Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.3:5.3 De start
Startinformatie in het strafproces 2014/5.3
5.3 De start
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een en ander blijkt uit de Instructie CIE-officier. Zie voor de inhoud van de instructie D. van der Bel, A.M. van Hoorn & J.J.T.M. Pieters, Informatie en Opsporing. Handboek informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking ten behoeve van de opsporingspraktijk, Zeist: Uitgeverij Kerckebosch 2013.
Stcrt. 2006, 39. Deze circulaire is laatstelijk gewijzigd in 2011, Stb. 2012, 5545.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals eerder gesteld, behelst het werk van het TCI op dit moment merendeels het runnen van informanten en het op basis van aldus gegenereerde informatie uitgeven van CIE-processen-verbaal aan de tactische recherche. Art. 5 van het Besluit verplichte politiegegevens schetst helder de taakstelling: het TCI is belast met de informatievoorziening in het kader van de uitvoering van de politietaak, voor zover het betreft misdrijven als bedoeld in art. 10 lid 1 onder a van de Wet politiegegevens. Uit hetzelfde artikel volgt dat het TCI in dit kader de volgende werkzaamheden dient te verrichten:
het verzamelen en verifiëren van criminele inlichtingen;
het verwerken van criminele inlichtingen in een bestand zoals bedoeld in art. 2 lid 1 Wet Politiegegevens;
het bevorderen van het gericht inwinnen en aanvullen van criminele inlichtingen en andere gegevens die in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde in aanmerking komen voor verwerking op grond van de Wet politiegegevens;
het analyseren van criminele inlichtingen en het aan de hand daarvan signaleren van criminaliteitsontwikkelingen en het periodiek verslag doen van criminaliteitsbeelden.
Voor een groot deel voert het TCI bovengenoemde taak uit door informanten te runnen. Als wettelijke basis hiervoor wordt het algemeen taakstellende art. 3 Politiewet gehanteerd. Voor een definitie van een informant wordt in het Besluit verplichte politiegegevens verwezen naar het zevende lid van art. 12 van de Wet Politiegegevens. De informant wordt hier gedefinieerd als een persoon die heimelijk aan een opsporingsambtenaar informatie verstrekt omtrent strafbare feiten of ernstige schendingen van de openbare orde, die door anderen zijn of worden gepleegd of verricht, welke verstrekking gevaar voor deze persoon of voor derden oplevert.
In deze definitie komt duidelijk naar voren dat de informant zijn informatie verstrekt aan de runners (politieambtenaren die voor zover hier van belang werkzaam zijn bij het TCI en in die hoedanigheid de contacten met informanten onderhouden) onder de voorwaarde van waarborging van zijn anonimiteit. Er ontstaat voor hem, of voor derden, immers gevaar als degene over wie informatie wordt verstrekt erachter komt hoe de politie aan de informatie komt. Ten aanzien van die informant bestaat een zogenaamd af schermingsbelang. De naam van een informant wordt daarom niet in het eventueel op te maken TCI-proces-verbaal vermeld en zijn identiteit blijft aldus verborgen voor rechter en verdediging. In de zeer uitzonderlijke omstandigheid dat de rechter later oordeelt dat de informant toch als getuige dient te worden gehoord, kan dit verhoor plaatsvinden door de r-c of de zittingsrechter. De r-c kan in een dergelijk geval op de voet van art. 190 lid 3 Sv enigszins tegemoetkomen aan het belang van afscherming van de identiteit van de informant. De zittingsrechter heeft een soortgelijke bevoegdheid op basis van art. 290 lid 3 Sv. Het is eveneens (theoretisch) voorstelbaar dat de informant wordt gehoord door toepassing van de bedreigde getuigenregeling van art. 226a-226f Sv.
De runners van het TCI kunnen op verschillende manieren in contact komen met potentiële informanten. Zo kan worden gedacht aan de situatie dat een burger tijdens een verhoor door de tactische recherche aangeeft relevantie informatie voor de politie te hebben, maar tegelijkertijd zegt dat hij deze informatie alleen wil delen als zijn anonimiteit wordt gewaarborgd. Op dat moment zullen runners van het TCI contact zoeken met deze potentiële informant. Als uit dit contact blijkt dat de potentiële informant nuttige informatie heeft, wordt bekeken of hij kan worden ingeschreven als informant. Hierbij wordt bezien of de potentiële informant een getuige of verdachte is (of kan worden) en of er een afschermingsbelang is. De TCI-officier beslist of de informant wordt ingeschreven in het informantenregister. In het informantenregister voert het TCI een registratie waarin alle waarnemingen, afspraken en bevindingen in relatie tot de informant, de persoon van de informant en de verstrekte informatie worden opgenomen. De informant wordt met een unieke persoonscode geregistreerd. Dit om te bewerkstelligen dat de informant slechts bij één TCI staat ingeschreven. Zo wordt onder meer voorkomen dat de informant gaat ‘shoppen’ met zijn informatie. In dat geval benadert de informant meerdere teams met dezelfde informatie om te bekijken welke van die eenheden (of wellicht meerdere) hem mogelijk als informant willen aanmerken. De registratie van de informant voorkomt dat één informant door meerdere Teams Criminele Inlichtingen wordt gerund.
Indien de TCI-officier besluit tot inschrijving, kan de informant vanaf dat moment worden gerund. Aangezien het merendeel van de informanten zich in het criminele milieu bevindt, wordt duidelijk gemaakt dat het plegen van strafbare feiten tot een strafrechtelijke vervolging zal leiden. De status van informant maakt hen dus niet strafrechtelijk immuun. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan de TCI-officier de informant vooraf toestemming verlenen tot het plegen van strafbare feiten van geringe aard die niet in relatie staan tot het feitencomplex waarover de informant informeert.1 Het runnen van een informant geschiedt te allen tijde door twee runners. De informatie die de informant verstrekt wordt door de runners opgetekend in journaals en geverifieerd en/of aangevuld (het zogenaamde veredelen) met informatie uit andere het TCI ter beschikking staande bronnen.
Vervolgens wordt het geheel ter controle voorgelegd aan het Hoofd TCI en kan de informatie (verder) worden verwerkt op grond van art. 10 Wet Politiegegevens. Uiteindelijk kan het Hoofd TCI een zogenaamd TCI-procesverbaal opmaken, waarin de door de informant verstrekte informatie is opgenomen. Het Hoofd TCI zal, eventueel in samenspraak met de TCI-officier van justitie, het bewuste proces-verbaal zo opstellen dat de informatie niet te herleiden valt tot de informant. Voorts vermeldt het Hoofd TCI of hij de informatie als betrouwbaar beoordeelt of dat deze beoordeling niet kan worden gemaakt. Een dergelijk TCI-proces-verbaal wordt vervolgens aan de tactische recherche verstrekt. De tactische recherche kan in samenspraak met de (zaaks)officier (mede) op basis van dit proces-verbaal besluiten tot de start van een strafrechtelijk onderzoek en het daaropvolgend inzetten van dwangmiddelen. Daarnaast kan een dergelijk proces-verbaal dienen ter sturing van een al lopend opsporingsonderzoek.
Ten slotte kan wat betreft de motieven van de informant onder meer aan geldelijk gewin worden gedacht. De informant kan voor achteraf betrouwbaar gebleken informatie immers financieel worden beloond op basis van de Regeling bijzondere opsporingsgelden.2 De informant kan ook in de veronderstelling verkeren dat het praten met de politie hem in een eventuele eigen strafzaak voordeel kan opleveren. Concurrentieoverwegingen ten aanzien van andere criminelen kunnen voorts een rol spelen en gedacht kan ook worden aan de intentie van de informant om een bepaalde burgerplicht te vervullen. In dit verband is het overigens denkbaar dat een criminele organisatie bewust één van haar leden met het TCI in contact laat komen om opzettelijk valse informatie te verschaffen of om juist informatie van het TCI te verkrijgen.