Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.8.2
11.8.2 Voorwaarden voor het niet in aanmerking nemen van de ‘aftrekelementen’
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258572:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Met uitzondering van artikel 72, onderdeel g, DWU waarin de verkrijging van rechten tot distributie als aftrekelement staat genoemd. Voornoemde bepaling kent geen equivalent in het CDW. Wel is in artikel 32, lid 5, onderdeel b, CDW genoemd dat, zonder afbreuk te willen doen aan de bijtelling van betalingen voor royalty- en licentierechten, de volgende elementen niet aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden toegevoegd: i) kosten ter verkrijging van het recht tot verveelvoudiging en ii) door de koper verrichte betalingen ter verkrijging van het recht tot distributie of wederverkoop van de ingevoerde goederen indien deze betalingen geen voorwaarde zijn voor de verkoop van de ingevoerde goederen voor uitvoer naar de Europese Unie.
HvJ EEG 10 december 1985, nr. C-290/84 (Hauptzollamt Schweinfurt en Mainfrucht Obstverwertung GmbH), ECLI:EU:C:1985:493, r.o. 32.
HvJ EEG 25 juli 1991, nr. C-299/90 (Hauptzollamt Karlsruhe tegen Gebrüder Hepp GmbH & Co. KG.), ECLI:EU:C:1991:334.
HvJ EEG 4 juni 1992, nr. C-21/91 (Wünsche Handelsgesellschaft International GmbH & Co. tegen Hauptzollamt Hamburg-Jonas), ECLI:EU:C:1992:248.
HvJ EEG 18 april 1991, nr. C-79/89 (Brown Boveri & Cie AG tegen Hauptzollamt Mannheim), ECLI:EU:C:1991:153, HvJ EG 5 december 2002, nr. C-379/00 (Overland Footwear Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise I), ECLI:EU:C:2002:723 en HvJ EG 20 oktober 2005, nr. C-468/03 (Overland Footwear Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise II), ECLI:EU:C:2005:624.
HvJ EG 9 augustus 1994, nr. C-340/93 (Klaus Thierschmidt GmbH tegen Hauptzollamt Essen), ECLI:EU:C:1994:313, r.o. 28.
HvJ EEG 20 november 2003, nr. C-152/01 (Kyocera Electronics Europe GmbH tegen Hauptzollamt Krefeld), ECLI:EU:C:2003:623, r.o. 43.
HvJ EU 15 juli 2010, nr. C-354/09 (Gaston Schul BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2010:439, r.o. 40.
De Hoge Raad overweegt dat dit zelfs het geval is als de verkoper weet heeft dat de opgegeven oorsprong vals is. De in die casus nagevorderde antidumpingrechten komen in mindering op de overeengekomen prijs ter vaststelling van de douanewaarde. Hoge Raad 29 juni 2018, nr. 16/04263, ECLI:NL:HR:2018:1022.
T. Lyons, EC Customs Law (3rd edition), Oxford: Oxford University Press 2018, p. 346-347 (voetnoot 236).
S. Armella, EU Customs Code, Milaan: Bocconi University Press 2018, p. 203.
D.G. van Vliet, Douanerecht (2de druk), Deventer: Kluwer 2019, p. 242. Naar mijn mening hoeven uit de objectieve en meetbare gegevens niet altijd op het moment van invoer de exacte bedragen voort te vloeien. Indien bijvoorbeeld de hoogte van een betaling voor een royalty- of licentierecht afhangt van de opbrengst van de wederverkoop van de goederen, staat dit de toepassing van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen niet in de weg, als volgt uit de objectieve en meetbare gegevens wat de berekeningsmethode is om de omvang van de betaling voor het royalty of licentierecht op een later moment te kunnen betalen. HvJ EU 9 maart 2017, nr. C-173/15 (GE Healthcare GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf), ECLI:EU:C:2017:195, r.o. 46. Indien de exacte bedragen echter niet kunnen worden bepaald zal gebruik moeten worden gemaakt van een vereenvoudigde aangifte of, indien aan de voorwaarde is voldaan, een forfaitaire waarde vaststelling (onderdelen 6.4.2 en 6.4.3).
Commentaar 5 van de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) betreffende de behandeling van bepaalde wel of niet in de douanewaarde te begrijpen elementen.
De ‘aftrekelementen’ stonden voorheen in artikel 33 CDW opgenomen.1 In artikel 33 CDW wordt genoemd dat aftrekelementen enkel in aftrek mogen worden gebracht indien zij van de werkelijk betaalde of te betalen prijs te onderscheiden zijn. De vraag is wat onder ‘onderscheiden’ moet worden verstaan. Het Hof van Justitie heeft zich hierover diverse malen uitgesproken onder toepassing van artikel 33 CDW en daarvoor onder toepassing van artikel 3 Verordening (EEG) nr. 1495/80 (in chronologische volgorde):
Over te onderscheiden vervoerskosten na de invoer in het douanegebied van de Europese Unie oordeelde het Hof van Justitie in de zaak Hauptzollamt Schweinfurt en Mainfrucht Obstverwertung GmbH.2 De aangever had bij de douaneaangifte twee facturen gevoegd. De ene vermeldde een prijs inclusief de kosten tot de plaats van binnenkomst en de ander de kosten van het vervoer van de plaats van binnenkomst tot aan de plaats van bestemming. Het Hof van Justitie oordeelde dat laatstgenoemde factuur niet in aanmerking genomen moest worden, omdat uit de ontstaansgeschiedenis en opzet van de regeling naar voren kwam dat kosten van vervoer binnen het douanegebied van de Europese Unie buiten de waarde moesten blijven.
Ten aanzien van inkoopcommissies oordeelde het Hof van Justitie in de zaak Hauptzollamt Karlsruhe tegen Gebrüder Hepp GmbH & Co. KG.3 dat indien in de douaneaangifte een nettoprijs van de goederen staat genoemd (dus zonder vermelding van de inkoopcommissie) en de inkoopcommissie apart gefactureerd is, deze inkoopcommissie niet tot de douanewaarde moet worden gerekend.
In de zaak Wünsche Handelsgesellschaft International GmbH & Co. tegen Hauptzollamt Hamburg-Jonas4 had de aangever de rentebetalingen niet in zijn douaneaangiften opgenomen. Het Hof van Justitie overwoog desondanks dat die betalingen als onderscheiden van de werkelijke betaalde prijs van de ingevoerde goederen konden worden beschouwd.
In de zaken Brown Boveri & Cie AG tegen Hauptzollamt Mannheim, Overland Footwear Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise I en Overland Footwear Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise II5 heeft het Hof van Justitie ten aanzien van inkoopcommissies en kosten voor montagewerkzaamheden overwogen dat deze elementen slechts als onderscheiden kunnen worden beschouwd als zij in de invoeraangifte apart staan vermeld van de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de ingevoerde goederen.
Uit de zaak Klaus Thierschmidt GmbH tegen Hauptzollamt Essen6 kan worden afgeleid dat niet tot de douanewaarde behorende quotakosten niet apart in de aangifte van de douanewaarde opgevoerd behoeven te worden.
Het Hof van Justitie heeft ten aanzien van te betalen rentes in de zaak Kyocera Electronics Europe GmbH tegen Hauptzollamt Krefeld geoordeeld dat: “[…] interesten ook dan onderscheiden zijn van de prijs van de goederen, wanneer de douaneautoriteiten op het moment van de aanvaarding van de douaneaangifte alleen beschikken over de factuur met de nettoprijs van de goederen, en hieruit – evenmin als uit de aangifte inzake de douanewaarde – expliciet noch impliciet blijkt dat de koper in het kader van de betrokken import aan de verkoper interesten heeft betaald of moet betalen”.7
In de zaak Gaston Schul BV tegen Staatssecretaris van Financiën8 laat het Hof van Justitie zich uit over of de invoerrechten te onderscheiden zijn indien de verkoper (en tevens importeur) en de koper de leveringsvoorwaarde DDP overeengekomen zijn (de invoerrechten komen voor rekening van de verkoper) en ervan uitgaan dat, naar later blijkt ten onrechte, er geen invoerrechten zijn verschuldigd.9 Het Hof van Justitie overweegt over de in artikel 32 CDW gestelde voorwaarde dat: “[…] invoerrechten „onderscheiden” zijn van de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de ingevoerde goederen is vervuld, wanneer de contractpartijen zijn overeengekomen dat de goederen DDP zullen worden geleverd en zij deze vermelding op de douaneaangifte hebben ingeschreven, maar zij wegens een vergissing inzake de oorsprong van die goederen geen bedrag aan invoerrechten hebben vermeld”.
Voor de uitleg van het vereiste dat de niet-belastbare elementen moeten kunnen worden onderscheiden van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, kunnen de volgende twee situaties worden onderkend:
De aangever geeft een nettoprijs op aan de douaneautoriteiten zonder vermelding van de niet-belastbare elementen en in zijn eigen administratie beschikt hij over documenten waarop de betalingen voor de niet-belastbare elementen zijn opgenomen;
De aangever geeft een samengesteld bedrag op bestaande uit de nettoprijs voor de goederen en één of meer niet-belastbare elementen.
Uit voornoemde uitspraken van het Hof van Justitie kan het volgende ten aanzien van deze twee situaties worden opgemerkt. Ten aanzien van de eerste situatie lijkt het toegestaan dat een aangever de nettoprijs opgeeft aan de douane zonder vermelding van de niet-belastbare elementen en in zijn eigen administratie beschikt over documenten waarop de betalingen voor de niet-belastbare elementen is opgenomen. Deze handelswijze is zelfs passend gelet op de uitgangspunten van het douanewaardesysteem. Immers, het reduceert het risico dat de douanewaarde overeenkomstig een willekeurig of fictieve prijs wordt vastgesteld. Eventuele verificatieproblemen aan de zijde van de douaneautoriteiten zijn in een dergelijk geval overkomelijk. De douaneautoriteiten hebben namelijk de bevoegdheid om bij gegronde twijfels over of de transactiewaarde overeenstemt met het totale en of te betalen bedrag, de aangever te vragen om aanvullende informatie. De noodzaak tot ‘onderscheiden’ doet zich in voornoemde situatie dus niet voor. Dat is anders in de tweede situatie wanneer sprake is van een samengesteld bedrag bestaande uit de nettoprijs voor de goederen en één of meer niet-belastbare elementen. Met andere woorden, indien de aangever de prijs zonder de niet-belastbare elementen als douanewaarde vastgesteld wil zien worden, moet hij de bedragen afzonderlijk opnemen in de douaneaangifte. Het vereiste dat het niet-belastbare element zich onderscheid van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, functioneert daarmee in wezen als bewijsregeling en is niet bedoeld als juridische kwalificatie.
In artikel 72 DWU is de voorwaarde dat de elementen moeten kunnen worden onderscheiden niet opgenomen. In dit artikel wordt aangegeven dat bij het vaststellen van de douanewaarde overeenkomstig de transactiewaarde van de ingevoerde goederen, de aftrekelementen niet worden inbegrepen. Lyons betrekt de stelling dat nu eerdergenoemde voorwaarde niet is opgenomen in artikel 72 DWU, de aftrekelementen zonder nadere voorwaarden en zonder dat de aftrekelementen afzonderlijk worden weergegeven in aftrek mogen worden gebracht.10Armella lijkt hetzelfde standpunt te huldigen.11Van Vliet merkt op dat in artikel 71, lid 2, DWU is opgenomen dat wanneer de ‘bijtelelementen’ aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden toegevoegd, dit enkel plaatsvindt op basis van objectieve en meetbare gegevens waaruit de exacte bedragen voortvloeien.12 Hoewel deze voorwaarde niet is opgenomen in artikel 72 DWU zal belanghebbende wel het bestaan van de kosten en de omvang ervan moeten waarmaken. Indien de belanghebbende daarin niet slaagt, wordt de transactiewaarde niet verworpen, maar wordt volstaan met het niet toelaten van de aftrekpost. In Conclusie 5 wordt door de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) over deze kwestie opgemerkt dat de aftrekelementen op basis van objectieve en meetbare gegevens onderscheiden moeten worden, omdat deze voorwaarde – zoals vastgelegd in artikel 71, lid 2, DWU t.a.v. de ‘bijtelelementen’ – als algemeen principe voor het bepalen van de douanewaarde moet worden beschouwd.13
Ik sluit mij aan bij Van Vliet en de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) en meen dat de zienswijze zoals uiteengezet ten aanzien van de twee te onderscheiden situaties zoals hiervoor besproken nog steeds toepassing vindt onder het DWU. Ten aanzien van de eerste situatie draagt dat bij aan de eenvoud van het douanewaardesysteem door de afname van de administratieve lasten aan de zijde van de aangever. Voor de eerste en tweede situatie draagt deze zienswijze ook bij aan het principe dat moet worden voorkomen dat de douanewaarde op fictieve of arbitraire waardes wordt vastgesteld. Het eventuele verificatieprobleem weegt daar niet tegenop, nu ook onder het DWU de douaneautoriteiten op basis van artikel 140 UDWU de bevoegdheid toekomen om bij twijfels over de aangegeven prijs, de aangever te verzoeken om additionele informatie.
Tot slot merk ik op dat mocht onverhoopt de douanewaarde te hoog zijn aangegeven, doordat, naar later blijkt, onterecht een ‘aftrekelement’ in aanmerking is genomen voor de vaststelling van de douanewaarde, dit bedrag thans op basis van artikel 117 DWU teruggevraagd kunnen worden, onder voorwaarden dat het bestaan en de omvang ervan kan worden aangetoond. Ook kan de aangever, indien de bedragen van de ‘aftrekelementen’ niet precies te bepalen zijn, worden toestaan dat een forfait in aftrek wordt gebracht indien aan de voorwaarden van artikel 73 DWU wordt voldaan (onderdeel 6.4.3).