Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.8.8
11.8.8 Rechten en heffingen van het land van invoer
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258663:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EEG 28 maart 1990, nr. C-219/88 (Malt GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf), ECLI:EU:C:1990:146, r.o. 17 en Conclusie 15 van de Expertgroep Douane (afdeling douanewaarde) betreffende quotakosten in verband met echtheidscertificaten.
HvJ EEG 28 maart 1990, nr. C-219/88 (Malt GmbH tegen Hauptzollamt Düsseldorf), ECLI:EU:C:1990:146, r.o. 21.
Zie in dit kader ook artikel VII:3 GATT 1947 en onderdeel 3.2.2.1.
Indien een andere Incoterm dan DDP is afgesproken tussen partijen, kan de stelling niet worden betrokken dat de betaling die de koper verricht ten dele een betaling voor invoerrechten omvat die als zodanig geëlimineerd mag worden voor de vaststelling van de douanewaarde. Een andere Incoterm dan DDP veronderstelt immers dat de invoerrechten niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn opgenomen, zie in dat kader bijvoorbeeld: Gerechtshof Amsterdam 7 juli 2015, nr. 13/00453 en 13/00454, ECLI:NL:GHAMS:2015:3991.
Advisory opinion 3.1. Meaning of “are distinguished” in the Interpretative Note to Article 1 of the Agreement: duties and taxes of the country of importation. (Adopted, 2nd Session, 2 October 1981, 27.960).
Commentaar 5 van de Douane Expertgroep (afdeling douanewaarde) betreffende de behandeling van bepaalde wel of niet in de douanewaarde te begrijpen elementen.
HvJ EU 15 juli 2010, nr. C-354/09 (Gaston Schul BV tegen Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2010:439
Hoge Raad 29 juni 2018, nr. 16/04263, ECLI:NL:HR:2018:1022. Dat betekent bijvoorbeeld dat als de overeengekomen prijs 110 EUR bedraagt en invoerrecht 10%, dan komt is 100 EUR de douanewaarde na aftrek van de verschuldigde invoerrechten (110 / 1,1 = 100).
Het is onwenselijk bevonden om het bedrag aan verschuldigde invoerrechten in de douanewaarde te begrijpen. Dit zou immers tot dubbele belasting leiden. Derhalve bepaalt artikel 72, onderdeel f, DWU dat rechten bij invoer geheven vanwege de invoer van de goederen, uitgesloten moeten worden van de douanewaarde. Ook andere belastingen die in het kader van de invoer van goederen moeten worden voldaan zijn elementen die van de douanewaarde uitgesloten moeten worden. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan btw en accijnzen die verschuldigd zijn ten aanzien van het belastbaar feit invoer van goederen. Betalingen voor echtheidscertificaten die voor de toepassing van de contingenteringsregeling vereist zijn en die de koper aan de verkoper betaald, moeten worden geacht deel uit te maken van de douanewaarde.1 Zij kunnen niet als rechten en heffingen van het land van invoer worden aangemerkt en om die reden in aftrek worden gebracht onder (thans) artikel 72, onderdeel f, DWU.2 De werkelijk betaalde of te betalen prijs kan ook een bedrag aan binnenlandse belastingen omvatten waaraan de betrokken goederen in het land van oorsprong of van uitvoer onderworpen zijn. In artikel 146 TCDW was voorzien in een regeling inhoudende dat voornoemd bedrag niet in de douanewaarde werd begrepen op voorwaarde dat aangetoond kon worden dat die goederen van de binnenlandse belasting werden vrijgesteld ten voordele van de koper. Hoewel het DWU geen equivalent kent van artikel 146 TCDW meen ik dat de uitwerking onder het DWU hetzelfde moet zijn. De uitsluiting van deze binnenlandse belastingen van de douanewaarde vindt echter niet plaats onder artikel 72, onderdeel f, DWU, maar vindt in mijn optiek haar grondslag reeds in de bewoordingen van artikel 70, lid 1, DWU, in het bijzonder het onderdeel ‘werkelijk betaalde of te betalen prijs’.3
In het internationale handelsverkeer is het gebruikelijk om op basis van leveringsvoorwaarden (Incoterms) onder andere te bepalen ten laste van wie de rechten en heffingen van het land van invoer komen (onderdeel 11.7.4). De rechten en heffingen van het land van invoer komen bij de toepassing van alle Incoterms ten laste van koper, op de Incoterm DDP na, waar de verkoper de rechten en heffingen voor zijn rekening neemt. Indien de rechten en heffingen van het land van invoer ten laste komen van de koper, wordt aangenomen dat de rechten en heffingen niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn opgenomen.4 In dat geval speelt artikel 72, onderdeel f, DWU geen rol. Immers, rechten en heffingen die niet in de werkelijke betaalde of te betalen prijs zijn opgenomen, kunnen niet nogmaals in aftrek worden gebracht. Indien koper en verkoper een levering aangaan onder Incoterm DDP, verzorgt de verkoper de douaneformaliteiten in het land van invoer en komen de rechten en heffingen ten laste van de verkoper. De verkoper zal de rechten en heffingen doorberekenen aan de koper. Met andere woorden, de rechten en heffingen zullen onderdeel uitmaken van de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Voor het bepalen van de douanewaarde mogen de rechten en heffingen echter buiten beschouwing worden gelaten, mits zij kunnen worden onderscheiden (onderdeel 11.8.2). In dat kader merkt de Technische commissie douanewaarde van de WDO in Advisory opinion 3.1 op dat:5
“Since the duties and taxes of the country of importation are by their nature distinguishable from the price actually paid or payable, they do not form part of the Customs value”
De Expertgroep Douane (afdeling douanewaarde) merkt op dat Advisory opinion 3.1 betrekking heeft: “[…] op een geval waarin de rechten/heffingen niet afzonderlijk op de factuur waren vermeld. Het spreekt echter vanzelf dat moet worden aangenomen dat op de factuur of op een ander begeleidend document duidelijk was vermeld dat de werkelijk betaalde of te betalen prijs deze kosten omvatte.”6 De aanduiding dat de eventueel verschuldigde invoerrechten ten laste komen van de verkoper onder vermelding van Incoterm DDP lijkt in dat opzicht voldoende.
Indien de verkoper (en tevens importeur) en de koper de leveringsvoorwaarde DDP overeenkomen (de invoerrechten komen voor rekening van de verkoper) en er tevens vanuit gingen dat geen invoerrechten waren verschuldigd, komt de vraag op of de invoerrechten ook dan nog als aftrekpost kunnen worden opgevoerd. Hierover heeft het Hof van Justitie zich uitgelaten in de zaak Gaston Schul BV tegen Staatssecretaris van Financiën.7 In deze zaak waren de contractspartijen, een verkoper gevestigd in IJsland en een koper gevestigd in Nederland, overeengekomen dat visproducten op basis van leveringsvoorwaarde DDP zouden worden verkocht. Er werd daarbij verondersteld dat een beroep kon worden gedaan op het preferentieel nultarief, omdat ervan uit werd gegaan dat de goederen van oorsprong Europese Economische Ruimte waren. Nu dat laatste op een misverstand bleek te berusten en de goederen van oorsprong uit een ander derde land afkomstig waren, werd door de Nederlandse douaneautoriteiten overgegaan tot oplegging van een navordering. De invoerrechten werden geheven over de transactiewaarde zoals overeengekomen tussen contractspartijen. Daarop stelde Gaston Schul BV dat het bedrag van de berekende douanerechten van de overeengekomen prijs moest worden afgetrokken. Het Hof van Justitie overwoog dat wanneer een koper en verkoper een internationale goederentransactie aangaan onder DDP en de verkoper een vergissing inzake de oorsprong van het ingevoerde goed maakt ten gevolge waarvan minder of geen invoerrechten worden geheven, de bij een correctie verschuldigde invoerrechten desalniettemin in mindering kunnen worden gebracht op de douanewaarde. In een andere zaak heeft de Hoge Raad overwogen dat het daarbij niet uitmaakt dat de verkoper weet heeft dat de opgegeven oorsprong vals is. De in dat geval nagevorderde antidumpingrechten komen ook in dat geval in mindering op de overeengekomen prijs ter vaststelling van de douanewaarde.8