt op deze vorstelijke collaties.
In genoemd indult gaf Julius III aan Karel V het recht om ‘benoemingen’ te doen in vrijgekomen kerkelijke waardigheden en beneficies in de hertogdommen Brabant, Limburg en Luxemburg en in de graafschappen Bourgondië, Vlaanderen, Artesië, Henegouwen, Holland, Zeeland en Namen. In de lijst van de te verlenen collaties staan nu eens de bisdommen vermeld, dan weer de landsheerlijkheden. Opnieuw kan het verschil in de aantekening van het wereldlijke en het spirituele ressort als een bewijs gelden voor de noodzaak van nieuwe bisdommen in het staatsvormingsproces. Bovendien laat het overzicht van ruim zeshonderd beneficies de kans vrij om statistisch te zoeken naar de manier, waarop de verdeling gebeurde. Welke groepen uit de maatschappij kregen kansen? Welke regio’s waren onderbedeeld? Waarom waren in dit overzicht verschillende plaatsen buiten de Nederlanden opgenomen? Voorlopig zijn er meer vragen dan antwoorden.
De werkwijze voor de toekenning van dit collatierecht vertoonde een gelijkenis met de toekenning van de ‘officies en beneficies’ bij het rolrecht. Wanneer er een paar jaren later meer Spanjaarden in het land waren, was een vergadering over de toekenning van de beneficies van dit indult in de periode van Filips II (1555-1559) ongetwijfeld een ‘consulta’ genoemd. De collaties waren onderverdeeld in de volgende reeksen: prelati, dignitates et praebendae, capitula, abbates, abbatissae, personatus. Een paar voorbeelden biedt beter inzicht.
Met betrekking tot dit indult beschikken we over de grootste registratie van indultarii uit de zestiende eeuw voor de Nederlanden. Onder de gedrukte brieven met benoemingen voor indultarii kunnen we twee voorbeelden aanstippen. Op 19 juli 1553 kreeg Nicolaas de Nova Terra (Nieuwland), die later tot bisschop van Haarlem werd aangesteld, een niet nader bepaald beneficium in het kapittel van Sint-Gorik te Kamerijk.17 De uitvoerders van het indult waren Antoine Perrenot en Odoard de Bersacques. Dit wordt bevestigd in de lijst van 19 juli 1553. Nicolaas was er suffragaan van de bisschop van Utrecht en was ondergebracht bij de afdeling ‘capitula’.18 Het tweede voorbeeld had betrekking op Johannes Provost, die voorzien werd met een beneficie in het Sint-Elizabetziekenhuis in Valenciennes. Deze brief was gedateerd op 20 juli 1553 en deze datum valt samen met één van de twee data van het keizerlijk rapport, waarbij ruim zeshonderd indultarii werden voorzien van hun beneficie. Deze betrekking, die niet belangrijk kan geweest zijn, viel in de keizerlijke lijst onder het hoofdje ‘Personatus’.19
In ditzelfde indult reserveerde Maria van Hongarije de collaties van haar gebieden voor zich: de kapittelkerk van de H. Ursmarus in Binche en de kapittelkerk van Turnhout, beide in het bisdom Kamerijk.20 Ongeveer de helft van de aanvragen om een beneficie of officie had bij Maria van Hongarije betrekking op een aanbeveling van een vader voor zijn zoon. Het aantal personen uit de belangensfeer van de vorst bedroeg meer dan de helft. De zangers dongen met een groep van vijf kandidaten mee voor een beneficie. Uiteraard is deze steekproef te beperkt, maar dit signaal is betekenisvol en beantwoordt in grote lijnen aan de resultaten uit andere Europese gebieden. In dit indult reserveerde de koningin van Frankrijk haar collaties vooral voor buitenlandse gasten, die met een beneficie in de Nederlanden werden beloond. Zij ondertekende eigenhandig volgende tekst: ‘De hierboven genoemde personen zijn diegenen, die de koningin van Frankrijk voor de beneficies wil benoemd zien. In de kantlijn staan de beneficies van iedereen nader verklaard. Later zullen zij ervan voorzien worden op basis van het indult, dat aan de keizer is toegestaan.’ Uit deze nota in de kantlijn volgt dat we van doen hebben met een expectatieve gratie. Tien jaar later werden deze pauselijke toegevingen in de decreten van het Concilie van Trente niet meer geduld. Het is betekenisvol dat na het Concilie van Trente soortgelijke indulten niet meer werden toegestaan aan de koning van Spanje. Op de lijst voor Eleonora kwamen slechts tien kandidaten voor, die elk voor zich een beneficie in de Nederlanden in het vooruitzicht hadden. Zes ‘indultarii’ kwamen uit de Nederlanden (vier uit het bisdom Kamerijk en twee uit het bisdom Atrecht). Vier kandidaten waren uit Spanje afkomstig (twee uit het aartsbisdom Toledo; één uit het bisdom Logroño en één uit het bisdom Huesca).21
Vanuit de gedachte van een mondiale heerser kon er geen probleem zijn om een soortgelijke verdeling toe te passen. Voor de onderdanen uit de Nederlanden, die nog bij de abdicatie van Karel op hun strepen gingen staan en eisten dat ingeborenen in hun provincies geestelijke en politieke posities mochten en moesten bekleden, school een adder onder het gras.
Het tekort aan lijsten voor de verschillende indulten verwijst op termijn naar een systematische exploratie van alle instellingen, die in aanmerking kwamen voor een indult. Voor het ‘benoemingsbeleid’ van de keizer vormen de verslagen van de commissies voor de aanstellingen van abten en proosten en voor de aanstellingen van kanunniken in kapittels betrouwbaar materiaal. Toch blijft het onderscheid in de bewerking van de bronnen in België, Nederland en Frankrijk nu zo ongelijk dat een gezamenlijke conclusie voorbarig blijft.