Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/V.6
V.6 Karel V en het ‘ius Precum Primariarum’
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS382949:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierboven III. 1 en verder: Lo ius Primariarum Precum imperiale: definizione e origine, in: A. Bucci, Droit de joyeux avènement, in: ZSSR, KA 129 (2012) 211-217. Zie ook: Rivista telematica (www.statoechiese.it): maggio 2010, ISSN1971-8543.
Zie ook Jan van Eyck, die op 4 augustus 1579 vanwege dezelfde aartsbisschop de bevestiging krijgt dat hij de ‘preces imperiales’ van Rudolf II zal handhaven: J. Habets en A. Flament, De archieven van het kapittel der vorstelijke Rijksabdij Thorn, ’s-Gravenhage 1899, II, 24, nr. 42.
Stadsarchief Deventer, Kapittel van St. Lebuïnus (ID 1053), nr. 121, fo 14 vo: Pro domino Ottone de Treslong, nominato per Caesaream Maiestatem in vim certi indulti apostolici ad canonicatum vel prebendam etc. ecclesiae Sancti Lebuini Daventriensis. Gecollationeerd afschrift door Albertus Schoenhovianus, notaris.
J. Kok, Vaderlandsch woordenboek, Amsterdam 17862, V, 600. Zie ook: Archief Utrecht, Domkapittel te Utrecht (inventarisnr. 216), nr. 363.
G. de Caro, Carraciolo, Marino Ascanio, in: DBI 19 (1976) 414-425, vooral 417.
De bul (Cum post felicissimam, 22 april 1520: decimo Kalendas Maji) dateerde uit het achtste jaar van het pontificaat van Leo X, terwijl de erop volgende breve (Superioribus annis,.12 april 1521) in het negende jaar is gegeven. Zie H. E. Feine, Papst, Erste Bitten und Regierungsantritt des Kaisers seit dem Ausgang des Mittelalters, in ZSSR, KA.XX (1931) 27.
D. Werkmüller, Erste Bitten, in: HRG 20042, I, 1416-1417. Zie ook D. Binder, Bitten, Recht der ersten B., in: LThK, Freiburg 1994, II, 509.
Guillaume Durand, Speculum iudiciale, Aalen 19752, 209: De praebendis & dignitatibus § 2, 7 en ook bij VI.3.4.19: imperatori non dat collationem, sed potestatem faciendi recipi, unde solent dici tales recepti ad Primarias Preces Imperatoris. Zie ook: Rotae auditorum decisiones novae, antiquae et antiquiores, Venetiis 1570, 493, decisio XV.
R. Reinhardt, Der Kampf der römischen Kurie gegen die nicht-königlichen Ersten Bitten in der deutschen Reichskirche (1. Hälfte des 18. Jahrhunderts), in: ZSSR, KA 55 (1969) 282-321.
St. Würdtwein, Subsidia diplomatica ad selecta juris ecclesiastici Germaniae et historiarum capita elucidanda, Heidelbergae 1772-1780 (Frankfurt 19692), 13 dln en Nova subsidia diplomatica ad selecta juris ecclesiastici Germaniae et historiarum capita elucidanda, Heidelbergae 1781-1792 (Frankfurt 19692), 14 dln.
In de bijlage X vindt men op basis van het indult 13-8-1552 de lijsten van 1553, waarin een soortgelijke volgorde gehanteerd wordt.
A. Walther, Kanzleiordnungen Maximilians I., Karls V. und Ferdinands I., in: Archiv für Urkundenforschung 2 (1909) 390-391.
J. de Chokier de Surlet, Scholia in Primarias Preces imperatoris ad invictissimum augustissimumque Romanorum imperatorem Ferdinandum II, Keulen 1621, 1: In indultum Primariarum Precum scholia proëmium.
CT, XII, 1, 3, l. 6-7, nrs. 1, 2 en [3].
P. Offergeld, Erste Bitten (Preces Primariae) deutscher Kaiser und Könige um Benefizien des Aachener Marienstifts, in: Zeitschrift des Aachener Geschichtsvereins 93 (1986) 51: vigore Precum Regalium domini Caroli quinti et processuum desuper fulminatorum. Onder Karel V waren er vier kandidaten uit de Nederlanden, nrs. 11-14.
P. Nève, Het Rijkskamergerecht in de Nederlanden. Competentie-territoir-archieven, Assen 1972, 407.
P. Nève, ibidem, 484.
J. Hoebanx, Abbaye de Nivelles, in: Monasticon belge IV, 1 (1964) 286-287 en 296-297.
Zie voor Echternach: P. Nève, ibidem, 193, waar de aartsbisschop van Trier als keizerlijk commissaris de regalia verleende, en 197.
H. Deceulaer, Inventaris van het kernarchief van de Audiëntie, 1344-1744 (vnl. 1515-1744), Brussel 2008, 135: 1454/9 (3). Zie ook de verwondering van de bisschop van Kamerijk in 1481. Hij wilde Frederik III graag ter wille zijn, maar kon zijn collegae niet overtuigen, omdat ze deze gratie niet kenden (‘incognitum ac inauditum’): J.B. Goetstouwers, Les Primariae Preces, in: HKCG 88 (1924) 15-16, voetnoot 1.
RA Gent, RV 7610, fo 55 ro: NOTA Quod hic reiciuntur Primarie Preces imperatoris et deliberatum eas in Flandria non admittendas, etiam in partibus quas dicunt ‘vanden keiserycke’.
M. Cavina, Imperator Romanorum triplici corona coronatur. Studi sull’incoronazione imperiali nella scienza giuridica fra Tre e Cinquecento, Milano 1991.
P. van Peteghem, De Kapittels van Sint-Servaas en Onze-Lieve-Vrouw te Maastricht onder Karel V. Patronaatsrecht in theorie en praktijk: enkele steekproeven, in: A. Berkvens en Th. van Rensch, In hoede van rechte gekeerd. Opstellen ter gelegenheid van dertig jaar Werkgroep Limburgse Rechtsgeschiedenis, Maastricht 2010, 77-110; vooral 102-106.
M. Baelde, De Collaterale Raden onder Karel V en Filips II (1531-1578), Brussel 1965, 237.
St. Würdtwein, Subsidia diplomatica ad selecta juris ecclesiastici Germaniae et historiarum capita elucidanda, Heidelbergae 1773, II, 123-133.
Gross 3249.
Het vermoeden is groot dat het om Alexander Schweiz gaat: A. Henne, Histoire du règne de Charles Quint en Belgique, Brussel 1858, III, 245. Zie ook: A. Walther, Kanzleiordnungen, 389 en A. Hasenclever, Eine Kanzleiordnung, 49.
B-5070: Le chapitre de St. Feuillen de Fosses-la-Ville (province de Namur).
J. Habets, De archieven van het Kapittel der hoogadellijke Rijksabdij Thorn, ’s-Gravenhage 1889, I, 515-516, nr. 572.
ROPB, II, 3, 303-305, Bruxelles, 18 novembre 1531.
Lothar Gross, 81.
Zie Ep. 2318, in: P.S. Allen, Opus epistolarum, VIII, 438-439. Voor de brief van Erasmus aan Schweiz: Ep. 1192, in: P.S. Allen, Opus, IV, 452-457: Leuven, 13 maart 1521. Zie ook: A. Luttenberger, Alexander Schweiz, in: CE, III, 235-236 en A. Walther, Kanzleiordnungen, 389 en A. Hasenclever, Eine Kanzleiordnung, 49.
Er is verder de notitie: ‘Facultas testandi pro Erasmo Roterodamo’. De zegeling gebeurde door ‘Obernburger’, wat kan slaan op ‘Peter’ en op ‘Johannes’, die beiden in het register bedacht zijn met ‘Preces Primariae’.
G. Tournoy-Thoen, Conradus Goclenius, in: CE, II, 109-111. Zie nu: http://www.unesco. org/.../belgium_archives_university_of_leuven.pdf.
Gross 6589 komt voor in de Band 37 van de Reichsregisterbücher. Dit betekent dat het hier niet gaat om ‘Preces Primariae’, maar om een ‘nominatio’. Zie ook: P. van Peteghem, ‘Mihi nunquam arrisit Antverpiensis praebendae negotium’. Erasmus (†1536) en Conradus Goclenius (†1539): vrienden door dik en dun, in: E. Broers en R. Kubben, red., Ad Fontes. Liber Amicorum prof. Beatrix van Erp-Jacobs, Oisterwijk 2014, 243-261.
Gross 6804 komt eveneens voor in Band 37.
Als minorennis van elf jaar liet hij zich op 31 augustus 1528 inschrijven aan de universiteit van Leuven. Mgr Joannes Ploemer de Buscoducis legde even later voor hem en nog vier minderjarigen de eed af.
Gross 5777. Het grote verschil met de andere begunstigden bestond hierin dat Perrenot als veertienjarige meteen zijn benoeming kon verzilveren, terwijl de anderen soms jaren tussen hoop en vrees bleven. Zie ook M. van Durme, El Cardenal Granvela, 34 en 391.
Gross 5750: als ‘curatus’ in de kerk van Sint-Pieter in Mol. In die zin was hij een ‘desservitor’ van een hogere orde en hij zou uiteindelijk nog bisschop van Doornik worden.
Gross 5620: Pascasius Pastoris en Gross 6641: Petrus Steyners, maar bij De Smet: Petrus Steuvers, wat waarschijnlijker is. Noteer verder dat O. Wessely, Hofkapellmitglieder, 12, nr. 363 ‘Pascasius cantor’ niet kan identificeren en dat hij de volgorde van prebende en beneficiarius door elkaar haalt.
L. Gachard, uitg., Itinéraire de Charles-Quint de 1506 à 1531, en J. de Vandenesse, Itinéraire de Charles-Quint, de 1514 à 1551, Brussel 1874, 502 (1517) en 511 (1521), waar hij respectievelijk te Valladolid en Mainz was.
Gross 1818.
R. Vanheusden, Abbaye de Munsterbilzen, in: MB, VI, 103-129, vooral 118.
Gross 2642. Zie ook: S. Bormans, Les fiefs du comté de Namur, Namur 1877, IIIe livraison (XVIe siècle), 441-442 en 503.
Gross 5780: Doornik, 6 december 1531, dezelfde dag, waarop Antoine Perrenot zijn benoeming kreeg voor Sint-Marie, Utrecht. Antoine Perrenin werd een jaar later door de Grote Raad van Mechelen in het bezit gehandhaafd van kanonikaat en prebende van Lillers: J. de Smidt e. a., Chronologische Lijsten, III, 89, 27 september 1533.
Gross 3119 en 3120: Valladolid, 4 januari 1523. Zie ook: R. Almagià, in: Pietro Martire d’Anghiera, in: DBI 3 (1961) 257-260.
Gross 1835: Gent, 4 januari 1522. Zie ook: J. Farge, Luis Nuñez Coronel of Segovia, in: CE, I, 342-343.
Gross 2423.
Gross 4318. Zie ook: M. Bourguignon, Le président Jean Keck (c. 1504-1569), in: Biographie nationale du pays de Luxembourg depuis ses origines jusqu’à nos jours, Luxembourg 1971, dl. 19, 7-15. M. Baelde, De domeingoederen o.c., 381 en 406.
Gross 4731, 4869, 4788, 5545, 5612, 5637, 6620, 6628, 6807, 6808, 6901, 6940, 6968.
Gross 5623 en 6269.
Gross 1910, 2057, 2473, 2861, 2897, 3215.
Gross 4684, 5008, 5330, 5567, 5641, 6599, 6726, 6812, 6943, 6972, 7018.
Gross 5558, 6205, 6454, 6666, 6705, 6742, 6760, 6774, 6814.
K. Wriedt, Hoetfilter, Jodocus (1500-1551) in: E. Gatz, Die Bischöfe des Heiligen Römischen Reiches 1448 bis 1648. Ein biographisches Lexikon, Berlin 1996, 299-300.
Gross 2597. Zie ook: Gross 2617.
Gross 4270, 4271, 5337, 6553, 6670, 6692, 7016. Zie ook: Corpus of Ioannes Dantiscus’Texts & Correspondence, IDL 4546: http://dantiscus.ibi.uw.edu.pl
Gross 2839. Van hem is bekend ‘Hodie salvator’, maar hij zowel als Isaac staan in de schaduw bij de naam- en streekgenoot Jean Lhéritier.
Gross 6938.
J. de Smidt e.a., uitg., Chronologische lijsten van de Geëxtendeerde Sententiën berustende in het archief van de Grote Raad van Mechelen, Brussel 1979, III, 125. Noteer dat in 1885 dit vonnis van de Grote Raad van Mechelen uit het originele register nr. 351, fo 145 volledig is afgedrukt in E. vander Straeten, La musique aux Pays-Bas avant le XIXe siècle, Brussel 1885, VII, 338-340.
St. Würdtwein, Subsidia diplomatica ad selecta juris ecclesiastici Germaniae et historiarum capita elucidanda, Heidelbergae 1773, II, 199-210: indult van 40 Idus Jul. 1564.
P. Fagnani, Commentaria, III, 1, 230. Noteer dat de auteur geen rekening hield met de chronologie, noch met het vervolg van deze zaak.
P. Nuten, Monte, Filip, in: NBW 2 (1966) 582-611, vooral 586. Noteer dat de auteur niet aangaf op basis waarvan De Monte werd aangesteld.
Gross 4349.
Tot dusver bleef het problematisch of de ‘Preces Primariae’ in de Nederlanden wel enige invloed hadden.1 Toch kwam het ‘ius Primariarum Precum’ of het recht van de Eerste Beden onder Karel V in de Nederlanden driemaal aan bod. Hij verkreeg dit recht van Leo X bij zijn kroning te Aken als Rooms- Koning. Toen hij te Bologna keizer werd gekroond, verkreeg hij dit recht voor de tweede keer, nu van Clemens VII. Op dat ogenblik werd zijn broer Ferdinand Rooms-Koning te Aken en kreeg ook hij van Clemens VII ditzelfde recht, dat ook in de Nederlanden is toegepast.
In tegenstelling met wat men nu denkt, hield het recht van de ‘Primariae Preces’ in de Nederlanden niet op met het overlijden van keizer Karel V. Otto Blois van Treslong werd kanunnik op basis van de Preces Primariae van Pius IV (Rome, 12 juli 1564) en van deze van Maximiliaan II (Spiers, 1 juli 1570), die de aartsbisschop van Mainz, Daniel Brendel von Homburg, als uitvoerder aanstelde van deze ‘Preces Primariae’.2 Deze op zijn beurt drong in zijn fulminatieproces aan op de aanstelling van Otto in het kapittel van St. Lebuïnus te Deventer (Spiers, 22 juli 1570).3 Otto Blois van Treslong zou als kanunnik van de Dom te Utrecht overlijden in 1600.4
Toen Karel te Frankfurt-am-Main op 28 juni tot Rooms-Koning was verkozen, kreeg hij al op 16 augustus 1519 van Leo X felicitaties. Op 23 oktober van het jaar 1520 werd Karel tot Rooms-Koning gekroond in Aken in aanwezigheid van de pauselijke gezant Marino Ascanio Carraciolo.5 Met het oog op de kroning was Karel V een tweede maal overzee gevaren. De jonge vorst had de paus gevraagd om hem het ‘ius Primariarum Precum’ te geven. Naar de inhoud kwam de tekst van de paus overeen met die van zijn voorganger voor de laatste in Rome gekroonde keizer, Frederik III. Het indult van Karel V werd hem gegeven te Rome op 22 april 1520, dus vóór de kroning tot Rooms-Koning.6
De paus was daartoe niet verplicht, maar dit gebruik ging deels terug tot de twaalfde eeuw en was een terugkerend privilege geworden, in feite een gewoonte of een hernieuwbaar indult tot het einde van het Heilige Roomse Rijk.7 Zo was dit gebruik later bekend aan de canonist Guillelmus Durantis.8 Nog later is het door de paus bevestigd en werd het uitgebreid tot koningen en lagere vorsten en voortgezet tot in de achttiende eeuw.9 Langzaam heeft men dit speciale recht van de Rooms-Koning en van de keizer ook beschouwd als een hernieuwbaar indult. In de werken van de baanbrekende canonist kanunnik Stephan Würdtwein (1719-1796) is dit indult op basis van de door hem uitgegeven documenten uit de kanselarij van het Heilige Roomse Rijk te volgen tot de publicatie van zijn werken.10
Vooraleer de kanselarij deze ‘preces regales’ en ‘preces imperiales’ registreerde, bestond er een procedure, opgesteld voor de goede gang van zaken. De eerste koninklijke beden waren al verstuurd, wanneer de statuten en richtlijnen voor de keizerlijke kanselarij te Gent op 1 januari 1522 werden gewijzigd onder de supervisie van kanselier Mercurino di Gattinara. Deze regelgeving gold voor het Heilige Roomse Rijk en voor de ‘provinciae Austriae’ of de Habsburgse erflanden. Van het woord ‘Nederlanden’ was in die tekst geen sprake. In het kader van deze studie past hierover een woord uitleg.
In artikel 9 beval de keizer dat alle koninklijke beden zouden verstuurd worden. Buiten de kanselarij konden of mochten volstrekt geen brieven van ‘Preces Primariae’ geschreven worden. Ook al waren partijen bereid om het geschrift en alle andere rechten te betalen aan de kanselarij, toch mocht de verplichte procedure niet verstoord worden. Ten eerste zou de keizerlijke majesteit een aantal rollen ondertekenen, waarin de gunsten van de Eerste Beden waren ingeschreven met de namen van de gegadigden. De kanselier zou het origineel van de rollen in zijn kanselarij bewaren samen met een exemplaar, door de keizer eigenhandig ondertekend. De keizerlijke secretarissen zouden dan eerst voor de keurvorsten, dan volgens de inhoud aan iedere aanvrager hun beden inschrijven, vervolgens registreren, d.w.z. in het register van de beden laten optekenen. Daarin zou voorkomen de naam van de collator of collatoren, aan wie de beden te versturen, en voor wie en op wiens verzoek de beden waren toegestaan. Bovendien kwam daarbij de naam van de uitvoerder, door de keizer aangesteld, met de datum van de brief en een mededeling, zoals het in Spanje gebeurde.11 Vervolgens moest de registrator ondertekenen; dan ging het document naar de kanselier, die het zoals gebruikelijk signeerde. Uiteindelijk moest de secretaris, die het document op basis van de rol had geschreven, in de kantlijn aantekenen dat het stuk was verstuurd. Ten slotte kwamen de beden bij de keizer en werden ze netjes doorgestuurd.12
In welke zin was het ‘ius Primariarum Precum’ een ‘indultum’? Hoewel het voorkwam dat een nieuw gewijde bisschop iemand mocht installeren en dit voorrecht ook als ‘Primariae Preces’ bekend stond, toch is dit recht vooral bekend als een recht van de keizer. Alleen keerde dit recht automatisch terug bij elke wisseling van de Rooms-Koning en keizer, eerst als ‘preces regales’, vervolgens als ‘preces imperiales’, letterlijk een verzoek van de Rooms-Koning of van de keizer aan de paus. Telkens weer zien we dat de paus bevestigend antwoordt. In het geval van keizer Karel gebeurde dit in 1520 met de formule ‘concedimus et indulgemus’. In die zin kunnen we Jean de Chokier13 volledig volgen, wanneer hij over een indult sprak.
In het Heilige Roomse Rijk waren indulten in de vorm van de ‘Preces Primariae’ normaal. In het kader van de klachten (Gravamina) had men protest kunnen verwachten, maar in deze periode kwam dat officieel niet voor. Hooguit vergeleek men de aanwending en manier van uitvoering van ‘Preces Primariae’ tussen verschillende keizers en dan maakte Karel V ruimer gebruik van dit middel dan zijn voorgangers. Toch heeft een anonieme auteur zich in 1521 vanwege de clerus gekeerd tegen de keizerlijke benoemingen. Volgens het geschrift ‘Defectus aliqui cleri Nationis Germanicae’ waren inbreuken en schendingen van het Concordaat van Wenen legio. De paus deed het met zijn Kanselarijregels; de keizer met zijn benoemingen; kardinalen, vorsten en private personen met graties.14
Rest nog de vraag in welke zin Karel V zijn indult ook mocht van toepassing achten in de Nederlanden. In principe was Karel V hier enkel meervoudig landsheer. Er waren enkele speciale gevallen, waar de keizer van oudsher het recht had om de voorrechten, die zijn rechtsvoorgangers als keizers in de Nederlanden hadden uitgeoefend, te bevestigen. Hoe was het met de toepassing van het ‘indultum Primariarum Precum’ gesteld? Hiervoor zagen we al dat Maximiliaan I dat recht liet gelden in de Nederlanden.
Als een bijzonder geval kan hier het voorbeeld van Egidius Hasenbart (Gross 2819: vicarius caesareus) gelden. Hij was afkomstig uit het bisdom Terwaan, maar kandideerde bij het Marienstift te Aken. Aken maakte toen deel uit van het bisdom Luik, waartoe grote delen van de Nederlanden hoorden op kerkelijk vlak. Op basis van de kroning van Karel tot Rooms-Koning had Egidius het vooruitzicht op een beneficium gekregen, werd het ‘processus fulminatus’ afgerond en werd hij er ook kanunnik.15
Wanneer de keizer de Brabantse hertog beleende met de abdij Nijvel, betekende dat dan ook dat de keizer het recht had om daar een ‘precista’ voor te stellen?16 Kon de keizer in de rijksabdij Thorn een ‘precista’ aanstellen?17 De keizer had in de abdij van Nijvel wel een speciale zitplaats18 en in rijksabdijen, zoals in Echternach, kon hij de regalia verlenen en na een lange strijd zijn indult van 1515 laten invoeren binnen de Bourgondische Kreits.19 Volgens Lodewijk van Schore had dit recht van ‘Primariae Preces’ nooit bestaan in Brabant. Toch was niet iedereen het daarmee eens.20
In Rijks-Vlaanderen had men dit recht kunnen verwachten. Toch beslisten de raadsheren van de Raad van Vlaanderen Jacob de Blasere, Antoon Colve, Lieven van Pottelsberghe, Klaas Claissone, Jacob Taccoen, Jan Everaert, Jacob Hueribloc, Frans de Brune, Pieter de Vos en Gillis van Halsberg op maandag 23 juni 1528 dat zij de ‘Primariae Preces’ van de keizer niet zouden toelaten, ook niet in de delen van het graafschap Vlaanderen, die men noemt ‘vanden keiserycke’.21
Na de kroning van Karel V in Aken volgden normaal de kroningen in Monza en Rome. Voor Karel V gingen beide laatste plechtigheden in Bologna door.22 Later werd ook zijn broer Ferdinand in Aken gekroond tot Rooms- Koning. Het is onmiskenbaar dat toen in het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Maastricht iemand is aangesteld op basis van het ‘ius Primariarum Precum’ van Ferdinand I. Clemens VII heeft aan Ferdinand I dit recht verleend. Ferdinand op zijn beurt maakte gebruik van dat recht in Maastricht, dat een condominium vormde en deels Brabants, deels Luiks was.23 Het staat ook buiten kijf dat de keizers abdijen en andere geestelijke instellingen in de Nederlanden met voorrechten hadden begunstigd.
Vergelijken we de tekst van Karel V uit 1520 met die van Ferdinand uit 1531. Op het vlak van het territoir stellen we vast dat de landsheerlijkheden van 1531 overeenkomen met de tekst van het indult van 20 februari 1530 (Nuper Majestati tuae). In elk geval blijkt uit de studie van dit bijzondere recht, dat de keizer zijn invloed in de Nederlanden wou uitbreiden. Hoe groter het territorium, des te meer beneficies waren er te verlenen.
Na de verlening van het indult door de paus was het nodig dat de bul ten uitvoer werd gelegd. Daarvoor moesten uitvoerders en rechters worden aangesteld. Deze moesten op basis van de benoemingbrieven de kandidaten voor de beneficies controleren en bevestigen. De aartsbisschop van Keulen, Hermann von Wied, is samen met Philibertus Naturelli, proost en aartsdiaken van Utrecht, en Claude de Boisset, deken van Poligny,24 aangesteld om Peter Schweiz, een clericus uit het bisdom Trier, een beneficie te bezorgen in de kerk van Sint-Jan binnen de muren van Mainz. In werkelijkheid heeft de aartsbisschop van Keulen zich gekweten van deze taak. Notaris Johannes Hupertus von Ramerstorf heeft het document opgesteld en gepubliceerd.25 Hieruit zou men kunnen veronderstellen dat elke uitvoerder zijn rechtsgebied toebedeeld kreeg. Hier rest nog veel onderzoek, omdat in de huidige stand het voorbeeld van Peter Schweiz overgenomen is uit de archieven van het Heilige Roomse Rijk. Het hiervoor vermelde ius Primariarum Precum was door Karel V te Sevilla gegeven op 19 april 1526. Te Spiers was op 15 augustus 1526 het uitvoeringsbesluit genoteerd. Op 24 augustus 1523 was Peter te Valladolid al een kans geboden bij de bisschop van Osnabrück, wellicht zonder resultaat.26 Bij Alexandre Henne vinden we onder het personeel van de centrale regering uit dezelfde periode een secretaris van de Geheime Raad, Alexandre Schubeys.27
Ook het gebied van het bisdom Luik moet tot het buitenland gerekend worden. Zo schreef Mattheus Haex uit Luik op 29 december 1543 aan zijn neef Hendrik Noitstock te Maastricht dat hij zijn zoon zou laten bedanken voor een kanonikaat te Fosses, dat niet veel opbracht. De cantor van de kerk van het Heilig Kruis te Luik solliciteerde er wel naar, omdat er waardigheden verbonden waren aan het kapittel.28 Hij hoopte een waardigheid te verkrijgen, omdat hij bij het keizerlijk Hof ‘preces imperiales’ had verworven.29
Enkele gebieden in de Nederlanden beschouwden de ‘Preces Primariae’ ronduit als een aantasting van hun vroegere rechten. Wanneer Karel de Croy als bisschop van Doornik en Joris van Egmond als commandatair abt van Saint-Amand-les-Eaux zich erover beklaagden dat zij vóór de aanhechting bij de Nederlanden geen ‘Preces Primariae’ gekend hadden, werden zij niet verplicht om de nieuwe gebruiken over te nemen. Karel V was ook zeer voorkomend tegenover de gebieden, die eeuwenlang onder Frans bestuur hadden gestaan. Zoals Karel van Oostenrijk in het indult ‘Fervor pure devotionis’ van de paus in 1515 de toestemming had gekregen om voor Vlaanderen en Artesië een uitzondering te maken, zo werd hier bepaald dat ‘la provision en forme de mandat, selon la forme du chapitre “mandatum cum duobus sequentibus decretis de rescriptis”’ toegelaten was. Dat wil zeggen dat deze provisie in een derde gebied werd toegestaan.30
Voor Doornik en het Doornikse, voor Mortagne, Saint-Amand en afhankelijkheden betekende deze wetgeving dat expectatieve graties, reservaties van de apostolische maanden en andere voor hen ongebruikelijke provisies van welke aard ook in hun gebieden niet van toepassing zouden zijn. Voor de bisschop van Doornik was de bevestiging van zijn privileges al vroeger gebeurd, zodat hij op 17 augustus 1531 al een hernieuwing van zijn bevestiging van 1527 kreeg. Kennelijk was de keizerlijke administratie toen onoplettend geweest. In 1531 moest één onderdeel uit de vorige brief geschrapt worden: ‘mais y estoit seullement admise et observé la pragmatique sanction’. De Pragmatieke Sanctie van Bourges (1438) was inderdaad nooit in de Nederlanden aanvaard.
Richten we duidelijker de blik op de ‘Preces Primariae’ in de Nederlanden, dan wijst het buitenland ons de weg. Wij gaan te rade bij Hans Erich Feine, die ons beloofde: ‘Ich möchte mir vorbehalten, auf die Pfründenpolitik der deutschen Kaiser des 15./16. Jahrhunderts im Reich in nächster Zeit noch einmal zurückzukommen.’ Maar deze hoogleraar, die toen in de universiteit van Rostock doceerde, kreeg een aanstelling in de universiteit van Tübingen en heeft zijn belofte niet meer waargemaakt. Lothar Gross zelf verwees in zijn inleiding naar de registratie van de ‘Preces Primariae’ uit het grote werk over kerkrecht van Hinschius met daarin ‘Die Ausübung des Rechtes der ersten Bitte’. Ter aanvulling volgde ook de verwijzing naar ‘Nominations-, Praesentations- und Vorschlagsrechte dritter Personen’. De Nederlanden waren daar de ‘portio congrua’.
In het Weense archief bevindt zich onder de ‘Reichsregisterbücher’ Band 36 met volgende titel: ‘Preces Primariae expedite sub Carolo V. imperatore iuxta ordinem alphabeti singularium diocesium’. Onder het nummer ‘Gross 4615’ komt daar op 20 mei 1530 de bevestiging van het testament van Erasmus voor. De keizerlijke brief is er gegeven te Innsbruck en Erasmus wordt er aangeduid als ‘onze raadsheer’.31 In dit document erkennen we niet een voorbeeld van ‘Preces Primariae’, maar het origineel van deze bevestiging is bewaard. Op deze wijze toont dit document twee interessante gegevens. Het origineel, dat nog in Bazel ligt, is ondertekend door Alexander von Schweiz. Deze schrijver uit de keizerlijke Kanselarij was dankzij Hendrik III van Nassau, heer van Breda, opgenomen in keizerlijke dienst en Erasmus richtte aan hem één van zijn brieven.32 Menzia de Mendoza, de echtgenote van Hendrik III van Nassau, bewonderde Erasmus zeer en zo had Erasmus binnen het keizerlijk apparaat sterke steunpilaren. Het origineel bevat ook een randschrift, dat ons onderzoek op een nieuw spoor zet: ‘Taxa nihil, quia pro magno Erasmo’.33 Erasmus moest geen leges betalen, omdat de ontvanger in de keizerlijke registratie hem ontsloeg van de belasting, die op deze brieven drukte. Zowel voor de ambtenaren als voor de keizer leverde de registratie van de ‘Preces Primariae’ geld op. Of de keizerlijke brief ooit in een verbetering van de rechtspositie van de aanvrager zou resulteren, was steeds een zeer grote vraag.
Dankzij Erasmus krijgen we ook inlichtingen over de aanvragers van ‘Preces Primariae’. Ongetwijfeld behoort Conradus Goclenius tot de belangrijkste vrienden, die hij graag vooruit zag komen in het leven. Na Adriaan Cornelii Barlandus was Goclenius in 1519 de hoogleraar Latijn geworden aan het beroemde ‘Collegium Trilingue’ van de Leuvense Universiteit.34 Op 1 maart 1522 kreeg Goclenius te Brussel een brief naar aanleiding van de kroning van Karel tot Rooms-Koning. Hij stond bekend als clericus uit het bisdom Paderborn en wilde graag een prebende in het convent van Weissenburg (destijds bisdom Straatsburg, nu Wissembourg in de Elzas). Als hoogleraar aan de Leuvense universiteit, zo is algemeen bekend, behoorde Goclenius tot de besten, maar zijn loon was voor verbetering vatbaar. Toen hij op basis van het Leuvense nominatierecht verwikkeld raakte in een onmogelijk proces voor de Raad van Brabant en nog verder, behoorde hij ondertussen ruim tien jaar tot het bisdom Luik en zag hij een uitkomst voor de nagestreefde plaats als kanunnik in het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Antwerpen niet meer zitten. Karel V was ondertussen tot keizer gekroond in Bologna en had van Clemens VII toestemming gekregen voor de ‘preces imperiales’. De scholasticus van de metropolitane kerk van Keulen was ook proost van het kapittel in Hoegaarden. Toen Karel V op 31 juli 1532 in Regensburg was, stuurde hij Goclenius zijn brief, waarmee een plaats in het kapittel van Hoegaarden in het zicht kwam. De Poolse vriend van Erasmus, Johannes Dantiscus, had in deze zaak bemiddeld. Goclenius bedankte Dantiscus uitbundig, maar of hij zijn loon van hoogleraar heeft aangevuld met deze benoeming, blijft een vraag.35 Op 10 februari 1533 was de keizer in Bologna en stuurde hij voor Goclenius, nog steeds clericus in het bisdom Luik, een brief met een aanbeveling voor een ‘nominatio’ in de benedictijnenabdij van Saint-Nicaise te Reims. Ondertussen begon zijn proces voor een plaats van kanunnik in het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Antwerpen naar een climax te evolueren. Goclenius trachtte zijn karig loon van hoogleraar aan te vullen, maar of hij Erasmus van alle stappen uit de ‘Reichsregisterbücher’ op de hoogte heeft gesteld, is op basis van de verloren brieven niet meer na te gaan. Feit is dat twee pogingen van Goclenius om bij de keizer aan te kloppen voor de verbetering van zijn loon nog niet zijn bestudeerd.36
Wie waren de begunstigden van het systeem? Was een brief van het type ‘Preces Primariae’ beter dan een brief van het type ‘nominatio’? Zijn er in de Nederlanden gebieden, die meer dan andere voorkomen in de registers van Karel V en hebben ze er werkelijk ook geestelijk voordeel uit gehaald? Indien er slechts één begunstigde was geweest van het regeringsbeleid van Karel V, dan was dat zonder tegenspraak Antoine Perrenot, de enige in de Nederlanden, die van kindsbeen af (in 1529 op twaalf jaar)37 kamerheer en apostolisch protonotaris van de kategorie ‘de numero participantium’ werd aangesteld, want zijn vader was toen één van de toponderhandelaars van Karel V met Clemens VII, toen voor het verdrag van Barcelona. Antonius Perrenot, clericus van het bisdom Besançon, kreeg op 6 december 1531 vanuit Doornik zijn benoemingbrief voor een plaats in de collegiale kerk van Sint-Marie te Utrecht.38 In de latere jaren zou hij deze functie laten waarnemen door Maximiliaan Morillon, die zelf ook in 1531 een benoeming kreeg, maar van een lager allooi en al of niet in vaste dienst.39
Met het oog op het verschil tussen ‘Preces Primariae’ en ‘nominationes’ geven de teksten van de bullen en van de breven van zowel Leo X als van Clemens VII een belangrijke tip: ‘ofwel zouden soortgelijke personen (die een beneficium wilden aanvragen) ontvangen en toegelaten worden om ‘Preces’ aan te bieden ofwel zou het voorkomen dat er voor dezelfde personen eerste benoemingen tot soortgelijke beneficies plaats vonden’. In de praktijk ging de voorkeur van de administratie steeds meer naar de benoeming, omdat daar minder restricties en formaliteiten golden. Bovendien stond in diezelfde pauselijke bullen en breven een verwijzing naar het Heilige Roomse Rijk, maar de keizer had in de twee bewaarde uitgegeven benoemingbrieven voor de Nederlanden een gans andere formule: ‘per universum Romanum imperium’. Eens te meer paste de keizer de tekst en de rechten aan.
Georges De Smet gaf in de zeventiende eeuw deze twee benoemingbrieven van Pascasius Pastoris en Petrus Steuvers in extenso uit, zodat hij ons hielp om dichter bij de waarheid te komen. In beide gevallen gaf hij zijn documenten de volgende titel mee: ‘Copia nominationis Precum Imperialium cum deputatione executorum’. Zoeken we in de ‘Reichsregisterbücher’, dan gaat het bij deze tweemaal om een benoeming en niet om ‘preces imperiales’.40
De eerste brief van Pascasius Pastoris betreft een priester uit het bisdom Amiens, die zong in de keizerlijke kapel.41 Zijn brief was door Karel V ondertekend te Brussel op 8 oktober 1531 en was gericht aan deken en kapittel van de kapittelkerk van Onze-Lieve-Vrouw te Dendermonde. Als uitvoerders van deze brief werden aangesteld: Albrecht von Brandenburg, aartsbisschop van Mainz; Stephanus Gabriel Merinus, patriarch van de Indiën en bisschop van Jaën en Claude de Boisset, deken van Poligny en lid van de op 1 oktober 1531 ingestelde Geheime Raad.
Destijds waarschuwde Hans Erich Feine de lezer al om voorzichtig te zijn met het raadplegen van de ‘Reichsregisterbücher’. Niet overal is het bisdom of de naam (‘pro N.’) ingevuld of staat er aangegeven op welke datum de registratie plaats vond (s.d.). Op 2 januari 1522 kreeg Pascasius Pistoris als kapelaan en zanger van de keizer een brief voor het convent van Hancourt in het bisdom Kamerijk.42 Zonder hulp van de lokale vorser uit de Nederlanden was het vanuit Wenen bijna onmogelijk om ‘Pastor’ van ‘Pistor’ te onderscheiden of Hancourt van Honnecourt.
Hetzelfde gebrek aan kennis van lokale en familiale gegevens deed zich voor bij ‘Georgius de Berlemon alias Eloyon’. Deze kreeg vanuit Brussel op 5 april 1522 zijn brief van Preces Primariae voor de abdij van Munsterbilsen.43 Onder de leenverheffingen van het graafschap Namen komt in 1528 een Georges, zoon van Jan, voor, maar men zegt ‘Floyon’.44
De tweede brief voor Pieter Steuvers, clericus van het bisdom van Kamerijk, was te Mantua gegeven op 20 november 1532 en kende dezelfde uitvoerders als in de brief voor Paschasius Pastoris. Deze brief was gericht aan deken en kapittel ‘Notre Dame de la Salle’ te Valenciennes in het bisdom Kamerijk. Beide brieven waren geïnspecteerd door Nicolas Perrenot en getegentekend door Antoine Perrenin, clericus van het bisdom Besançon en gewoon secretaris van de keizer, die zelf ook een benoeming kreeg in de kapittelkerk van Onze-Lieve-Vrouw te Antwerpen.45
In beide brieven werd respect gevraagd voor de waardigheid en het gezag van paus en keizer. Wie verstek gaf of zich opstandig gedroeg, moest kerkelijke straffen tegemoet zien. Ook werden de collatoren erop attent gemaakt dat ze voor eeuwig verstoken waren van alle keizerlijke privileges en van keizerlijke bescherming, indien hun protest niet ophield binnen de maand.
Bij de Preces Primariae valt het op dat twee bisdommen met meer dan vijfentwintig vermeldingen voorkomen: Kamerijk en Luik. Met Kamerijk denken we aan de stad Kamerijk zelf, maar vooral aan Brussel en Antwerpen. Luik vertegenwoordigt de stad Luik, maar strekt zich verder uit van Aken tot Bergen op Zoom en van ‘s-Hertogenbosch tot Namen, terwijl de bisschop van Luik ondertussen met de medewerking van Karel V kardinaal geworden was en het prinsbisdom zelf een bondgenoot was van de Habsburgers. Het kerngebied was goed voorzien, maar de randgebieden vielen nog uit de boot.
Het bisdom Utrecht en het bisdom Doornik hielden elkaar in evenwicht met een zesje. Debet aan deze lage score waren de vijandelijkheden, die met de naburigheid van Frankrijk van doen hadden. Voor Atrecht en Doornik was de oorlogstoestand niet volledig voorbij en de rust in Utrecht lag onder vuur door de bondgenoot van Frankrijk, Karel van Egmond, en tot het overlijden van Louis XII door Friese rebellen.
In tegenstelling tot de algemene bewering dat de Preces Primariae alleen bestemd waren voor het Heilige Roomse Rijk zijn volgende voorbeelden uitzonderlijk. Petrus Martyr de Angera was afkomstig uit Milaan en leefde vooral in Spanje. Toen hij vijfenzestig was, kreeg hij een plaats van kanunnik aangeboden in de kapittelkerk van Sint-Ambrosius te Milaan en nog een andere plaats in het bisdom Como.46
Luis Nuñez Coronel uit Segovia werd samen met zijn broer Antonio in 1519 aangesteld tot raadsheer, predikant en biechtvader aan het Hof van Karel V. Zij waren ook goede bekenden van Erasmus. Aan Luis werd in de kapittelkerk van Onze-Lieve-Vrouw te Antwerpen een beneficium voorgesteld, dat we onder de ‘nominationes’ moeten indelen.47
Anderzijds werd de leek Jean Keck uit het bisdom Trier voorzien van een beneficium in een abdij van het bisdom Metz. De brief staat ingedeeld bij de ‘Preces Primariae’. Uiteindelijk zou Keck voorzitter worden van het Hof van Luxemburg, maar hoe kon hij een beneficium krijgen? De zus van zijn grootmoeder was de moeder van Balthasar Mercklin Waltkirch.48 Deze laatste was door Karel V op basis van zijn ius patronatus voorzien als de eerste bisschop van Malta. Op 20 februari 1530, vier dagen vóór de keizerkroning, kreeg Dr. Keck zijn brief.49
Nog een laatste steekproef zal een aanwijzing geven voor de besteding van het gratierecht. Onder Karel V waren er heel wat personen, die vijf en meer voorstellen kregen. Johannes Obernburger uit het bisdom Mainz spande de kroon met dertien vermeldingen. Hij was keizerlijk secretaris.50 Zijn broer Petrus moest het met twee vermeldingen stellen.51 Andere secretarissen, zoals Matthias Zimmermann uit het bisdom Trier, deden nauwelijks onder voor Johannes Obernburger, maar ook Johannes Fabri was niet onbelangrijk.52
Uit het bisdom Osnabruck kwamen de broers Hoetfilter op het voorplan Zij waren clerici en stonden regelmatig op de lijst om zelfs een beneficie in de Nederlanden te krijgen. Judocus kan men ook zien als curialist,53 terwijl zijn broer Henricus in het Heilige Roomse Rijk bleef.54 Toen Judocus een aanstelling kreeg als bisschop van Lübeck, stierf hij zonder zijn bisschopsstoel te hebben gezien.55
Wanneer de familie Gattinara met haar netwerk verscheen, kon men de keizerlijke toestemming verwachten. Hetzelfde gold voor de familie du Vernay (de Verneto) uit het bisdom Bourg-en-Bresse met de steun van Margareta van Oostenrijk. Ook voor de moeilijk te identificeren Nicolaus Fabri de Fonte Romano uit het bisdom Besançon was een toestemming snel geregeld, want hij was een kapelaan van Margareta van Oostenrijk.56
Een model, dat in deze steekproef niet mag ontbreken, geldt Adolphus de Scornaco. Hij was een clericus uit het bisdom Doornik (Schorisse?), maar door zijn musicale kwaliteiten bouwde hij een Europese loopbaan uit. Hij behoorde tot de vriendengroep van Johannes Dantiscus en kreeg van Karel V zeven brieven.57 In dit verband komen er nog andere topartiesten uit de muziekwereld aan bod. Zo kreeg Antoine Lhéritier als priester van het bisdom Terwaan een brief van ‘Preces Primariae’ voor de bisschop van Atrecht.58 Hij was te Brussel gedateerd op 30 april 1522. Nog veel bekender is Nicolas Gombert, die als kapelmeester van de keizer in het bisdom Metz nog een beneficium in het vooruitzicht kreeg, met een brief uit Barcelona van 7 juni 1533.59
Vanuit juridisch standpunt stellen we vast dat deze musici ook in aanraking kwamen met het gerecht. Zo was Nicolas Gombert als leider van het knapenkoor eiser in een zaak, waarin zijn kanunnikdij werd betwist door Augustin Maton, die in Rome verbleef. Gombert verzocht ‘maintenue’ en voor de Grote Raad van Mechelen werd op 19 juni 1534 beslist dat hij in zijn bezit werd behouden. Aan de verweerder werd de petitoire actie voorbehouden.60
Zeer bijzonder is ten slotte het geval van Filip de Monte, de bekende polyfonist. Hij vroeg de keizer, volgens Prospero Fagnani, of hij kon genieten van het indult, hem door Pius IV toegestaan.61 Volgens het Concilie van Trente, sessio 24, capitulum 19 was dit uitgesloten. In de kathedrale kerk van Kamerijk was een vacature van thesaurier. Binnen de gestelde tijd had Filip de Monte het beneficium aanvaard, maar aartsbisschop Maximiliaan van Bergen (1558-1570) verzette zich en schonk het aan Gibertus Leoninus. Gregorius XIII herinnerde zich de besprekingen van het Concilie van Trente. Hij was van mening dat de keizer niet was opgenomen in het bedoelde kapittel 19.62 Ondertussen was Louis Florent de Berlaymont (1571-1596) aartsbisschop geworden. Op 1 september 1572 werd De Monte thesaurier van de kathedraal zonder verplichting aldaar te resideren. Op 1 mei 1577 volgde zijn bevordering tot kanunnik van genoemd kapittel.63
Even intrigerend is de afwezigheid van de familie Van Enckevoirt in deze lijsten. Zij kon dankzij hun protagonist kardinaal Willem beroep doen op de pauselijke provisies, wat een ander netwerk vereiste. Toch slaagde Godefridus, een neef van de kardinaal, erin om op een ander vlak een adelbrief met uitbreiding van de wapens te krijgen.64 In het verleden hebben verschillende bronnen om uiteenlopende redenen niet de aandacht gekregen, die ze verdienden. De ‘Reichsregisterbücher’ zijn er gelukkig nog en ze moeten in het vervolg grondiger in verschillende debatten betrokken worden. Met deze eerste signalen voor de Nederlanden zal ook de studie van het recht, de geschiedenis en de godsdienstgeschiedenis er wel bij varen.