Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/275
OM-cassatie. Vrijspraak van rijden terwijl de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (artikel 9, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994).
HR 27-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:114
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 januari 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, R. Kuiper
- Zaaknummer
24/01481
- Conclusie
A-G mr. V.M.A. Sinnige
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Verkeersstrafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:114, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:990, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑09‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2024
- Wetingang
Essentie
OM-cassatie. In hoger beroep is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 29 mei 2022 een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. 22 dagen daarvoor is hem tijdens een politieverhoor medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was. De door het hof gegeven vrijspraak berust op een onjuiste opvatting van het (redelijkerwijs moeten) weten dat het rijbewijs ongeldig is verklaard.
Samenvatting
Het hof heeft onder meer vastgesteld dat de verdachte op 7 mei 2022, dus 22 dagen vóór het tenlastegelegde feit, is staande gehouden wegens rijden ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.