Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/V.2
V.2 Het Concordaat van Bologna (1516)
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS389001:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
A. Tardif en J. Tardif, Privilèges accordés à la Couronne de France par le Saint-Siège, Paris 1855.
A. Mercati, Raccolta di Concordati su materie ecclesiastiche tra la Santa Sede e le Autorità civili, Vaticaanstad 1954, I, XXXIII, 233-251. Zie nu: COGD, II, 2, 1408-1447. F. Olivier- Martin, Le régime des cultes en France du Concordat de 1516 au Concordat de 1801, Paris 1988, 159-295: Le régime bénéficial et la nomination aux bénéfices. Zie ook: Le Concordat de Bologne, 192-201.
In principe hoorden ook de indulten daartoe, maar Leo X, Clemens VII en Paulus III zullen toch nog indulten toestaan aan de Franse koning.
J. Thomas, Le Concordat de 1516, ses origines, son histoire au XVIe siècle, Paris 1910, II, Les documents concordataires, 388-390.
J. Thomas, Le Concordat, II, Les documents concordataires, 354-357.
H.O. Evennett, Pie IV et les bénéfices de Jean du Bellay, in: Revue d’histoire de l’Eglise de France 22 (1936) 425-461. Ook gedigitaliseerd: http://www.persee.fr.
F. Pinsson, Inventaire des indults, pieces, titres et memoires emploiez et servans de preuves au Traite singulier des Regales ou des droits du roi sur les benefices ecclesiastiques, Paris 1688, II, 1242-1245: Ad personam tuam.
H. Hours, Répertoire prosopographique des évêques, dignitaires et chanoines de France de 1200 à 1500, in: H. Millet, éd., Fasti ecclesiae gallicanae, IV, Turnhout 1999, 4: kaart met kerkelijke indeling; 73-75: François de Busleyden (1498-1502), de eerste aartsbisschop uit de Nederlanden op aanbeveling van Filips de Schone; 150, nr. 259: Johannes Carondelet, voorzitter van de Geheime Raad in de Nederlanden.
Net zoals het Heilige Roomse Rijk was Frankrijk in kerkelijke zin een ‘natio’, die kon opgeroepen worden voor een Oecumenisch Concilie. Met Frankrijk kon dus ook een Concordaat afgesloten worden. Bovendien was Frankrijk de oudste dochter van de Kerk en kon dit land prat gaan op de grootste reeks van kerkelijke privileges.1 In de late Middeleeuwen echter nam het Franse koninkrijk vaker een stelling in, die indruiste tegen Rome (gallicanisme). Karel VII had in 1438 te Bourges de Pragmatieke Sanctie afgekondigd in een algemene nationale kerkvergadering. De Bourgondische hertogen hebben in hun gewesten steeds afstand genomen van deze Pragmatieke Sanctie en zich gehoorzaam getoond aan de paus (oboedientia). De pausen deden hun best om de Pragmatieke Sanctie te vervangen door een overeenkomst tussen Kerk en Staat. Door in de vijftiende eeuw de Pragmatieke Sanctie buiten spel te zetten waren de Franse koningen aan hun eretitel gekomen van ‘zeer christelijke koningen’. In 1516 werd tijdens het Concilie van Lateranen V tussen Leo X en Frans I de Pragmatieke Sanctie afgeschaft en het Concordaat van Bologna gesloten.2
De regelgeving over de pauselijke reservaties, opgenomen in het ‘ius commune’, en die over collaties bleven identiek. Regelingen over het frivool appel en het vreedzame bezit van beneficies bleven ongewijzigd. De afschaffing van de canoniekrechtelijke verkiezing werd een feit en de vorstelijke ‘benoeming’ kwam in de plaats. Reservaties buiten het ‘ius commune’ en expectatieven, zoals ze geëvolueerd waren sinds het Grote Schisma, werden afgeschaft.3 De rechten van de gegradueerden aan de universiteiten werden op punt gesteld. Het nieuwe Concordaat had betrekking op het Franse koninkrijk, op ‘le Dauphiné, le Diois en le Valentinois’, d.w.z. in de gebieden, waar de Pragmatieke Sanctie (1438) gold. Het hertogdom Bretagne en het graafschap van de Provence waren niet onderworpen aan de Pragmatieke Sanctie en dus ook niet aan het Concordaat van Bologna.
Om beide problemen op te lossen bleef alleen het indult over. Op 3 oktober 1516 verleende Leo X aan Frans I de toestemming om gebruik te maken van de privileges, destijds toegestaan aan de hertog van Bretagne en aan de graaf van de Provence. De Franse koning kreeg benoemingrecht voor de consistoriale beneficies in beide provincies, maar de paus behield zijn oude rechten en reservaties ‘apud Sedem Apostolicam’.4 Clemens VII stond dan op 9 juni 1531 een tweede indult toe. Hij schafte voor Frans I levenslang het verkiezingsrecht af van sommige kloosters en kerken, die dat hadden behouden sinds 1516. Alleen de abdijen, die als abt een generaal van de orde in hun rangen hadden, behielden het verkiezingsrecht. Beide indulten waren hernieuwbaar.5 Uiteindelijk heeft paus Pius IV op 9 augustus 1560 ook toegestaan dat Frans II benoemingen mocht doen voor beneficies, van wie de kandidaten nabij de H. Stoel zouden overlijden. Indien ze overleden als concilievaders, dan zouden ze behandeld worden alsof ze in Frankrijk (zowel in het gebied van het Concordaat als van de supplementaire indulten) overleden waren.6
Met het oog op de kerkelijke indeling waren de aartsbisdommen Reims en Lyon van belang voor de Nederlanden. De bisdommen Atrecht, Terwaan, Kamerijk en Doornik vielen onder de bevoegdheid van de aartsbisschop van Reims. In Brou stond het klooster met het grafmonument, opgericht door de landvoogdes Margareta van Oostenrijk, dat onder het aartsbisdom Lyon viel. Ook belangrijke delen van het hertogdom Savoie ressorteerden daaronder. Ook daar lag een deel van Margareta’s weduwegoed.
In het zuiden van de Nederlanden bestond de grootste kans op beïnvloeding, omdat het graafschap Artesië slechts door het verdrag van Madrid (1526) en Kamerijk (1529) een provincie van de Nederlanden zou worden. Gedurende tien jaar heeft het Concordaat van Bologna daar gegolden. Doornik was in 1516 nog in Engelse handen en bleef gevrijwaard van het Concordaat. De grootste problemen moesten verwacht worden in het bisdom Terwaan, omdat Terwaan een Franse stad was. Als zetel van een bisdom met Franstalige en Nederlandstalige gelovigen was Terwaan in grote mate afhankelijk van het beleid van de bisschop. Jean de Lorraine was van 1521 tot 1535 de eerste bisschop van Terwaan, die op basis van het Concordaat van Bologna werd aangesteld, maar die al in 1518 tot kardinaal was benoemd. Hij was een gunsteling van Frans I en verkreeg van Clemens VII op 1 augustus 1530 een bijzonder indult.7 Adriaan VI van zijn kant had destijds ingegrepen tegen het beleid van deze bisschop door het officialaat voor de Nederlandstaligen naar Ieper over te brengen.
Verder in het zuiden lagen nog de gebieden, die onder het bisdom Besançon vielen en die onder het Vrijgraafschap ressorteerden. Zo hoorde op kerkelijk vlak Dole, de universiteitsstad, de zetel van het Parlement en van een dekanaat, tot het bisdom Besançon, maar Besançon zelf was een rijksstad.8