Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.1
5.1 Inleiding
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 1 onder a van de Regeling CIE, Stcrt. 2000, 198 en de aanpassing op deze regeling in Stcrt. 2009, 18. De regeling CIE is recentelijk opgegaan in het Besluit verplichte politiegegevens, Stb. 2012, 465. Onder meer de landelijke eenheid, de Rijksrecherche en de KMAR beschikken daarnaast ook over een eigen TCI.
Uit de praktijk volgt dat de tactische recherche het opsporingsonderzoek uitvoert in die zin dat zij onder meer verdachten en getuigen verhoort, op vordering van de (zaaks)officier dwangmiddelen inzet en bijzondere opsporingsbevoegdheden toepast. De tactische recherche verzamelt anders geformuleerd belastend dan wel ontlastend materiaal dat in het geval van een bewezenverklaring voor het bewijs kan worden gebruikt door de zittingsrechter.
Voor een voorbeeld van het verliezen van de regie over een informant wordt verwezen naar de eerder aangehaalde Goudsnip-zaak. Het hof verklaart het OM als gevolg daarvan in de afzonderlijke strafzaken niet-ontvankelijk. Overigens oordeelt de Hoge Raad in twee van de zaken dat de niet-ontvankelijkheidverklaring niet begrijpelijk respectie-velijk ontoereikend is gemotiveerd. Zie hiervoor Hoge Raad 29 juni 2010, NJ 440 en 442 m.nt. Sch.
Elke regionale eenheid beschikt over een eigen Team Criminele Inlichtingen (TCI).1 Het TCI houdt zich bezig met het generen van informatie door in contact te treden met (criminele) informanten, het zogenaamde runnen van informanten. Informanten die onder andere iets kunnen vertellen over het reilen en zeilen binnen het criminele milieu, een op handen staande levering van een partij harddrugs of de vindplaats van een vuurwapen. Op basis van deze informatie, vervat in een TCI-proces-verbaal, kan de tactische recherche in samenspraak met de zaaks(officier) een strafrechtelijk onderzoek starten.2
Aan het op deze wijze vergaren van informatie zijn risico’s verbonden. Allereerst bestaat het gevaar dat de informant, al dan niet opzettelijk, valse informatie verstrekt waardoor een onschuldige burger te maken krijgt met privacyschendend en/of vrijheidsbenemend stafvorderlijk overheidshandelen. Anders dan bij de anonieme tips wordt de kans hierop verkleind door de betrouwbaarheidstoets die plaatsvindt binnen het TCI en het gegeven dat het TCI de identiteit van de informant kent. Het TCI maakt dus zowel een inschatting van de betrouwbaarheid van de informatie als de betrouwbaarheid van de informant, voordat een TCI-proces-verbaal wordt doorgespeeld naar de tactische recherche. Dit is een specifiek kenmerk van dit type startinformatie. Verder bestaat het gevaar dat het TCI de regie over de informant verliest. Mogelijk gevolg hiervan kan zijn dat de informant de latere verdachte instigeert tot het plegen van een strafbaar feit en daardoor geen sprake meer is van het in art. 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces.3 Ten slotte brengt het werken met (criminele) informanten risico’s met zich die wat verder afstaan van een concrete strafzaak, maar wel heel kenmerkend zijn voor het (achterliggende proces van het) vergaren van dit type startinformatie. Zo bestaat het gevaar dat de informant pogingen onderneemt om runners van het TCI te corrumperen, bijvoorbeeld in die zin dat de informant tracht politiële informatie te verkrijgen. Ook bestaat het risico dat dit opsporingsinstrument door een criminele organisatie wordt gebruikt om strafvorderlijk optreden tegen een ander crimineel samenwerkingsverband uit te lokken, waardoor strafrechtelijk ingrijpen min of meer wordt geregisseerd. Zeker nu het merendeel van de informanten zelf in het criminele milieu verkeren, zijn geschetste gevaren allesbehalve denkbeeldig. In dit soort situaties kan de doorgegeven informatie zeer wel juist zijn. De twee laatste punten hebben dan ook meer van doen hebben met integriteitsaspecten en raken de vraag over de wenselijkheid van dit opsporingsinstrument.
Het voorgaande dwingt tot een scherpe toetsing van de betrouwbaarheid én de rechtmatigheid (van de verkrijging) van TCI-informatie. Dat soort controle wordt bemoeilijkt door (het belang van) de afscherming van de identiteit van de informant waarvoor het TCI staat. Bezien wordt dan ook of deze controle in het strafproces ten volle plaats kan vinden. Ter beantwoording van die vraag wordt bekeken welke in- en externe controlemechanismen ten aanzien van het TCI bestaan. In dit kader wordt onder meer onderzocht in hoeverre binnen de context van het strafproces eisen worden gesteld aan het toetsen van de betrouwbaarheid van TCI-informatie en of ruimte bestaat voor een controle van de rechtmatigheid van het handelen van het TCI. Voorts wordt bekeken of strafvorderlijke consequenties worden verbonden aan eventueel onrechtmatig handelen van het TCI en of los hiervan wordt gesanctioneerd op het moment dat TCI-informatie op ontoereikende gronden leidt tot het toepassen van dwangmiddelen. Ten besluit worden aanbevelingen gedaan voor het verbeteren van controle, waarbij ook wordt ingegaan op de integriteitsaspecten die samenhangen met dit opsporingsinstrument.