Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.11.3:5.8.11.3 Nieuw criterium van de Hoge Raad (in afwijking van de wet): ongunstigere positie
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.11.3
5.8.11.3 Nieuw criterium van de Hoge Raad (in afwijking van de wet): ongunstigere positie
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648777:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 maart 2017, HR 31 maart 2017, JOR 2017/221, NJ 2018/26.
HR 31 maart 2017, HR 31 maart 2017, JOR 2017/221, NJ 2018/26, r.o. 5.1.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad1 heeft uiteindelijk overwogen dat een schuldeiser vervangende zekerheid of een andere waarborg mag verlangen, indien zijn positie ongunstiger wordt:
“De ondernemingskamer heeft in het licht van hetgeen hiervoor in 5.1.5 is overwogen, terecht tot uitgangspunt genomen dat de schuldeiser met de beëindiging van de (mogelijk) overblijvende aansprakelijkheid niet in een ongunstiger positie mag komen te verkeren dan die waarin hij verkeerde uit hoofde van de 403-verklaring.”2
Gezien de wettekst een opmerkelijke overweging. Artikel 2:404 lid 4 BW geeft duidelijk aan dat de toewijzing van een door de schuldeiser aangetekend verzet pas gegrond dient te worden verklaard wanneer blijkt dat de schuldeiser op basis van de vermogenstoestand van de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon – of uit andere hoofde – niet voldoende waarborgen heeft dat zijn vorderingen zullen worden voldaan. Dat is wezenlijk anders dan het uitgangspunt dat de positie van de schuldeiser niet ongunstiger wordt.
Wordt het uit de parlementaire geschiedenis ontleende criterium van de Hoge Raad gehanteerd, namelijk dat de positie van de schuldeiser niet mag verzwakken, dan zal het verzet van iedere toegelaten schuldeiser per definitie gegrond moeten worden verklaard. Een aanspraak op twee schuldenaren levert immers altijd een sterkere positie op dan een aanspraak op één schuldenaar. Een schuldeiser die de aanspraak op de rechtspersoon die een 403-verklaring heeft ingetrokken verliest, zal per definitie in een ongunstigere positie komen te verkeren, ongeacht of de vermogenstoestand van de (voorheen vrijgestelde rechtspersoon) voldoende waarborgen biedt.