Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/287
Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Mexicaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van medeplegen computervredebreuk, medeplegen oplichting, medeplegen witwassen en het ter beschikking stellen van reisdocument aan ander. Specialiteitsbeginsel, art. 15 lid 1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. Verweer dat opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in uitleveringsverzoek zijn opgenomen. Art. 15 lid 1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten houdt in dat krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op grondgebied van verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor ander feit dan feit waarvoor uitlevering werd toegestaan. Beantwoording van vraag of verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens opgeëiste persoon is aangevoerd over dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan rechter die o.g.v. Uitleveringswet oordeelt over toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering. Dat doet niet af aan bevoegdheid van deze rechter om zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in advies dat hij o.g.v. art. 30 lid 2 Uitleveringswet uitbrengt aan minister. Voorgaande kan slechts anders zijn als naar aanleiding van een bij behandeling van uitleveringsverzoek op zitting voldoende onderbouwd verweer komt vast te staan dat opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan risico van flagrante inbreuk op door art. 6 lid 1 EVRM en/of art. 14 lid 1 IVBPR gewaarborgde rechten en na zijn uitlevering voor hem m.b.t. die inbreuk niet rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM resp. art. 2 lid 3 onder 1 IVBPR openstaat (vgl. HR 28 maart 2000, NJ 2000/367 en HR 21 maart 2017, NJ 2017/276, m.nt. N. Rozemond). Verwerping door Rb van verweer getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is (mede in aanmerking genomen dat uit wat raadsman heeft aangevoerd, niet kan blijken dat zich hiervoor genoemde situatie voordoet) toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
HR 27-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:116
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 januari 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, T. Kooijmans, F. Posthumus
- Zaaknummer
25/03473
- Conclusie
A-G mr. V.M.A. Sinnige
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Uitlevering en overlevering
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:116, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑01‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1301, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
Essentie
Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Mexicaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van medeplegen computervredebreuk, medeplegen oplichting, medeplegen witwassen en het ter beschikking stellen van reisdocument aan ander. Specialiteitsbeginsel, art. 15 lid 1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. Verweer dat opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in uitleveringsverzoek zijn opgenomen. Art. 15 lid 1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten houdt in dat krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op grondgebied van verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor ander feit dan feit waarvoor uitlevering werd toegestaan. Beantwoording van vraag of verzochte uitlevering moet afstuiten ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.