Afscheid van de klassieke procedure?
Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.1.3.2:III.1.3.2 De plaats van de klassieke rechterlijke procedure
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.1.3.2
III.1.3.2 De plaats van de klassieke rechterlijke procedure
Documentgegevens:
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS305544:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In dit verband zijn de ontwikkelingen in het kader van het wetgevingsproject Moderni-sering Wetboek van Strafvordering vanzelfsprekend van groot belang, met name waar deze betrekking hebben op de verhouding tussen het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Zie onder meer de Contourennota Modernisering Wetboek van Straf-vordering (Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De focus van dit preadvies ligt op de verschillende procedures die leiden tot afdoening buiten de rechter om. Dit betekent dat in dit preadvies – enigszins anders dan in de civielrechtelijke en bestuursrechtelijke preadviezen – de huidige en toekomstige inrichting van de klassieke rechterlijke procedure goeddeels onbesproken blijft. Hiermee is vanzelfsprekend niet gezegd dat de plaats van de rechterlijke procedure binnen de afdoening van strafzaken alsmede de inrichting daarvan onveranderlijk zouden zijn. De ontwikkelingen van de afgelopen decennia laten dit al zien: de rechterlijke procedure zelf is immers voortdurend aan veranderingen onderhevig; veranderingen die door tal van redenen worden ingegeven, zoals de wens de kwaliteit van het rechterlijk werk te verhogen, de wens of de uit de stand van de EHRM-jurisprudentie voortvloeiende noodzaak de rechtsbescherming van de verdachte binnen de rechterlijke procedure naar een hoger plan te brengen, de wens de positie van het slachtoffer binnen de rechterlijke procedure te versterken of de wens de loop van het onderzoek ter terechtzitting verder te stroomlijnen. Als gevolg van dergelijke veranderingen lijkt de rechterlijke procedure in zijn grondvorm weliswaar nog steeds op het strafproces van weleer, in de praktijk is deze toch behoorlijk gemodificeerd. De vraag in welke richting de klassieke rechterlijke procedure zich in de toekomst verder zou kunnen of moeten ontwikkelen, laten wij in dit preadvies echter verder onbeantwoord.1
Dit betekent niet dat de rol van de rechter in het geheel niet ter sprake komt in dit preadvies. De rechterlijke procedure wordt door ons ten eerste opgevoerd als de – gezien de daaraan ten grondslag liggende waarden – onmisbare tegenhanger van de in dit betoog centraal staande vormen van afdoening buiten de rechter om. Door in kaart te brengen welke waarden ten grondslag liggen aan deze rechterlijke procedure, kan ook in kaart worden gebracht wat in het licht van deze waarden de implicaties (kunnen) zijn wanneer strafzaken buitengerechtelijk worden afgedaan. Ook kunnen deze waarden het nodige zeggen over de wijze waarop buitengerechtelijke trajecten zouden moeten worden ingericht, waarbij overigens niet is gezegd dat deze waarden alle van belang kunnen of zouden moeten zijn in een buitengerechtelijke context. Uit de aard der zaak betreft het hier immers doelbewust andersoortig vormgegeven procedures. De rechterlijke procedure komt in dit preadvies voorts ter sprake daar waar de wereld van de alternatieve vormen van afdoening in concreto in aanraking komt met de wereld van de klassieke rechterlijke procedure, bijvoorbeeld wanneer na afloop van een niet-geslaagd buitengerechtelijk traject de strafzaak alsnog aan de rechter wordt voorgelegd of wanneer de alternatieve vorm van afdoening van betekenis is voor een of meer beslissingen die de rechter in de context van de klassieke procedure moet nemen.