Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/268
Internationaal privaatrecht. Huwelijksvermogensrecht. Rechtskeuze ten processe voor Nederlands recht qua vorm rechtsgeldig?; vormvereisten (art. 13 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 jo. art. 1:115 lid 1 BW). Openbare-orde-exceptie; ambtshalve toepassing.
HR 30-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:126
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 januari 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, K. Teuben
- Zaaknummer
24/00473
- Conclusie
A-G mr. P. Vlas
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Personen- en familierecht / Relatievermogensrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:126, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:575, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑05‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1344, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑05‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑01‑2024
- Wetingang
Art. 6, 13, 14 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978; art. 1:115, 10:6 BW
Samenvatting
Op grond van art. 6 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 kunnen de echtgenoten tijdens het huwelijk — dus ook in het kader van een echtscheidingsprocedure — een rechtskeuze doen ter zake van het huwelijksvermogensregime. Volgens art. 13 van het verdrag dient deze rechtskeuze te geschieden in de vorm die voor huwelijkse voorwaarden is voorgeschreven door hetzij het gekozen recht, hetzij het recht van de plaats waar ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.