Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.6
5.6 Samenvatting, bijzonderheden en aanbevelingen voor verbeterde controle
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
In artikel 177a Sv is op dit moment immers slechts bepaald dat de zaaksofficier verplicht is om de r-c tot wie hij een vordering richt (bijvoorbeeld tot het aftappen van telefoons) te voorzien van alle relevante stukken.
Zie in dit verband het naar aanleiding van het in 2007 georganiseerde symposium The accountability of Intelligence and Security Agencies and Human Rights opgestelde boek. Dit is te vinden op de website www.ctivd.nl.
De commissie oefent daarnaast ook toezicht uit op de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en op de regionale politie-eenheden, de Koninklijke Marechaussee en de FIOD-ECD, voor zover zij ten behoeve van de AIVD werkzaamheden verrichten. Zie hiervoor de website van de commissie www.ctivd.nl.
Zie voor de taken van de commissie de website www.ctivd.nl.
Kamerstukken II 1997-1998, 25 877, nr. 3, p. 78.
In dit verband moet wel worden vermeld dat ook de TCI-officieren landelijk overleg voeren over dergelijke met het TCI samenhangende kwesties.
Het TCI-proces-verbaal kan de start inluiden van een strafrechtelijk onderzoek en kan tot het toepassen van dwangmiddelen leiden. Er zijn risico’s en bezwaren verbonden zijn aan het gebruik van dit soort informatie in het strafproces. Allereerst bestaat het gevaar dat de informant valse informatie verstrekt, waardoor ten onrechte privacyschendend en/of vrijheidsbenemend strafvorderlijk overheidsingrijpen wordt uitgelokt. Verder bestaat het gevaar dat het TCI de regie over de informant verliest, wat onder meer tot gevolg kan hebben dat de informant de latere verdachte instigeert tot het plegen van een strafbaar feit. Ten slotte brengt het vergaren van dit type startinformatie risico’s met zich die verband houden met integriteitsaspecten en daarom wat minder van doen (kunnen) hebben met een concrete strafzaak. Hoewel gesteld kan worden dat de conclusies en aanbevelingen van de Commissies Van Traa en Kalsbeek in relatie tot het TCI veel verbeteringen met zich hebben gebracht, zijn bovenstaande risico’s niet (geheel) weggenomen. Feit blijft dat het TCI, als orgaan van de overheid, (veelal) in contact treedt met en informatie verkrijgt van criminele burgers en dat brengt de geschetste risico’s met zich. Anno 2014 bestaat dan ook onverkort de noodzaak de betrouwbaarheid en de rechtmatigheid (van de verkrijging) van TCI-informatie en de zuiverheid van het handelen van het TCI scherp te controleren. Wel kan worden gesteld dat het Besluit verplichte politiegegevens en de diverse instructies maken dat heden ten dagen de rol en werkzaamheden van het TCI helder zijn geformuleerd en afgebakend. Daarnaast zijn de gezagsrelaties, in ieder geval op papier, hersteld.
Zoals aangegeven is TCI-informatie startinformatie en gelet hierop spelen de in de inleiding genoemde vier fasen, waarbij wordt opgemerkt dat van de vierde fase (het gebruik van startinformatie in de bewijsvoering) feitelijk geen sprake is nu, gelet op het bepaalde in art. 344a Sv, TCI-informatie slechts in uitzonderlijke situaties voor het bewijs kan worden gebruikt. Anders dan bij het gebruik van anonieme tips voor het bewijs, bestaat hiertoe nog wel een mogelijkheid: de informant kan immers als getuige worden gehoord. Dit is echter een zo goed als theoretische mogelijkheid gelet op het feit dat het TCI en de TCI-officier ten allen tijde de identiteit van de informant zullen afschermen en gelet hierop het toepassen van een afgeschermde verhoormodaliteit of zelfs de bedreigde getuigenregeling, vanwege het risico dat hiermee toch de identiteit van de informant boven water komt, zullen verwerpen. Hoewel ten aanzien van TCI-informatie in de tweede fase van het vierfasen model de noodzaak kan bestaan om aanvullend onderzoek te verrichten, moet hier toch anders tegen aan worden gekeken dan bij de anonieme tips van burgers. Wezenlijk verschil is dat het TCI op de hoogte is van de identiteit van de menselijke bron en dat zijn betrouwbaarheid en die van de door hem verstrekte informatie door het TCI wordt getoetst voorafgaand aan het verstrekken van de informatie aan de tactische recherche. Hoewel deze notie kleur geeft aan de omvang en de noodzaak van het betrouwbaarheidsonderzoek van de tactische recherche, ontheft het dit evenwel politieonderdeel niet (geheel) van de verplichting om aanvullend onderzoek uit te voeren. Voor hen, en de overige procesdeelnemers, blijft TCI-informatie immers informatie waarvan de herkomst wordt afgeschermd en dat gegeven kan dit soort gegevens minder goed controleerbaar maken. Voor de mogelijkheden tot differentiatie in de omvang van het aanvullende betrouwbaarheidsonderzoek, de rol van de Hoge Raad, de mogelijkheden van sanctionering en de beoogde wetswijziging als het gaat om het betreden en doorzoeken van woningen wordt verwezen naar eerder gemaakte opmerkingen.
Wat betreft het toetsen van de rechtmatigheid van (het verkrijgen van) TCI-informatie moet worden opgemerkt dat de verdediging hieromtrent een verweer dient te voeren met als doel de rechter de noodzaak te laten inzien van een dergelijke toets. Met het oog op ongewenste fishing expeditions rust dus op de schouders van de verdediging de verplichting om bouwstenen aan te dragen voor de aannemelijkheid van dit verweer. Inzichtelijk is geworden dat onder meer op basis van jurisprudentie van het EHRM de noodzaak tot een rechterlijke rechtmatigheidstoets in het bijzonder bestaat als de verdediging enigszins onderbouwd weet aan te voeren dat art. 6 EVRM is geschonden. Gebleken is ook dat in het strafproces een effectieve rechtmatigheidstoets in veel gevallen niet mogelijk is. Het afschermingsbelang brengt immers met zich dat het TCI en de TCI-officier niet of nauwelijks openheid van zaken geven over de achtergrond van de TCI-informatie. Aan deze opstelling verbindt de rechter geregeld de niet-ontvankelijkheid van het OM.
De (effectiviteit van een) rechterlijke rechtmatigheidstoets in een concrete zaak kan worden verbeterd door het creëren van een procedure bij de r-c, waarin door hem de rechtmatigheid van het handelen van het TCI kan worden onderzocht. Het huidige art. 187d Sv biedt hiervoor onvoldoende houvast. Wettelijke verankering van deze procedure kan worden gevonden in een uitbreiding van art. 177a Sv in combinatie met het zoeken van aansluiting bij de, in het deel over de van inlichtingendiensten afkomstige startinformatie te bespreken, afgeschermde getuigenregeling van art. 226m e.v. Sv.1 In de voorgestelde procedure wordt aan de r-c openheid verschaft over het handelen van het TCI en kunnen in dit verband door hem getuigen (anoniem) worden gehoord. De r-c dient gedurende zijn onderzoek het afschermingsen opsporingsbelang in ogenschouw te nemen. Slechts de zittingsrechter zal, op verzoek van de verdediging, een hiervoor in aanmerking komende zaak kunnen verwijzen naar de r-c. De zittingsrechter kan hiertoe onder meer overgaan op het moment dat het verhoor van een rechtmatigheidsgetuige ter zitting aanleiding geeft tot het plaatsen van vraagtekens bij de rechtmatigheid van het handelen van het TCI. Doet zich een dergelijke omstandigheid voor, dan kan in de beslotenheid van het kabinet van de r-c uitgebreider stil worden gestaan bij het handelen van het TCI. De r-c legt zijn bevindingen omtrent de rechtmatigheid van het handelen van het TCI neer in een beschikking en de zittingsrechter kan in het licht van art. 359a Sv consequenties verbinden aan het door de r-c gevelde oordeel over de rechtmatigheid van het handelen van het TCI. Op deze wijze controleert in een concrete strafzaak in ieder geval een rechter die volledig inzage heeft in alle relevante stukken de rechtmatigheid van het handelen van het TCI. Met deze procedure wordt een betere balans gevonden tussen enerzijds de te respecteren verdedigingsbelangen en anderzijds het afschermbelang waarvoor het TCI staat. Naar verwachting zal deze procedure niet vaak worden ingeroepen onder meer gelet op het feit dat de verdediging onvoldoende aannemelijk weet te maken dat zich een onrechtmatigheid heeft voorgedaan dan wel dat het eventuele verhoor van de rechtmatigheidsgetuige ter zitting twijfels over de rechtmatigheid van het handelen van het TCI in voldoende mate wegneemt.
Los hiervan verdient het, met het oog op de integriteitsaspecten die samenhangen met dit opsporingsinstrument en dit type startinformatie, de voorkeur dat de rechtmatigheid van het handelen van het TCI in zijn geheel extern wordt gecontroleerd door het instellen van een commissie van toezicht. De commissie kan worden gemodelleerd naar de commissie van toe-zicht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD).2 Op grond van art. 64 lid 2 onder a en b van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 is deze commissie belast met het toezicht op de rechtmatigheid van het handelen van de AIVD en kan zij hieromtrent adviseren aan de betrokken ministers.3 De commissie heeft hiertoe toegang tot alle relevante informatie van de AIVD en kan alle medewerkers van deze dienst horen. Verder heeft zij het recht getuigen of deskundigen te horen en plaatsen te betreden. De controle op de rechtmatigheid van het handelen van de AIVD wordt door de commissie uitgevoerd door het verrichten van diepteonderzoeken en het nemen van steekproeven. Daarnaast voert zij periodieke toetsing uit ten aanzien van bepaalde onderwerpen. Een diepte-onderzoek is een onderzoek naar een compleet onderzoeksdossier bij de AIVD over een van te voren vastgestelde periode, waarbij de door de dienst verrichte handelingen en uitgeoefende bijzondere bevoegdheden worden beoordeeld op hun rechtmatigheid. Een steekproef is een kortlopend onderzoek naar onderdelen van een onderzoeksdossier.4
In de memorie van toelichting bij de genoemde wet is een, ook voor de controle op het handelen van het TCI, belangrijke overweging te vinden: uitgangspunt voor het verbeteren van toezicht is het gegeven dat de toezichtsinstantie een onafhankelijke positie dient in te nemen ten opzichte van de AIVD.5 Een onafhankelijke positie die een TCI-officier maar tot op zekere hoogte inneemt, nu deze uieindelijk dezelfde (opsporings)belangen heeft als het TCI. Voorts controleert de TCI-officier slechts beperkt en periodiek de rechtmatigheid van de onder hem ressorterende TCI. De zittingsrechter en in het bijzonder de r-c in de voorgestane procedure kunnen daarnaast ook de rechtmatigheid toetsen. Zij zijn hierbij echter gebonden: zij dienen slechts een oordeel uit te spreken over een concrete strafzaak. De voorgestelde commissie van toezicht voor het TCI echter kan toezien op de rechtmatigheid van het handelen van het TCI in zijn geheel en vervult derhalve een belangrijke aanvullende controlerende rol. De commissie dient hiertoe, op een aan de werkwijze van de commissie van toezicht voor de AIVD gelijke wijze, uitgebreide onderzoeken te verrichten. Ter uitvoering van dergelijke onderzoeken dient zij inzage te krijgen in alle relevante stukken. De commissie van toezicht is aldus, beter dan de TCI-officier, zittingsrechter en r-c, in staat om bepaalde knelpunten wat betreft de rechtmatigheid van het handelen van het TCI en de integriteit van dit onderdeel van de politie in zijn geheel te signaleren.6
Concluderend kan worden gesteld dat met het oog op de risico’s die samenhangen met het gebruik van TCI-informatie in het strafproces op verschillende momenten en door diverse strafrechtelijke actoren in elk geval de betrouwbaarheid en in sommige gevallen de rechtmatigheid moet worden getoetst. Gerealiseerd moet worden dat bij de afwegingen en keuzes die in deze context door het TCI, de TCI-officier, de tactische recherche en de zaaksofficier worden gemaakt het afschermings- en het opsporingsbelang een belangrijke plaats inneemt. Met dit in het achterhoofd kan worden gesteld dat de zittingsrechter in de betrouwbaarheidstoets een centrale rol vervult. Hij is immers degene die achteraf beoordeelt of de eerdere afwegingen en gemaakte keuzes te billijken zijn. Mocht dit niet zo zijn, dan is hij bovendien gehouden hieraan strafprocessuele sancties te verbinden, zeker als op ontoereikende gronden een woning wordt binnengevallen. Wat betreft de rechtmatigheidstoets in een concrete strafzaak vervult de zittingsechter eveneens een belangrijke rol, maar verdient het de voorkeur de r-c de centrale rol te laten vervullen. Hiertoe zijn aanbevelingen gedaan. In de beslotenheid van het kabinet kan nu eenmaal gemakkelijker een juiste balans worden gevonden tussen enerzijds het belang van de verdediging en anderzijds het afschermingsbelang waarvoor het TCI staat. De voorgestelde commissie van toezicht kan ten slotte, met het oog op de integriteitaspecten die samenhangen met het werk van het TCI, toezien op de rechtmatigheid van het handelen van het TCI in zijn geheel en vervult daarom een belangrijke aanvullende controlerende rol.