In bewijsmiddel 1 is als een bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van de aangeefster, een schermafbeelding van tekstberichten verstuurd naar de aangeefster opgenomen. Ik heb in de weergave van het bewijsmiddel alhier, alleen de relevante inhoud uit die schermafbeelding overgenomen.
HR, 20-01-2026, nr. 24/02515
ECLI:NL:HR:2026:73
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-01-2026
- Zaaknummer
24/02515
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:73, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑01‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:1055
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:937
ECLI:NL:PHR:2025:937, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:73
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑06‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑04‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑04‑2025
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0022
PS-Updates.nl 2026-0077
PS-Updates.nl 2025-0478
Uitspraak 20‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Verkrachting van 16-jarig meisje (art. 242 (oud) Sr) na heimelijk toebrengen van GHB. 1. Schriftuur benadeelde partij. Kan b.p. zich met vordering tot vergoeding van immateriële schade in strafproces voegen zonder opgave van concreet bedrag? 2. Kon hof schadevergoedingsmaatregel opleggen voor de door slachtoffer geleden immateriële schade, nu slachtoffer zich t.z.v. die schade niet als b.p. heeft gevoegd? 3. Motiveringseisen voor oplegging van schadevergoedingsmaatregel. Heeft hof zijn beslissing voldoende gemotiveerd, nu uit zijn overwegingen niet kan worden afgeleid o.b.v. welke in art. 6:106 BW vermelde grond en welke omstandigheden het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door slachtoffer geleden immateriële schade? Ad 1. B.p. heeft onvoldoende belang bij klacht. Hof heeft immers ten behoeve van b.p. een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor bedrag dat zij volgens haar verklaring ttz. in hoger beroep zou vorderen “als zij vordering zou indienen”, en daartegen gericht cassatieberoep van verdachte faalt. HR merkt op dat rechter immateriële schade naar billijkheid begroot. Dat brengt mee dat b.p. zich met vordering tot vergoeding van immateriële schade in strafproces kan voegen, ook zonder dat zij schade heeft begroot op concreet bedrag. Vordering strekt er dan toe dat rechter schade begroot (vgl. HR:2009:BJ7539). Ook in zo’n geval zal b.p. feiten en omstandigheden moeten stellen over manier waarop en mate waarin zij in persoon is aangetast en over gevolgen die zij van strafbaar feit heeft ondervonden, om rechter voldoende aanknopingspunten te bieden voor het naar billijkheid begroten van immateriële schade. Rechter moet ervoor zorgen dat verdachte in voldoende mate in gelegenheid is geweest zich over die f&o uit te laten. Ad 2. Schadevergoedingsmaatregel kan door rechter ook worden opgelegd als slachtoffer zich niet met vordering tot schadevergoeding als b.p. in strafproces heeft gevoegd. Dit lijdt uitzondering als rechter aanwijzingen heeft dat slachtoffer geen prijs stelt op schadevergoeding. Die aanwijzingen kunnen niet z.m. worden afgeleid uit feit dat slachtoffer zich niet met vordering in strafproces heeft gevoegd. Uitgangspunt dat slachtoffer geen prijs stelde op schadevergoeding mist feitelijke grondslag. Hof heeft weliswaar vastgesteld dat b.p. noch op voegingsformulier, noch ttz. in eerste aanleg een concreet bedrag t.z.v. immateriële schade heeft gevorderd, zodat “er thans geen vordering t.z.v. immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt”, maar heeft uit voegingsformulier en toelichting daarop ttz. kennelijk afgeleid dat slachtoffer aanspraak maakte op vergoeding van immateriële schade. Ad 3. Art. 36f Sr bepaalt dat rechter aan verdachte verplichting kan opleggen tot betaling aan Staat van geldbedrag t.b.v. slachtoffer of personen genoemd in art. 51f.2 Sv, indien en v.zv. verdachte jegens slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor schade die door strafbaar feit is toegebracht. Oplegging van schadevergoedingsmaatregel en, v.zv. b.p. zich met vordering in strafproces heeft gevoegd, toewijzing van vordering b.p. kunnen naast elkaar plaatsvinden (vgl. HR:1999:ZD1408). Rechter moet oplegging van schadevergoedingsmaatregel o.g.v. art. 359.2 en 359.5 Sv motiveren. Dat betekent dat uit motivering in ieder geval zal moeten blijken dat en in hoeverre verdachte naar burgerlijk recht jegens slachtoffer aansprakelijk is voor schade die door strafbaar feit is toegebracht Als b.p. zich met vordering in strafproces heeft gevoegd, rechter deze vordering toewijst en ook schadevergoedingsmaatregel oplegt, zal begrijpelijkheid van oplegging van schadevergoedingsmaatregel in het algemeen volgen uit motivering van beslissing over vordering b.p. V.zv. rechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt en niet ook vordering b.p. toewijst, omdat b.p. zich niet met vordering in strafproces heeft gevoegd of omdat er gronden zijn die in de weg staan aan toewijzing van die vordering die niet zien op materiële verschuldigdheid van die vordering, zal uit beslissing moeten volgen waarom verdachte jegens slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor schade die door strafbaar feit is toegebracht. Daarbij is ook voor oplegging van schadevergoedingsmaatregel van belang dat het in beginsel aan slachtoffer is f&o te stellen (en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen) waaruit schade kan worden afgeleid (vgl. HR:2019:793). Hierbij kan ook OM een rol spelen. Oplegging van schadevergoedingsmaatregel is dus niet mogelijk als rechter over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen dat verdachte jegens slachtoffer aansprakelijk is voor de door slachtoffer geleden schade, waaronder gegevens die bepalend zijn voor aard en omvang van geleden schade. Verder moet rechter er ook bij oplegging van schadevergoedingsmaatregel voor zorgen dat beide partijen in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest zich over die f&o uit te laten. Begrijpelijkheid van oplegging van schadevergoedingsmaatregel is in zo’n geval mede afhankelijk van manier waarop debat over die schade is gevoerd en stukken die in dat verband in geding zijn gebracht. Hof heeft geoordeeld dat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor immateriële schade die door bewezenverklaard feit aan slachtoffer is toegebracht. Hof heeft omvang van die schade naar billijkheid vastgesteld op € 5.000. ’s Hofs in zijn overwegingen besloten liggende oordeel dat aard en ernst van normschending meebrengen dat in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor benadeelde zo voor de hand liggen dat aantasting in persoon kan worden aangenomen a.b.i. art. 6:106.b BW, is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02515
Datum 20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 juni 2024, nummer 22-002189-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.A.J. Verploegh bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat M.P. de Klerk bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte en de advocaat van de benadeelde partij hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 1 primair
2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij op 7 april 2020 te [plaats] [benadeelde] door geweld en een andere feitelijkheid te weten
- het brengen van die [benadeelde] in een staat van bewusteloosheid en/of onmacht door het heimelijk toedienen van GHB,
heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het brengen en heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [benadeelde] .”
2.2
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“Aangeefster [benadeelde] heeft, samengevat, het volgende verklaard. Zij was op 7 april 2020 bij [getuige 1] . De verdachte haalde hen op om bij hem thuis een feestje te gaan vieren. Bij de verdachte thuis kreeg aangeefster twee Bacardi-Cola’s te drinken. Ze zag dat [getuige 1] steeds in slaap viel en rare dingen zei. Het tweede glas Bacardi-Cola wat aan aangeefster werd aangeboden, werd door de verdachte in de keuken ingeschonken. Korte tijd na het drinken van dit tweede glas werd aangeefster misselijk en duizelig, waardoor ze moest gaan liggen. De verdachte heeft haar naar zijn slaapkamer gebracht. Aangeefster heeft geen herinnering aan wat er in de periode daarna gebeurde. Ze werd naakt wakker, met een branderig gevoel in haar vagina, en ze was haar ondergoed kwijt.
Het hof stelt met de rechtbank vast dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen op 7 april 2020. Aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster draagt bij dat zij aanvankelijk heeft verklaard dat zij niet precies wist wat er gebeurd is. Dat zij op een later moment pas heeft verklaard dat zij op een later moment na haar ontwaken nog vrijwillig seks met de verdachte heeft gehad, weerspreekt haar eerdere verklaringen naar het oordeel van het hof niet. Daarmee acht het hof de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te bezigen.
Het dossier bevat bovendien op essentiële onderdelen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte in de keuken GHB in het drankje van aangeefster wilde doen, dat verdachte dit met [getuige 1] besprak die hierop reageerde met "Wat doe je nu?", en dat de GHB in een waterflesje zat. Dit sluit aan bij de verklaring van aangeefster dat de verdachte het tweede glas in de keuken klaarmaakte. Bovendien is door de politie in de keuken van de verdachte een waterflesje met daarin GHB aangetroffen. Verder heeft [getuige 1] - in lijn met de verklaringen van aangeefster - verklaard dat hij in het begin van de avond ‘out’ was gegaan op de bank en dat hij vervolgens, toen hij in de badkamer aan het overgeven was, aangeefster naakt uit de slaapkamer van de verdachte zag komen.
Tegenover dit alles heeft de verdediging een alternatief scenario geschetst dat - kort gezegd - inhoudt dat aangeefster uitsluitend vrijwillig tweemaal seks, waaronder begrepen penetratie - met de verdachte heeft gehad en zij daarover een leugenachtige verklaring heeft afgelegd, omdat zij bang was voor (de reactie van) haar vriend en haar familie. Dit alternatieve scenario wordt echter nadrukkelijk weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zodat dit naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of met deze gedragingen sprake is van verkrachting zoals onder 1 primair ten laste is gelegd. Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te komen moet vast komen te staan dat de verdachte door geweld of andere feitelijkheden, of door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden, het slachtoffer heeft gedwongen om het seksueel contact te ondergaan.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van verkrachting. De verdachte heeft aangeefster buiten haar medeweten gedrogeerd door het toedienen van GHB. In die toestand van verminderd bewustzijn heeft de verdachte vervolgens seksuele handelingen met haar verricht, bestaand uit het penetreren van haar vagina met zijn penis. Het drogeren van een persoon voorkomt verzet en is dus een handeling waarmee seks wordt afgedwongen. Hierbij geldt dat het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht gelijk kan worden gesteld aan geweld (ECLI:NL:HR:2007:BA7650). Dat ook sprake was van opzet volgt uit het toedienen van GHB en het verrichten van de seksuele handelingen toen aangeefster ten gevolge hiervan in een staat van bewusteloosheid was.
Concluderend komt het hof tot de hierna volgende bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde. Net als de rechtbank zal het hof de verdachte vrijspreken van het penetreren met de vinger(s) van de vagina van aangeefster.”
2.3
Het hof heeft in het kader van de strafmotivering onder meer overwogen:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan verkrachting nadat hij het slachtoffer in een staat van bewusteloosheid had gebracht door heimelijk GHB toe te dienen. Door aldus te handelen heeft de verdachte zeer ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, voor wie het bewezen verklaarde buitengewoon vernederend en traumatisch moet zijn geweest. De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer, die ten tijde van het feit pas 16 jaar oud was, ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Slachtoffers van feiten als het onderhavige, lijden dikwijls nog geruime tijd onder de psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.”
3. Vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
3.1
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ namens de benadeelde partij [benadeelde] . Dit stuk houdt onder meer in:
“4B Immateriële schade (smartengeld)
(...)
Omschrijving immateriële schade
Vertrouwen in personen is geschaad. Ik vertrouw mijn vrienden niet meer durf niks meer aan te nemen van andere mensen ik pak mijn eten zelf en mijn drinken ook
Soms ruik ik bacardi terwijl het alleen cola is.
Durf niet meer met mannelijke vrienden af te spreken.

Ik vorder vergoeding van mijn niet-vergoede schade plus de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Zie de toelichting.
Ik verzoek u de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Ik behoud mij alle rechten voor om via een gerechtelijke procedure (aanvullende) schadevergoeding te verzoeken.”
3.2
De benadeelde partij was ten tijde van de behandeling in eerste aanleg minderjarig en werd wettelijk vertegenwoordigd door [betrokkene 1]. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 4 juli 2023 heeft [betrokkene 1] daar verklaard:
“Ik ben te boos om iets te zeggen. Mijn kind gebruikt nooit drugs. Zij heeft wel een trauma opgelopen dus ik vind een vergoeding voor de immateriële schade wel terecht.”
3.3
De rechtbank heeft over de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij overwogen:
“De rechtbank begrijpt de vordering ten aanzien van de immateriële schade zo dat aan de rechtbank wordt gevraagd om de omvang van deze schadepost te schatten. Dat verzoek acht de rechtbank toewijsbaar. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, en gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, zal de rechtbank de geleden immateriële schade daarom naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-.”
3.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij daar verklaard:
“De vordering ter zake van materiële schade wordt gehandhaafd. Als ik een vordering zou indienen voor geleden immateriële schade, dan zou deze ter hoogte van het door de rechtbank toegewezen bedrag zijn.
(...)
[De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen.]
De benadeelde partij geeft aan te persisteren bij de ingediende vordering.”
3.5
Volgens datzelfde proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“De benadeelde heeft in eerste aanleg geen benadelingsbedrag aan immateriële schade gesteld. Niet in het formulier en ook niet ter terechtzitting. De rechtbank stelt echter gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Dat kan echter pas nadat een schadebedrag door benadeelde/eiseres is gesteld. Dat is niet gebeurd. Dan kan een vordering benadeelde niet worden vastgesteld op een geschat bedrag (...). In hoger beroep is het ook niet mogelijk om het benadelingsbedrag te stellen of te verhogen. Er is geen vordering dan kan die ook niet worden toegewezen.”
3.6
Het hof heeft over de vordering van de benadeelde partij en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel overwogen:
“In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 40,00. Ter zake van immateriële schade is door de benadeelde partij noch op het voegingsformulier, noch ter terechtzitting in eerste aanleg een concreet bedrag ter zake van immateriële schade gevorderd. Het hof stelt daarmee vast dat er thans geen vordering ter zake van immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt. In hoger beroep is deze vordering daarom aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 40,00 ter zake van materiële schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij, mede gegeven haar eigen verklaring dat zij kort na het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is teruggekeerd naar de woning, niet voldoende onderbouwd dat als direct gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde materiële schade is geleden. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden afgewezen.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] ex art. 36f Wetboek van Strafrecht
Naar het oordeel van het hof staat evenwel vast dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde is toegebracht. Derhalve zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen het naar billijkheid vastgestelde bedrag van € 5.000,00 aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] . Het hof heeft bij de vaststelling van de hoogte van deze maatregel rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.”
4. Wettelijk kader, wetsgeschiedenis en relevante rechtspraak
4.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 51f lid 1 het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.”
- Artikel 350 Sv:
“Indien het onderzoek in artikel 348 bedoeld, niet leidt tot toepassing van artikel 349, eerste lid, beraadslaagt de rechtbank op den grondslag der telastlegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan, en, zoo ja, welk strafbaar feit het bewezen verklaarde volgens de wet oplevert; indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, dan beraadslaagt de rechtbank over de strafbaarheid van den verdachte en over de oplegging van straf of maatregel, bij de wet bepaald.”
- Artikel 358 lid 2 Sv:
“In de andere gevallen bevat het vonnis de beslissing der rechtbank over de punten, bij artikel 350 vermeld.”
“2. De beslissingen vermeld in de artikelen 349, eerste lid, en 358, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.
5. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.”
- Artikel 361 lid 1 tot en met 4 Sv:
“1. Indien over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak dient te worden gedaan, beraadslaagt de rechtbank mede over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt. De beraadslaging over de verwijzing in de kosten vindt ook plaats indien artikel 333 toepassing heeft gevonden.
2. De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
a. de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, (...); en
b. aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.
3. Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. 4. Het vonnis houdt, tenzij de rechtbank met toepassing van artikel 333 zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft uitgesproken, ook in de beslissing van de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij. Deze beslissing is met redenen omkleed.”
- Artikel 421 lid 2 tot en met 4 Sv:
“2. Heeft de voeging in eerste aanleg plaats gehad, dan duurt zij, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.
3. Voor zover de gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. Titel IIIa van het Eerste Boek is, met uitzondering van artikel 51f, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de ingevolge artikel 51g vereiste opgave kan worden volstaan met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, indien deze ongewijzigd is gebleven.
4. Indien geen hoger beroep is ingesteld, kan de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen, tegen deze afwijzing in hoger beroep komen bij het gerechtshof. De tweede afdeling van de Zesde Titel van Boek II is niet van toepassing. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inzake het rechtsgeding in hoger beroep en cassatie zijn van overeenkomstige toepassing. Voor het geding wordt geen griffierecht geheven.”
- Artikel 36f lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde:
“1. Aan degene die bij rechterlijke uitspraak wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of aan wie bij rechterlijke uitspraak een maatregel of een last als bedoeld in artikel 37 wordt opgelegd, of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht dan wel jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, kan de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
2. De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”
- Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW):
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
a. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”
- Artikel 149 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv):
“1. Tenzij uit de wet anders voortvloeit, mag de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag leggen, die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld en die overeenkomstig de voorschriften van deze afdeling zijn komen vast te staan. Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.
2. Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.”
- Artikel 150 Rv:
“De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.”
4.2
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot (onder meer) de invoering van de schadevergoedingsmaatregel zoals bedoeld in artikel 36f Sr houdt onder meer in:
“De voorwaarde van de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de schade is bepalend voor de reikwijdte van de kring van begunstigden van de schadevergoedingsmaatregel. Het wetsvoorstel wijkt in dit opzicht af van het voorstel van de Commissie-Terwee, waarin de bevoegdheid van de rechter om de schadevergoedingsstraf op te leggen, beperkt is tot die gevallen waarin het slachtoffer zich als benadeelde partij heeft gevoegd. Deze beperking is niet overgenomen omdat er geen reden is de beperkingen die aan de kring van personen die zich kunnen voegen zijn gesteld en die voortvloeien uit de overwegingen waarop de voegingsprocedure berust, van toepassing te verklaren op de begunstigden van de schadevergoedingsmaatregel. Zoals in paragraaf 2.1 van deze memorie uiteen is gezet, berust de voegingsprocedure voornamelijk op proces-economische overwegingen. Deze overwegingen liggen niet ten grondslag aan de schadevergoedingsmaatregel, zodat beperkingen die voortvloeien uit de legitimatie van deze procedure niet van toepassing behoren te zijn op de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij komt dat de rechter binnen de grenzen die het materiële recht stelt vrij is in zijn straftoemeting. Hij kan de hem ter beschikking staande sancties ambtshalve toepassen. Het maken van een uitzondering op dit beginsel op grond van de praktische overweging dat het slachtoffer anders tegen zijn wil geconfronteerd kan worden met een schadevergoeding van de dader, acht ik niet nodig. Ik meen ervan uit te mogen gaan dat de rechter van de schadevergoedingsmaatregel zal afzien als het slachtoffer geen prijs stelt op schadevergoeding door de dader.”
(Kamerstukken II 1989/90, 21345, nr. 3, p. 19 en 20.)
4.3
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.1 Art. 51f Sv bepaalt dat diegene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Op die vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing. Los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering kan de rechter ambtshalve de in art. 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Deze maatregel komt hierna onder 2.9 kort aan de orde.
(...)
De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door (...) art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.
Het bieden van die eenvoudige en laagdrempelige procedure tot schadeloosstelling van de benadeelde partij kan de strafrechter voor complexe afwegingen stellen, nu de rechter ervoor moet zorgen dat daarbij zowel de materiële, civielrechtelijke voorschriften als de processuele regels en waarborgen die gelden bij de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij in acht worden genomen, terwijl de rechter daarnaast heeft te oordelen over de in de strafzaak zelf aan de orde zijnde vragen. (...).
2.4.5
Van (...) aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. (...)
Beoordeling en beslissing rechter
2.8.1
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
2.8.2
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
2.8.3
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het (...) geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen. (...)
2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.
2.8.7 (...)
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. (...)
De schadevergoedingsmaatregel (art. 36f Sr)
2.9.1
Art. 36f Sr bepaalt, kort gezegd, dat de rechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in art. 51f, tweede lid, Sv, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Ook voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel is daarnaast vereist dat sprake is van (...) ‘rechtstreekse schade’.
2.9.2
Uit de bewoordingen alsmede de geschiedenis van de totstandkoming van art. 36f Sr volgt dat de in die bepaling bedoelde maatregel een strafrechtelijke sanctie is die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd. De schadevergoedingsmaatregel kan door de rechter ook worden opgelegd indien het slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd of niet in zijn vordering kan worden ontvangen. Hieruit volgt ook dat de rechter niet is gehouden het bedrag van de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36f Sr op hetzelfde bedrag te stellen als het bedrag waarvoor hij de daarmee verband houdende vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen. (...)”
5. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld
5.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de benadeelde partij geen concreet bedrag aan immateriële schade heeft gevorderd en dat in het strafproces dus geen vordering tot vergoeding van immateriële schade voorligt.
5.2
De benadeelde partij heeft onvoldoende belang bij deze klacht. Zoals hierna aan de orde zal komen heeft het hof immers ten behoeve van de benadeelde partij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor het bedrag dat zij volgens haar verklaring op de terechtzitting in hoger beroep zou vorderen ‘als zij een vordering zou indienen’, en het daartegen gerichte cassatieberoep van de verdachte faalt.
5.3
Opmerking verdient dat de rechter immateriële schade naar billijkheid begroot. Dat brengt mee dat de benadeelde partij zich met een vordering tot vergoeding van immateriële schade in het strafproces kan voegen, ook zonder dat zij de schade heeft begroot op een concreet bedrag. De vordering strekt er dan toe dat de rechter de schade begroot (vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7539, rechtsoverweging 3.6). Ook in zo’n geval zal de benadeelde partij feiten en omstandigheden moeten stellen over de manier waarop en de mate waarin zij in haar persoon is aangetast en over de gevolgen die zij van het strafbare feit heeft ondervonden, om de rechter voldoende aanknopingspunten te bieden voor het naar billijkheid begroten van de immateriële schade. De rechter moet ervoor zorgen dat de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten.
6. Beoordeling van het derde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
6.1
Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door een schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor door het slachtoffer geleden immateriële schade, terwijl het slachtoffer zich ter zake van die schade niet met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.
6.2
Het cassatiemiddel miskent dat de schadevergoedingsmaatregel door de rechter ook kan worden opgelegd als het slachtoffer zich niet met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd. Dit lijdt uitzondering als de rechter aanwijzingen heeft dat het slachtoffer geen prijs stelt op een schadevergoeding. Die aanwijzingen kunnen niet zonder meer worden afgeleid uit het feit dat een slachtoffer zich niet met een vordering in het strafproces heeft gevoegd. Voor zover het cassatiemiddel tot uitgangspunt neemt dat het slachtoffer geen prijs stelde op een schadevergoeding mist het feitelijke grondslag, nu het hof weliswaar heeft vastgesteld dat de benadeelde partij noch op het voegingsformulier, noch ter terechtzitting in eerste aanleg een concreet bedrag ter zake van immateriële schade heeft gevorderd, zodat “er thans geen vordering ter zake van immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt”, maar uit het voegingsformulier en de toelichting daarop ter terechtzitting kennelijk heeft afgeleid dat het slachtoffer aanspraak maakte op vergoeding van immateriële schade.
6.3
Het cassatiemiddel klaagt verder dat het hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, nu uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op basis van welke in artikel 6:106 BW vermelde grond en welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof zijn oordeel heeft gebaseerd dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden immateriële schade.
6.4.1
Artikel 36f Sr bepaalt, kort gezegd, dat de rechter aan de verdachte de verplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer of de personen genoemd in artikel 51f lid 2 Sv, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en, voor zover de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, toewijzing van de vordering van de benadeelde partij kunnen naast elkaar plaatsvinden. (Vgl. HR 12 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1408.)
6.4.2
De rechter moet de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 359 lid 2 en 5 Sv motiveren. Dat betekent dat uit de motivering in ieder geval zal moeten blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
6.4.3
Als de benadeelde partij zich met een vordering in het strafproces heeft gevoegd, de rechter deze vordering toewijst en ook de schadevergoedingsmaatregel oplegt, zal de begrijpelijkheid van de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in het algemeen volgen uit de motivering van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij.
6.4.4
Voor zover de rechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt en niet ook een vordering van de benadeelde partij toewijst, omdat de benadeelde partij zich niet met een vordering in het strafproces heeft gevoegd of omdat er gronden zijn die in de weg staan aan toewijzing van die vordering die niet zien op de materiële verschuldigdheid van die vordering, zal uit de beslissing van de rechter moeten volgen waarom de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Daarbij is ook voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van belang dat het in beginsel, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv, aan het slachtoffer is de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – waaruit de schade kan worden afgeleid. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.8.1). Hierbij kan ook het openbaar ministerie een rol spelen. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is dus niet mogelijk als de rechter over onvoldoende gegevens beschikt om te kunnen vaststellen dat de verdachte jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor door het slachtoffer geleden schade, waaronder gegevens die bepalend zijn voor de aard en omvang van de geleden schade (vgl. artikel 149 Rv). Verder moet de rechter er ook bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor zorgen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest zich over die feiten en omstandigheden uit te laten. De begrijpelijkheid van de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is in zo’n geval mede afhankelijk van de manier waarop het debat over die schade is gevoerd en de stukken die in dat verband in het geding zijn gebracht.
6.5
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij buiten haar medeweten heeft gedrogeerd door het toedienen van GHB en dat hij, toen zij als gevolg daarvan in een toestand van bewusteloosheid verkeerde, zich vervolgens schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat ten tijde van het feit zestien jaar oud was, en dat dit buitengewoon vernederend en traumatisch voor haar moet zijn geweest. Het hof heeft kennelijk hierop zijn oordeel gebaseerd dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door dit bewezenverklaarde feit aan het slachtoffer is toegebracht, zoals het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel heeft overwogen. Het hof heeft de omvang van die schade naar billijkheid vastgesteld op € 5.000.
6.6
Het in deze overwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet onbegrijpelijk.
6.7
Het cassatiemiddel faalt.
7. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen van de verdachte
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
8. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, G.C. Makkink, C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2026.
Conclusie 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Falende bewijsklachten verdachte m.b.t. verkrachting (art. 242 oud Sr) en feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 oud Sr) van twee slachtoffers. Middel benadeelde partij over oordeel hof dat geen vordering ter zake immateriële schade ter beoordeling voorlag, nu benadeelde partij geen concreet schadebedrag heeft gevorderd. Dat oordeel is volgens AG onjuist. Geen belang bij cassatie nu hof wel schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd (art. 36f Sr). Conclusie strekt tot verwerping van het beroep met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02515
Zitting 9 september 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 26 juni 2024, parketnummer 22-002189-23, door het gerechtshof Den Haag wegens (feit 1 primair) “verkrachting” en (feit 2 subsidiair) “feitelijke aanranding van de eerbaarheid”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk. Verder heeft het hof een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] opgelegd op grond van door haar geleden immateriële schade. De vordering tot schadevergoeding van [benadeelde] als benadeelde partij ter zake van materiële schade heeft het hof afgewezen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte, en de advocaat R.A.J. Verploegh heeft namens de verdachte bij schriftuur en aanvullende schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep is namens de verdachte gedeeltelijk ingetrokken voor zover het de beslissingen van het hof over het onder 2 primair ten laste gelegde betreft (van welk feit de verdachte is vrijgesproken).
1.3
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft de advocaat M.P. de Klerk een middel van cassatie voorgesteld.
1.4
Het eerste cassatiemiddel van de verdachte richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 1, de verkrachting van het slachtoffer [benadeelde] . Het tweede en vierde middel van de verdachte richten zich tegen de bewezenverklaring van feit 2, de aanranding van het slachtoffer [slachtoffer] . Deze twee middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Het derde cassatiemiddel van de verdachte keert zich tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] .
1.5
Het cassatiemiddel van [benadeelde] als benadeelde partij klaagt over het oordeel van het hof dat er geen vordering van [benadeelde] voorlag ter vergoeding van immateriële schade. In het cassatiemiddel wordt kort samengevat gesteld dat het oordeel van het hof dat de door de benadeelde partij ingediende schadeclaim terzake van immateriële schade niet voldeed aan het formele vereiste dat daarin een concreet “smartengeldschadebedrag” had moeten worden vermeld, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad wordt verzocht zich daarover expliciet uit te laten.
2. Het eerste middel dat namens de verdachte is voorgesteld
2.1
Het eerste cassatiemiddel van de verdachte keert zich als gezegd tegen de bewezenverklaring onder 1 van de verkrachting van [benadeelde] . Het middel bevat de klacht dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het voorbij is gegaan aan het verweer dat de verklaringen van [benadeelde] onbetrouwbaar zijn, aan welk verweer in de kern ten grondslag ligt dat de aangeefster in haar eerste verklaringen niet heeft vermeld dat zij na het tenlastegelegde terug is gegaan naar de woning van de verdachte en toen vrijwillige seks met hem heeft gehad. Opgemerkt wordt dat het hof de vordering van [benadeelde] tot vergoeding van materiële schade vanwege deze omstandigheid heeft afgewezen. Dit roept vragen op over de bewezenverklaring. Volgens de steller van het middel is het hof (mogelijk) uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting van het begrip “dwingen” in de strafbaarstelling van verkrachting in art. 242 (oud) Sr, met name wat betreft “de vraag of wel sprake kan zijn van een strafbaar dwingen tot ondergaan van seksuele handelingen tegen een ander, als die ander kort daarna geheel vrijwillig seks met diezelfde persoon heeft.”
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 (primair) bewezenverklaard dat:
“hij op 7 april 2020 te [plaats] [benadeelde] door geweld en een andere feitelijkheid te weten
het brengen van die [benadeelde] in een staat van bewusteloosheid en/of onmacht door het heimelijk toedienen van GHB,
heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het brengen en heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [benadeelde] ”
2.3
De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen opgenomen in de bijlage bij het arrest van het hof. Als de bewijsmiddelen 1 en 2, heeft het hof processen-verbaal met verklaringen van de aangeefster bij de rechter-commissaris respectievelijk de politie voor het bewijs van het tenlastegelegde gebruikt. Het cassatiemiddel, dat als gezegd klaagt dat het hof niet gemotiveerd is ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster, ziet eraan voorbij dat het hof wel degelijk heeft gemotiveerd waarom het de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar acht – ook in het licht van de omstandigheid dat de latere vrijwillige seks tussen de verdachte en de aangeefster niet ter sprake is gekomen in haar eerste verklaringen. Het hof heeft over het gebruik van de verklaringen van de aangeefster voor het bewijs het volgende overwogen:
“Aangeefster [benadeelde] heeft, samengevat, het volgende verklaard. Zij was op 7 april 2020 bij [getuige 1] . De verdachte haalde hen op om bij hem thuis een feestje te gaan vieren. Bij de verdachte thuis kreeg aangeefster twee Bacardi-Cola’s te drinken. Ze zag dat [getuige 1] steeds in slaap viel en rare dingen zei. Het tweede glas Bacardi-Cola wat aan aangeefster werd aangeboden, werd door de verdachte in de keuken ingeschonken. Korte tijd na het drinken van dit tweede glas werd aangeefster misselijk en duizelig, waardoor ze moest gaan liggen. De verdachte heeft haar naar zijn slaapkamer gebracht. Aangeefster heeft geen herinnering aan wat er in de periode daarna gebeurde. Ze werd naakt wakker, met een branderig gevoel in haar vagina, en ze was haar ondergoed kwijt.
Het hof stelt met de rechtbank vast dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen op 7 april 2020. Aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster draagt bij dat zij aanvankelijk heeft verklaard dat zij niet precies wist wat er gebeurd is. Dat zij op een later moment pas heeft verklaard dat zij op een later moment na haar ontwaken nog vrijwillig seks met de verdachte heeft gehad, weerspreekt haar eerdere verklaringen naar het oordeel van het hof niet. Daarmee acht het hof de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te bezigen.
Het dossier bevat bovendien op essentiële onderdelen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte in de keuken GHB in het drankje van aangeefster wilde doen, dat verdachte dit met [getuige 1] besprak die hierop reageerde met "Wat doe je nu?", en dat de GHB in een waterflesje zat. Dit sluit aan bij de verklaring van aangeefster dat de verdachte het tweede glas in de keuken klaarmaakte. Bovendien is door de politie in de keuken van de verdachte een waterflesje met daarin GHB aangetroffen. Verder heeft [getuige 1] - in lijn met de verklaringen van aangeefster - verklaard dat hij in het begin van de avond ‘out’ was gegaan op de bank en dat hij vervolgens, toen hij in de badkamer aan het overgeven was, aangeefster naakt uit de slaapkamer van de verdachte zag komen.
Tegenover dit alles heeft de verdediging een alternatief scenario geschetst dat - kort gezegd - inhoudt dat aangeefster uitsluitend vrijwillig tweemaal seks, waaronder begrepen penetratie - met de verdachte heeft gehad en zij daarover een leugenachtige verklaring heeft afgelegd, omdat zij bang was voor (de reactie van) haar vriend en haar familie. Dit alternatieve scenario wordt echter nadrukkelijk weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zodat dit naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of met deze gedragingen sprake is van verkrachting zoals onder 1 primair ten laste is gelegd. Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te komen moet vast komen te staan dat de verdachte door geweld of andere feitelijkheden, of door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden, het slachtoffer heeft gedwongen om het seksueel contact te ondergaan.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van verkrachting. De verdachte heeft aangeefster buiten haar medeweten gedrogeerd door het toedienen van GHB. In die toestand van verminderd bewustzijn heeft de verdachte vervolgens seksuele handelingen met haar verricht. bestaand uit het penetreren van haar vagina met zijn penis. Het drogeren van een persoon voorkomt verzet en is dus een handeling waarmee seks wordt afgedwongen. Hierbij geldt dat het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht gelijk kan worden gesteld aan geweld (ECLI:NL:HR:2007:BA7650). Dat ook sprake was van opzet volgt uit het toedienen van GHB en het verrichten van de seksuele handelingen toen aangeefster ten gevolge hiervan in een staat van bewusteloosheid was. Concluderend komt het hof tot de hierna volgende bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde. Net als de rechtbank zal het hof de verdachte vrijspreken van het penetreren met de vinger(s) van de vagina van aangeefster.”
2.4
Het cassatiemiddel mist dus feitelijke grondslag voor zover het klaagt dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar acht. Klachten over die beoordeling van de betrouwbaarheid door het hof bevat het middel niet. Verder blijkt uit de overwegingen van het hof niet, dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over het “dwingen” tot het ondergaan van seksuele handelingen als bedoeld in art. 242 (oud) Sr. Dat, zoals het middel als mogelijkheid poneert, geen sprake kan zijn van dit dwingen als kort na de seksuele handelingen het slachtoffer wel instemt met daaropvolgende seks, is een opvatting die geen steun vindt in het recht.
2.5
Het middel faalt.
3. Het tweede en het vierde middel die namens de verdachte zijn voorgesteld
3.1
Het tweede en het vierde middel komen op tegen de bewezenverklaring onder 2 (subsidiair) van de feitelijke aanranding van de eerbaarheid van het de aangeefster [slachtoffer] . Het tweede middel richt zich specifiek op het oordeel van het hof dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is nu die verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het vierde middel bevat klachten met de strekking dat die overige bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de vaststelling dat de aangeefster in de slaapkamer is aangerand door de verdachte.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 (subsidiair) bewezenverklaard dat:
“hij op 3 januari 2020 te ’ [plaats] , [slachtoffer] door geweld en een andere feitelijkheid te weten
- het heimelijk toedienen van GHB waardoor die [slachtoffer] zich misselijk en/of verlamd voelde en
- het optillen van die [slachtoffer] en haar (vervolgens) op zijn bed te smijten
heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten
- het zoenen van die [slachtoffer] in haar nek en/of gezicht en
- het met zijn hand(en) (al dan niet onder/over de kleding heen) de borst(en) en schaamstreek, en/of het (verdere) lichaam van die [slachtoffer] te betasten/aanraken.”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:1.
“1. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 mei 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020096636-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 154 en verder):
als de op 26 mei 2021 afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
Mijn neef (het hof: [getuige 1] ) stelde een jaar of twee of iets langer geleden voor of ik met een vriend van hem een drankje wilde doen. Ik. heb toen die [verdachte] (het hof: [verdachte] ) voor de eerste keer ontmoet. De bedoeling was dat we naar zijn huis zouden gaan. Hij woonde in [plaats] , naast de [a-straat] .
V: Je zegt dat het een jaar of twee of iets langer geleden is. Kun je specifieker zijn?
A: Ik ging op 3 januari 2020 met mijn Neef en [verdachte] mee.
V: Wie is jouw neef?
A: Dat is [getuige 1] en dat is waar het allemaal om gaat. We kwamen bij [verdachte] thuis aan. [verdachte] bood mij een drankje aan. Hij pakte appelsap of Dubbelfriss uit de koelkast en schonk dat in. Ik dacht dat komt uit de koelkast en dat zal wel goed zijn. Ik liep daar mee naar de huiskamer. Ik nam een slok en dat proefde normaal. Ik ging terug naar de huiskamer. [getuige 1] nam ook een drankje. Ineens werd ik verschrikkelijk misselijk. Dat was een minuut of 5 à 10 na het slokje van dat drankje. Ik werd duizelig en voelde mij echt niet ok. Ik ging toen out, althans ik was een soort van bij. Maar mijn lichaam voelde een soort van verlamd. Ik kon nog wel praten, maar niet goed. Het voelde alsof ik dronken was. Ik raakte in paniek want ik had nooit harddrugs gebruikt. Ik vroeg: "wat heb je in godsnaam gedaan met me." Hij vroeg van voel je je niet lekkerder. Hij begon mij uit te lachen. Ik kon amper iets doen. Hij kwam met een spuit zonder naald. Zo'n spuit die de hoeveelheden bepaald waarmee je medicijnen kunt doseren. Daar kwam hij mee naar mijn mond toe. Ik zei nee, maar ik was zo slap dat ik mijn lichaam niet kon bewegen, maar ik kon mijn mond wel dichthouden. Ik werd op zijn bed gesmeten en ik was helemaal in paniek. [verdachte] deed de deur dicht en ging de hele tijd aan mijn lichaam zitten en aan te randen.
V: Je lag op bed en [verdachte] ging jou aanranden zei je. Waar zit hij aan jouw lichaam?
A: Aan mijn borsten, hij zoende mij veel in mijn nek en in mijn gezicht.
A: Hij zei letterlijk "wil je geen seks?" en hij wilde dat ik hem zou aftrekken.
V: Dus [verdachte] zat eerst aan jouw borsten en vagina over de kleding en daarna ging hij met zijn hand onder jouw shirt?
A: Ja.
V: En hoe zat dat dan met jouw BH als je die droeg?
A: Daar ging hij dus onder door. Hij begon ook pijn te doen, in de zin dat hij heel hard kneep.
V: Hoe bedoel je?
A: In mijn borst.
V: En hoe zat het dan met jouw onderbroek?
A: Daar zat hij ook al onder, maar dat deed hij heel snel.
V: Dus hij zat onder jouw onderbroek in de buurt van jouw schaamstreek
A: Ja klopt.
V: Bij welk deel van jouw schaamstreek zat hij dan?
A: Onder mijn navel. Nog niet op of in mijn vagina, dat niet want ik draaide met mijn heup weg.
als door de getuige overgelegde bijlage bij dit verhoor:
(…)
4 januari 2020
Sorry van net slaap lekker
Kon me niet inhouden je maakte me kk geilll…
Normaal kan ik het stoppe maar net dat spul lukte het echt niet sorry .. (…)
Weet dat je echt een leuke meid bent nim…en zou echt een moord doen voor iemand zoals jou slaap lekker en vaarwel…(…)
2. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 juli 2023 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Ik was met [getuige 1] en [slachtoffer] in mijn huis op 3 januari 2020. Toen [getuige 1] out ging van de GHB heb ik met [slachtoffer] zitten zoenen en het is verder gegaan dan dat; we hebben elkaar ook aangeraakt op de bank.
3. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 3 februari 2022.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven-:
als de op 3 februari 2022 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] :
U vraagt of er later nog iets is besproken met [verdachte] . Wij waren die avond nog uit geweest. [slachtoffer] had uitgelegd dat [verdachte] iets had geprobeerd bij haar. [slachtoffer] gaf aan dat zij het niet wilde. Dat [verdachte] haar probeerde aan te randen.
U vraagt of [verdachte] nog iets heeft verteld over iets in drankjes doen. Ja. Hij heeft mij zelf gezegd dat hij GHB in het drankje van [slachtoffer] heeft gedaan.
U vraagt wanneer dit is gezegd door hem. Toen wij in de auto waren om [slachtoffer] naar huis te brengen.
U vraagt of ik kan vertellen hoe het is gegaan in januari in de woning van [verdachte] met de drankjes. De drankjes waren ingeschonken in de keuken door [verdachte] .
4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 mei 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020096636-36.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 166 en verder):
als de op 25 mei 2021 afgelegde verklaring van [getuige 1] :
V: Wie had je de vorige keer geregeld?
A: [slachtoffer] .
A: Wat ik nog weet is dat we met zijn auto naar zijn huis gereden, het ging hetzelfde. [verdachte] heeft toen GHB in haar drankje gedaan.
3.4
Het hof heeft verder het volgende overwogen over de bewezenverklaring van feit 2 (subsidiair).
“Namens de verdachte is ook ten aanzien van dit feit - op gronden zoals nader vermeld in de pleitnotities van de raadsman - vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Aangeefster [slachtoffer] heeft, samengevat, het volgende verklaard. Getuige [getuige 1] stelde op 3 januari 2020 voor om samen met een vriend van hem - zijnde de verdachte - een drankje te gaan doen. De verdachte heeft hen toen opgehaald en mee naar zijn huis genomen. Bij de verdachte thuis kreeg aangeefster vervolgens een drankje. Redelijk snel na het drinken hiervan werd de aangeefster misselijk en duizelig. Toen zij aan de verdachte vroeg wat hij met haar gedaan, erkende hij dat hij GHB in haar drankje had gedaan. Aangeefster voelde zich verlamd. De verdachte heeft haar vervolgens naar zijn bed gebracht, haar op het bed gesmeten en haar vervolgens ondanks haar verzet op erogene plekken op haar lichaam betast. Uiteindelijk moest aangeefster overgeven, waarna de verdachte zijn handelingen heeft gestaakt en naar de huiskamer van de woning is gegaan.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen op 3 januari 2020, zowel in haar verklaring van 26 mei 2021 als later op 24 maart 2022 bij de rechter-commissaris. Dat aangeefster slechts aangifte deed om ten gunste van haar neef [getuige 1] te verklaren - zoals betoogd door de verdediging - is niet aannemelijk geworden. Aangeefster heeft immers ook belastend verklaard over [getuige 1] . Het enkele gegeven dat enkele details uit de verklaringen van aangeefster niet volledig stroken met wat is waar te nemen op foto’s van de slaapkamer van de verdachte - die bovendien geruime tijd na 3 januari 2020 zijn gemaakt - maakt het vorenstaande niet anders. De verklaring van aangeefster over een zich in de slaapkamer bevindend waterbed - zoals overigens ook later is geconstateerd door verbalisanten (p. 288 dossier) - is bovendien een bevestiging voor de omstandigheid dat aangeefster die dag daadwerkelijk in de slaapkamer van de verdachte is geweest. Concluderend acht het hof de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen.
Het dossier bevat bovendien op essentiële onderdelen steun voor de verklaringen van aangeefster. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte haar een drankje met GHB gaf. Toen zij dit proefde wilde zij een nieuw glas, waarna de verdachte haar gepusht heeft om het wel te nemen. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij met aangeefster heeft gezoend in zijn huis. Verder versterkten de berichten die de verdachte later die avond aan aangeefster heeft gestuurd, de verklaring van aangeefster. Uit die berichten volgt immers dat de verdachte zijn excuses aanbood omdat hij ‘door dat spul’ niet kon stoppen. Het door de verdediging geschetste alternatief scenario waarin aangeefster aanvankelijk vrijwillig seks zou willen hebben gehad met de verdachte, maar dat zij hier van af zagen toen er geen condoom voorhanden bleek te zijn, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen en is derhalve naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.
(…)
Het vorenstaande levert evenwel een aantal ontuchtige handelingen op, waartoe de verdachte aangeefster heeft gedwongen. Voor wat betreft de dwang verwijst het hof naar hetgeen hieromtrent bij de beoordeling van feit 1 in algemene zin is overwogen. Het hof komt derhalve tot de hierna volgende bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde.”
3.5
Het tweede middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof bij de hiervoor weergegeven beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster ten onrechte heeft aangenomen dat de aangeefster heeft verklaard over een zich in de slaapkamer van de verdachte bevindend waterbed. Het gaat specifiek om de volgende overweging:
“De verklaring van aangeefster over een zich in de slaapkamer bevindend waterbed - zoals overigens ook later is geconstateerd door verbalisanten (p. 288 dossier) - is bovendien een bevestiging voor de omstandigheid dat aangeefster die dag daadwerkelijk in de slaapkamer van de verdachte is geweest.”
3.6
Ik heb in de uitspraken van de rechtbank en het hof, en in wat aan de orde is gekomen op de terechtzittingen, waaronder het onderliggende dossier, tevergeefs gezocht naar een aanknopingspunt waaruit het hof heeft kunnen afleiden dat de aangeefster heeft verklaard over een zich in de slaapkamer van de verdachte bevindend waterbed. In haar verklaring bij de politie van 26 mei 2021 en haar verklaring bij de rechter-commissaris van 24 maart 2022 spreekt zij over een boxspring, zonder dat blijkt dat zij heeft opgemerkt dat dit (tevens) een waterbed betrof. De overweging van het hof is in zoverre niet zonder meer begrijpelijk.
3.7
Tot cassatie hoeft dat mijn inziens niet te leiden. Daarbij is van belang dat het hof uitgebreid heeft gemotiveerd waarom het de verklaringen van de aangeefster dat de verdachte haar heeft aangerand betrouwbaar acht, terwijl het hof de (gestelde) verklaring van de aangeefster over het waterbed alleen opvoert ter ondersteuning van één bepaald onderdeel van haar verklaring, namelijk dat de aangeefster in de slaapkamer zou zijn geweest. Ook zonder dit specifieke onderdeel, is het oordeel van het hof dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn toereikend gemotiveerd. Het hof heeft overwogen dat de verklaringen van de aangeefster consistent en gedetailleerd zijn, en dat een door de verdediging opgeworpen reden voor de aangeefster om niet naar waarheid te verklaren onaannemelijk is. Het gegeven dat “enkele details” uit de verklaringen van aangeefster niet volledig stroken met wat is waar te nemen op foto’s van de slaapkamer van de verdachte heeft het hof niet op andere gedachten gebracht, waarbij het hof heeft betrokken dat de foto’s geruime tijd na het tenlastegelegde op 3 januari 2020 zijn gemaakt. Dat oordeel is, anders dan het middel stelt, namelijk dat het niet slechts zou gaan om “enkele details”, met inachtneming van de aan de feitenrechter toekomende vrijheid in de waardering van bewijsmateriaal, niet onbegrijpelijk. Verder heeft het hof - evenmin onbegrijpelijk - steun voor de verklaringen van de aangeefster gevonden in de verklaring van getuige [getuige 1] dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij GHB in het drankje van het slachtoffer heeft gedaan, een tekstbericht van de verdachte aan de aangeefster waarin hij zijn excuses aanbiedt omdat hij “door dat spul” niet kon stoppen, en de verklaring van de verdachte zelf dat hij de aangeefster gezoend heeft. Bij dit laatste kan niet onvermeld blijven dat uit die als bewijsmiddel 2 gebruikte verklaring van de verdachte volgt dat ook volgens de verdachte het “verder (is) gegaan” dan zoenen en dat zij elkaar ook hebben aangeraakt op de bank.
3.8
Aan de klachten die verder in het tweede middel naar voren worden gebracht ligt ten grondslag dat uit de hiervoor genoemde ondersteunende omstandigheden niet rechtstreeks volgt dat de verdachte de aangeefster in de slaapkamer heeft aangerand. Voor zover het middel hiermee een ‘dubbele bevestiging’ verlangt op specifiek dit onderdeel van de verklaringen van de aangeefster, stelt het middel een te strenge eis aan het oordeel van de rechter over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. Het hof heeft in dit geval de verklaringen op innerlijke betrouwbaarheid getoetst en verder klaarblijkelijk geoordeeld dat de verklaringen van de aangeefster op onderdelen worden ondersteund door ander bewijs, wat het hof tot het oordeel heeft gebracht dat de verklaringen van de aangeefster voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.2.
3.9
Ook het vierde middel bevat klachten dat de bewezenverklaring niet toereikend is gemotiveerd nu de bewijsmiddelen - behoudens de verklaringen van de aangeefster - niet rechtstreeks bevestigen dat de verdachte de aangeefster in zijn slaapkamer heeft aangerand. Ook hier stelt het middel een te strenge eis aan het oordeel van de rechter dat het tenlastegelegde feit bewezen is. Het hof heeft kunnen oordelen dat de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de getuige [getuige 1] waaruit volgt dat de verdachte de aangeefster heeft gedrogeerd met GHB, de verklaring van de verdachte dat hij op de bank verder is gegaan dan zoenen, en het feit dat hij een bericht heeft gestuurd dat hij door het gebruikte spul niet kon stoppen, de verklaringen van de aangeefster ondersteunen en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Van een schending van art. 342 lid 2 Sv, dat meebrengt dat de bewezenverklaring niet uitsluitend door het hof mag worden aangenomen op de verklaring van de aangeefster, is gelet op deze bewijsmiddelen geen sprake. Voor het overige stuit het middel af op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter.
3.10
Het tweede en vierde middel van de verdachte falen.
4. Het derde middel dat namens de verdachte is voorgesteld
4.1
Het derde cassatiemiddel van de verdachte klaagt dat het hof geen schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] (het slachtoffer van feit 1) had mogen opleggen. Volgens het middel is geen sprake van “materiele verschuldigdheid” van deze immateriële schade, waarbij wordt aangevoerd dat het slachtoffer als benadeelde partij deze schade niet heeft gesteld of gevorderd en ook niet wenste te vorderen. Verder zou de oplegging van de maatregel onbegrijpelijk zijn, nu het slachtoffer er geen blijk van zou hebben gegeven aanspraak te maken op deze schadevergoeding.
4.2
Op de vraag of de benadeelde partij immateriële schadevergoeding heeft gevorderd zal ik hierna ingaan bij de bespreking van het middel van de benadeelde partij. Ik meen hier te kunnen volstaan met de constatering dat de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr door de rechter ook kan worden opgelegd indien het slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd en dat het evenmin vereist dat het slachtoffer zich als benadeelde partij heeft gevoegd in het strafproces ter zake van schade.3.Voor zover het middel stelt dat het slachtoffer zelf geen schadevergoeding voor immateriële schade wenste, berust het op feiten die in hoger beroep niet zijn aangevoerd of vastgesteld en die ook niet zonder meer voortvloeien uit wat in hoger beroep aan de orde is gekomen. Integendeel, het slachtoffer heeft als benadeelde partij op de terechtzitting in hoger beroep verklaard: “Als ik een vordering zou indienen voor geleden immateriële schade, dan zou deze ter hoogte van het door de rechtbank toegewezen bedrag zijn” [AG TS: € 5.000].4.In zoverre ontbeert het middel feitelijke grondslag.
4.3
Het cassatiemiddel faalt.
5. Het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld.
5.1
Het cassatiemiddel van de benadeelde partij komt op tegen het oordeel van het hof dat geen vordering tot vergoeding van immateriële schade ter beoordeling voorlag omdat de benadeelde partij noch op het voegingsformulier noch ter terechtzitting in eerste aanleg een concreet schadebedrag heeft gevorderd.
5.2
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden bevindt zich het ‘Verzoek tot schadevergoeding’, getekend 15 september 2021, dat namens de benadeelde partij in eerste aanleg is ingediend. Op dit voorgedrukte voegingsformulier is bij de post ‘immateriële schade (smartengeld)’ door het slachtoffer een omschrijving van immateriële schade gegeven. Heel kort gezegd stelt zij dat haar vertrouwen in personen, en in het bijzonder in (mannelijke) vrienden is geschaad. Bij die post is niet een concreet schadebedrag genoemd. Op de plekken waar het formulier ruimte biedt een bedrag voor immateriële schadevergoeding te vermelden, zijn telkens vraagtekens geplaatst. Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft de vertegenwoordiger van het slachtoffer (haar moeder) ook niet een specifiek schadebedrag genoemd. De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen één en ander op te vatten als een verzoek van de benadeelde partij aan de rechtbank om de immateriële schade te schatten en heeft een bedrag van € 5.000 toegewezen. Op de terechtzitting in hoger beroep was het slachtoffer zelf aanwezig. Zij heeft toen verklaard, zoals ik hiervoor onder 4.2 al weergaf, dat als zij een vordering tot immateriële schadevergoeding zou indienen, dit zou zijn ter hoogte van het door de rechtbank toegewezen bedrag.
5.3
Het hof heeft in zijn arrest voor een andere benadering gekozen dan de rechtbank. Het arrest van het hof houdt over de vordering van de benadeelde partij het volgende in:
“Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 40,00. Ter zake van immateriële schade is door de benadeelde partij noch op het voegingsformulier, noch ter terechtzitting in eerste aanleg een concreet bedrag ter zake van immateriële schade gevorderd. Het hof stelt daarmee vast dat er thans geen vordering ter zake van immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt. In hoger beroep is deze vordering daarom aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 40,00 ter zake van materiële schade.”
5.4
Volgens het hof brengt het feit, dat er door de benadeelde partij geen concreet schadebedrag is genoemd op het voegingsformulier of op de terechtzitting in eerste aanleg, dus mee dat er geen vordering tot vergoeding van immateriële schade voorlag. Het cassatiemiddel bestrijdt dit oordeel terecht. Noch het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering noch het Wetboek van Strafvordering stelt de formele eis dat de benadeelde die een vordering tot vergoeding van geleden schade indient, een concreet schadebedrag moet noemen. In verband met de taak die op grond van art. 6:97 BW op de rechter rust de schade te begroten of te schatten, wordt verder aangenomen dat ook voor de toewijsbaarheid van de vordering in het algemeen niet vereist is dat de benadeelde zelf de schadeposten begroot en (daarmee) een concreet te vergoeden schadebedrag vordert.5.Hij kan schadevergoeding vorderen voor geleden schade, maar het aan de rechter overlaten om op grond van art. 6:97 BW de schade te begroten of, als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, te schatten.6.De civiele kamer van de Hoge Raad heeft zich in een uitspraak van 27 november 2009 al eens in die richting uitgelaten in een geval waarin het ging om een vordering tot vergoeding van immateriële schade.7.Art. 6:106 BW houdt in dat de benadeelde recht heeft op een “naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding” in het geval immateriële schade is geleden. In de zaak die ten grondslag lag aan dit arrest, vorderde de benadeelde (onder meer) immateriële schadevergoeding na onrechtmatig handelen dat had geleid tot zijn ontslag bij een nieuwe werkgever. In de schadestaatprocedure oordeelde het hof dat de vordering in zoverre niet toewijsbaar was omdat de benadeelde niet het beloop van de schadeposten had opgegeven. Daar ging de Hoge Raad niet in mee. Het hof had volgens de Hoge Raad miskend dat de vordering strekte tot een vergoeding naar billijkheid.
5.5
Het oordeel van het hof dat geen vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade voorlag omdat door de benadeelde partij niet een concreet schadebedrag was gevorderd, is dus onjuist. Wellicht ziet de Hoge Raad aanleiding gevolg te geven aan het verzoek van de steller van het middel om zich uitdrukkelijk uit te laten over dit punt. Bij cassatie heeft de benadeelde partij evenwel onvoldoende belang - zoals ook de steller van het middel lijkt in te zien – nu het hof aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr ten behoeve van de benadeelde partij heeft opgelegd, tot het bedrag van € 5.000. Dit is het bedrag dat de benadeelde partij zou hebben willen vorderen, volgens haar verklaring op de terechtzitting in hoger beroep.
6. Slotsom
6.1
De cassatiemiddelen van de verdachte falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het cassatiemiddel van de benadeelde partij is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie en kan eveneens worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2025
Vgl. HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2842 over de rechterlijke vrijheid bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen.
Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 (rov. 2.9.2), NJ 2019/379 m.nt. W.H. Vellinga.
Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2024, pag. 4.
Zie de conclusie van advocaat-generaal T. Hartlief (ECLI:NL:PHR:2021:845, randnr. 3.4) vóór HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:272. Zie verder T.F.E. Tjong Tjin Tai, De schadestaatprocedure, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 69; S.D. Lindenbergh, Smartengeld, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 232; G.J.M. Verburg, Vaststelling van smartengeld (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 106, par. 3.4.3. Zie ook de Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel ‘Herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg’ (Kamerstukken I, 2001/02, 26855, nr. 16, p. 25), m.b.t. het huidige art. 24 lid 1 Rv, waarin de Minister te kennen geeft dat de rechter niet buiten de door dat artikel(lid) getrokken grenzen van de rechtsstrijd treedt, als hij zelf een bedrag toekent indien in het in het verzoek of de vordering zelf besloten ligt dat de rechter de vrijheid heeft het bedrag zelf naar billijkheid vast te stellen.
Zie de conclusie van advocaat-generaal F.F. Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2017:943), randnr. 2.2, voorafgaand aan HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2903.
HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7539, rov. 3.6.
Beroepschrift 13‑06‑2025
Hoge Raad der Nederlanden
Datum 13 juni 2025 | Ons kenmerk MK.31217 [benadeelde]/advies | Uw kenmerk 24/02515 rolnr. 22-002189-23 parketnr. 09/138147-21 |
Edelhoogachtbaar college,
Zoals ik u eerder berichtte, treed ik op als raadsman van de benadeelde partij [benadeelde] in de opgemelde zaak. Dank voor verstrekking van de stukken.
Ik bied u onderstaand de cassatieschriftuur aan, houdende haar middelen over een rechtspunt hetwelk uitsluitend haar vordering betreft ex artikel 437 lid 3 Sv. Cliënte heeft mij hiertoe bepaaldelijk gemachtigd.
1. Beslissingen van het hof over de schade van de benadeelde [benadeelde]
1.1.
Het gerechtshof heeft geconstateerd dat de namens de benadeelde partij [benadeelde] ingediende schadeclaim niet voldeed aan het formele vereiste dat een concreet smartengeldschadebedrag moet worden vermeld. De verdediging heeft hier terecht op gewezen bij pleidooi in hoger beroep. Als gevolg daarvan heeft het hof de toewijzing door de rechtbank van de schadeclaim vernietigd.
1.2.
Tegelijkertijd heeft het hof geconstateerd dat de veroordeelde met het strafbare feit evident immateriële schade heeft berokkend aan de benadeelde partij, en daarom heeft het hof de opgelegde schadevergoedingsmaatregel bekrachtigd.
2. Vaste rechtspraak
2.1.
Met de genomen beslissingen heeft het hof uitvoering gegeven aan de vaste rechtspraak over dit onderwerp. Vrijwel exact hetzelfde heeft het gerechtshof Den Bosch bijvoorbeeld gedaan in ECLI:NL:GHSHE:2015:292.
2.2.
Nadien heeft de Hoge Raad het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij gewezen, en daarin staat onder 2.9.2 glashelder uitgelegd dat de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sv geheel losstaat van de voegingsprocedure.
2.3.
Vervolgens was in ECLI:NL:GHSHE:2022:9381. exact hetzelfde aan de orde als in de zaak van benadeelde [benadeelde]. Het gerechtshof Den Bosch heeft daarop dezelfde beslissingen genomen als het gerechtshof Den Haag in de onderhavige zaak van benadeelde [benadeelde]. Zoals viel te voorzien, heeft de Hoge Raad die beslissingen in cassatie in stand gelaten2..
3. Cassatieklacht van de verdediging
3.1.
De cassatieklacht van de verdediging gaat uit van de aanname dat het voor oplegging van de schadevergoedingsmaatregel noodzakelijk is dat een voegingsvordering moet zijn ingediend die aan alle formele vereisten voldoet. Zoals hiervoor is uiteengezet, is deze aanname onjuist. De cassatieklacht van de verdediging kan op dit punt dus onmogelijk slagen.
4. Cassatieklacht namens de benadeelde partij
4.1.
Er is echter wel een andere reden om het arrest van het hof op dit punt te vernietigen, en wel op grond van de navolgende cassatieklacht die namens de benadeelde partij wordt voorgesteld.
4.2. Grenzen van de rechtsstrijd
4.2.1.
Het hier aan de orde zijnde formele vereiste zoals steevast gehanteerd door rechtbanken en hoven dat de benadeelde partij een concreet bedrag aan smartengeld moet opgeven, heeft een onduidelijke herkomst. De oorsprong lijkt te zijn ontleend aan artikel 24 lid 1 Rv, dat luidt:
‘De rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. ’
4.2.2.
Meer specifiek lijkt het vereiste te zijn ontleend aan een onzorgvuldige lezing van een zinsnede uit de wetsgeschiedenis van artikel 24 Rv lid 1. De Memorie van Antwoord vermeldt over artikel 24 Rv (artikel 1.3.6. in het wetsontwerp):
‘Hij [de rechter] moet, ook bij het aanvullen van rechtsgronden (…) blijven binnen de grenzen van de rechtsstrijd. Zo mag hij bijvoorbeeld niet meer toewijzen dan is gevraagd. ’3.
4.2.3.
Uit nauwkeurige lezing van deze toelichting volgt dat het voorschrift betrekking heeft op het aanvullen van de rechtsgronden, en niet per se ook op het vaststellen van een bedrag. Dat het artikel 24 Rv inderdaad niet bedoeld als zou het zich ook uitstrekken tot de hoogte van bedragen, blijkt uit de nadere toelichting van de Minister naar aanleiding van Kamervragen van de CDA-fractie4.:
‘Artikel 1.3.6
Door de leden van de CDA-fractie is er op gewezen dat in de memorie van toelichting (blz. 56) is opgemerkt dat de rechter niet meer mag toewijzen dan is gevraagd. Deze leden wensen te vernemen hoe absoluut dit verbod is. Zij wijzen op artikel 7:685 lid 8 BW, dat spreekt van een vergoeding die de kantonrechter billijk voorkomt, alsmede op het feit dat het wel voorkomt dat in het petitum van de dagvaarding of het verzoekschrift naast het gevraagde bedrag tevens een bedrag dat de rechter in goede justitie zal vaststellen wordt genoemd. Ik meen dat in de aangegeven gevallen niet aan deze regel wordt voorbijgegaan. In de aangehaalde passage van de memorie van toelichting wordt overigens niet gedoeld op een absoluut verbod — zowel het huidige artikel 176, eerste lid, als artikel 1.3.6 laat ruimte voor uitzonderingen -, maar is vooral bedoeld een uitwerking te geven van het aldaar genoemde beginsel dat de rechter niet buiten de door de partijen aangegeven grenzen van de rechtsstrijd mag treden. Van dit laatste is geen sprake in gevallen als door de leden genoemd, waarbij in het verzoek of de vordering zelf besloten ligt dat de rechter de vrijheid heeft het bedrag zelf naar billijkheid vast te stellen.’
4.2.4.
Voor zover er nog twijfel zou kunnen bestaan, wordt die twijfel geheel weggenomen door deze toelichting. Aangenomen moet worden dat er geen enkele belemmering voor de rechter bestaat om te beslissen zoals de rechtbank in deze zaak heeft gedaan door een smartengeldbedrag te schatten en toe te wijzen. Het gerechtshof heeft deze beslissing dan ook ten onrechte vernietigd.
4.3. Toepassing op smartengeld
4.3.1.
Van immateriële schade wordt algemeen aangenomen dat het bij uitstek een schadepost is die zich nooit heel nauwkeurig laat vaststellen, maar waarvan de hoogte geschat moet worden. Ook is algemeen aanvaard dat de rechter bij die schatting een zeer grote vrijheid heeft. Dat strookt niet met het veronderstelde voorschrift dat de benadeelde partij een concreet bedrag moet opgeven.
4.3.2.
Daarbij komt dat de hoogte van smartengeld reeds voor gespecialiseerde juristen moeilijk grijpbaar is: weinig andere onderwerpen hebben de afgelopen decennia zo veel rechtspraak en literatuur uitgelokt. Tegen die achtergrond is het onjuist om slachtoffers in strafzaken (waarin procesvertegenwoordiging niet verplicht is) te verbieden om de begroting en de vaststelling van de hoogte van hun immateriële schade in goed vertrouwen aan de feitenrechter over te laten, zoals de wetgever klaarblijkelijk bedoeld heeft.
4.3.3.
Voor wettelijke rente is dit al geaccepteerd. Immers, het volstaat dat de eisende partij mededeelt dat hij aanspraak maakt op vergoeding van wettelijke rente. (Voor oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is dit niet eens nodig.) Eiser hoeft in ieder geval geen concreet bedrag aan wettelijke rente te noemen. Niet valt in te zien waarom dit voor immateriële schade anders zou moeten zijn.
4.3.4.
Als het aan slachtoffers is (of wordt) toe gestaan om hun smartengeldvordering blanco aan de echter voor te leggen, en als het aan de feitenrechter expliciet is (of wordt) toegestaan om vervolgens ambtshalve de hoogte van smartengeld te schatten en vast te stellen, dan zou dit kunnen bijdragen aan de zeer gewenste ontwikkeling van het smartengeldleerstuk.
5.
Deze zaak nodigt de Hoge Raad uit om deze lezing expliciet te bevestigen door het arrest van het hof op dit punt te vernietigen en zelf af te doen met inachtneming van het voorgaande. Ik verzoek de Hoge Raad dan ook om aldus te beslissen.
Hoogachtend,
M.P. de Klerk
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑06‑2025
Zie onder: ‘[De vordering van de benadeelde partij 9]’
Beroepschrift 06‑04‑2025
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage (straf)
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Griffienummer: 24-02515
Rolnummer: 22-002189-23
AANVULLENDE SCHRIFTUUR VAN CASSATIE:
Edelhoogachtbaar College,
Daartoe door de rekwirant in cassatie, [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, bepaaldelijk gevolmachtigd, heeft ondergetekende, mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's‑Gravenhage aan de Koninginnegracht 5, hierbij de eer aan Uw Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een aanvullend schriftuur in cassatie ten vervolge op het ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 juni 2024 .
Middel IV
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebreng;
De bewezenverklaring door het Gerechtshof houdt in dat:
hij op 3 januari 2020 te [a-plaats], [slachtoffer] door geweld en een andere feitelijkheid, te weten
- —
het heimelijk toedienen van GHB waardoor die [slachtoffer] zich misselijk en/of verlamd voelde en
- —
het optillen van die [slachtoffer] en haar (vervolgens) op zijn bed te smijten
heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten
- —
het zoenen van die [slachtoffer] in haar nek en/of gezicht en
- —
het met zijn hand(en) (al dan niet onder/over de kleding heen) de borst(en) en schaamstreek, en/of het (verdere) lichaam van die [slachtoffer] te betasten/aanraken.
Het middel richt zich tegen de deze bewezenverklaring door het Gerechtshof.
Toelichting :
Het middel richt zich erop dat onbegrijpelijk is dat het Hof tot een bewezenverklaring van de feiten is gekomen, althans dat dit onvoldoende, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd. In het bijzonder omdat geen sprake is van voldoende wettig bewijs en het aanvullend bewijs een onbegrijpelijke motivering heeft of niet redengevend is voor de kern van bewezenverklaring.
Het Gerechtshof heeft overwogen:
‘Namens de verdachte is ook ten aanzien van dit feit — op gronden zoals nader vermeld in de pleitnotities van de raadsman — vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Aangeefster [slachtoffer] heeft, samengevat, het volgende verklaard. Getuige [getuige 1] stelde op 3 januari 2020 voor om samen met een vriend van hem — zijnde de verdachte — een drankje te gaan doen. De verdachte heeft hen toen opgehaald en mee naar zijn huis genomen. Bij de verdachte thuis kreeg aangeefster vervolgens een drankje.
Redelijk snel na het drinken hiervan werd de aangeefster misselijk en duizelig. Toen zij aan de verdachte vroeg wat hij met haar gedaan, erkende hij dat hij GHB in haar drankje had gedaan. Aangeefster voelde zich verlamd. De verdachte heeft haar vervolgens naar zijn bed gebracht, haar op het bed gesmeten en haar vervolgens ondanks haar verzet op erogene plekken op haar lichaam betast. Uiteindelijk moest aangeefster overgeven, waarna de verdachte zijn handelingen heeft gestaakt en naar de huiskamer van de woning is gegaan.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen op 3 januari 2020, zowel in haar verklaring van 26 mei 2021 als later op 24 maart 2022 bij de rechter-commissaris. Dat aangeefster slechts aangifte deed om ten gunste van haar neef [getuige 1] te verklaren — zoals betoogd door de verdediging — is niet aannemelijk geworden. Aangeefster heeft immers ook belastend verklaard over [getuige 1]. Het enkele gegeven dat enkele details uit de verklaringen van aangeefster niet volledig stroken met wat is waar te nemen op foto's van de slaapkamer van de verdachte — die bovendien geruime tijd na 3 januari 2020 zijn gemaakt — maakt het vorenstaande niet anders. De verklaring van aangeefster over een zich in de slaapkamer bevindend waterbed — zoals overigens ook later is geconstateerd door verbalisanten (p. 288 dossier) — is bovendien een bevestiging voor de omstandigheid dat aangeefster die dag daadwerkelijk in de slaapkamer van de verdachte is geweest. Concluderend acht het hof de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen.
Het dossier bevat bovendien op essentiële onderdelen steun voor de verklaringen van aangeefster. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte haar een drankje met GHB gaf. Toen zij dit proefde wilde zij een nieuw glas, waarna de verdachte haar gepusht heeft om het wel te nemen. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij met aangeefster heeft gezoend in zijn huis. Verder versterkten de berichten die de verdachte later die avond aan aangeefster heeft gestuurd, de verklaring van aangeefster. Uit die berichten volgt immers dat de verdachte zijn excuses aanbood omdat hij ‘door dat spul’ niet kon stoppen Het door de verdediging geschetste alternatief scenario waarin aangeefster aanvankelijk vrijwillig seks zou willen hebben gehad met de verdachte, maar dat zij hiervan af zagen toen er geen condoom voorhanden bleek te zijn, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen en is derhalve naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.’
In de kern komt de bewezenverklaring erop neer dat in de slaapkamer van rekwirant de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd. Rekwirant heeft echter steeds gesteld dat de feiten niet hebben plaatsgevonden en dat aangeefster in het geheel niet in de slaapkamer is geweest.
Het Gerechtshof heeft voor de bewezenverklaring van het feit 4 bewijsmiddelen opgevoerd.
1.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 mei 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020096636-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in — zakelijk weergegeven — (blz. 154 en verder):
als de op 26 mei 2021 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
‘Mijn neef (het hof: [getuige 1]) stelde een jaar of twee of iets langer geleden voor of ik met een vriend van hem een drankje wilde doen. Ik. heb toen die [verdachte] ‘(het hof.:’ [verdachte]) voor de eerste keer ontmoet. De bedoeling was dat we naar zijn huis zouden gaan. Hij woonde in [a-plaats], naast de [a-straat].
Je zegt dat het een jaar of twee of iets langer geleden is. Kun je specifieker zijn?
A: Ik ging op 3 januari 202.0 met mijn Neef en [verdachte] mee. V: Wie is jouw neef?
A: Dat is [getuige 1] en dat is waar hét allemaal om gaat. We kwamen bij [verdachte] thuis aan. [verdachte] bood mij 'een drankje aan. Hij pakte appelsap of Dubbelfriss uit de ‘koelkast en schonk dat in. Ik dacht dat komt uit de koelkast en dat zal wel goed zijn. Ik liep daar pee naar de huiskamer. Ik nam een slok en dat proefde normaal. Ik ging terug naar de huiskamer. [getuige 1] nam ook een drankje. Ineens werd ik verschrikkelijk misselijk. Dat was een minuut of 5 a 10 na het slokje van dat drankje. Ik werd duizelig en voelde mij echt niet ok. Ik ging toen out, althans ik was een soort van bij. Maar mijn lichaam voelde een soort van verlamd. Ik kon nog wel praten, maar niet goed. Het voelde alsof ik dronken was. Ik raakte in paniek want ik had nooit harddrugs gebruikt. Ik vroeg: ‘wat heb je in godsnaam gedaan met me.’ Hij vroeg van voel je je niet lekkerder. Hij begon mij uit te lachen. Ik kon amper iets doen… Hij kwam met een spuit zonder naald. Zo'n spuit die de hoeveelheden bepaald waarmee je medicijnen kunt doseren. Daar kwam hij mee naar mijn mond toe. Ik zei nee, maar ik was zo slap dat ik mijn lichaam niet kon bewegen, maar ik kon mijn, mond wel dichthouden. Ik werd op zijn bed gesmeten en ik was helemaal in paniek. [verdachte] deed de deur dicht en ging dé hele tijd aan mijn lichaam zitten en aan te randen.
Je lag op bed en [verdachte] ging jou aanranden zei je. Waar zit hij aan jouw lichaam?
A: Aan mijn borsten, hij zoende mij veel in mijn nek en in mijn gezicht. ’
A: Hij zei letterlijk ‘wil je geen seks?’ en hij wilde dat ik hem zou aftrekken.
Dus [verdachte] zat eerst aan jouw borsten en vagina over de kleding en daarna ging hij met zijn hand onder jouw shirt?
A : Ja.
En hoe zat dat dan met jouw BH als je die droeg?
A: Daar ging hij dus onder door. Hij begon, ook pijn te doen, in de zin dat hij heel hard kneep.,
V: Hoe bedoel je?
A: In mijn borst. ’
En hoe zat het dan met jouw onderbroek?
A: Daar zat hij ook al onder, maar dat deed hij heel snel.
Dus hij zat onder jouw onderbroek in de buurt van jouw schaamstreek?
A: Ja klopt.
Bij welk deel van jouw schaamstreek zat hij dan?
A: Onder mijn navel. Nog niet op Of in mijn vagina., dat niet want ik draaide met mijn heup weg.’
als door de getuige overgelegde bijlage bij dit verhoor:

2.
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 juli 2023 verklaard -zakelijk weergegeven-:
‘Ik was met [getuige 1] en [slachtoffer] in mijn huis op 3 januari 2020. Toen [getuige 1] out ging van de GHB heb ik met [slachtoffer] zitten zoenen en het is verder gegaan dan dat we hebben elkaar ook aangeraakt op de bank.’
3.
Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag van 3 februari 2022. Dit proces-verbaal houdt onder meer in — zakelijk weergegeven-:
als de op 3 februari 2022 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1]:
‘U vraagt of er later nog iets is besproken met [verdachte]. Wij waren die avond nog uit geweest. [slachtoffer] had uitgelegd dat [verdachte] iets had geprobeerd bij haar. [slachtoffer] gaf aan dat zij het niet wilde. Dat [verdachte] haar probeerde aan te randen.
U vraagt of [verdachte] nog iets heeft verteld over iets in drankjes doen. Ja. Hij heeft mij zelf gezegd dat hij GHB in het drankje van [slachtoffer] heeft gedaan.
U vraagt, wanneer dit is gezegd: door hem. Toen wij in de auto waren om [slachtoffer] naar huis te brengen.
U vraagt of ik kan vertellen hoe het is gegaan, in januari in de woning van [verdachte] met de drankjes. De drankjes waren ingeschonken in de keuken door [verdachte].’
4.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 mei 2021 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2020096636-36. Dit proces-verbaal houdt onder meer in — zakelijk weergegeven — (blz. 166 en verder):
als de op 25 mei 2021 afgelegde verklaring van [getuige 1]:
‘V: Wie had je de vorige keer geregeld?
A: [slachtoffer] [slachtoffer].
A: Wat ik nog weet is dat we met zijn auto naar zijn huis gereden, het ging hetzelfde. [verdachte], heeft toen GHB in haar drankje gedaan.’
De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster (bewijs iddel 1) is de door de raadsman blijkens de pleitaantekeningen ook betwist (zie ook middel II)
Het hof heeft echter die verklaring van aangeefster gebezigd voor het bewijs van het ten laste gelegde en voor de ondersteuning daarvan drie andere bewijsmiddelen (verklaringen) gebezigd. Het Hof de verklaring van aangeefster tevens aangevuld met een kopie van een Whatsapp conversatie.
Het bewijsmiddel 2 (verklaring van verdachte) verdachte zelf heeft verklaard dat hij met aangeefster heeft zitten zoenen en dat het verder is gegaan dan dat ze elkaar ook hebben aangeraakt op de bank is niet redengevend voor de omstandigheid dat in de slaapkamer de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden, nadat rekwirant aangeefster op de bank zou hebben gesmeten en niet de handelingen die in de woonkamer op de bank hebben plaatsgevonden.
Het bewijsmiddel 3 (verklaring van [getuige 1] bij RC)
‘Die verklaart dat aangeefster had uitgelegd dat rekwirant iets had geprobeerd bij haar en zij had aangegeven dat zij het niet wilde, dat rekwirant haar probeerde aan te randen. En tevens dat rekwirant hem dat hij GHB in het drankje van aangeefster heeft gedaan.’
Deze verklaring geeft een ondersteuning voor het toedienen van GHB zoals in de bewezenverklaring. Het geeft ook een ondersteuning voor de handelingen die zijn verricht in de woonkamer op de bank, waar ook verdachte over heeft verklaard, maar is niet zondermeer redengevend voor de essentie van de handelingen waar de bewezenverklaring op ziet, namelijk die in de slaapkamer hebben plaatsgevonden nadat aangeefster op bed zou zijn gesmeten door rekwirant.
Het bewijsmiddel 4 (verklaring van [getuige 1])
Deze verklaring geeft een ondersteuning voor het toedienen van GHB zoals in de bewezenverklaring. Het geeft geen ondersteuning voor de essentie van de handelingen waar de bewezenverklaring op ziet, namelijk die in de slaapkamer hebben plaatsgevonden nadat aangeefster op bed zou zijn gesmeten door rekwirant.
Het bewijsmiddel bestaande uit de berichten uitwisseling die als bijlage bij de verklaring van aangeefster zijn gevoegd. Volgens de toelichting van het Hof bij het betrouwbaarheidsoordeel over de over de verklaring van aangeefster volgt daaruit dat de verdachte zijn excuses aanbood omdat hij ‘door dat spul’ niet kon stoppen.
Dit is echter niet redengevend voor de omstandigheid dat in de slaapkamer de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en bevestigt slechts de eerder door het Hof aangehaalde verklaring van verdachte dat hij met aangeefster heeft gezoend op de bank in de woonkamer (en volgens de het bewijsmiddel 2 daar meer is gebeurd dan zoenen,). Het bevestigt dat hij op de bank iets heeft geprobeerd, daar mogelijk iets te ver in is gegaan en zij dat heeft afgewezen (bewijsmiddel 3). In bewijsmiddel 3 wordt dat beschreven als ‘haar probeerde aan te randen’. Dat is daarom niet redengevend voor de bewezenverklaring.
Er is sprake van een beslissing van het Hof dat concludeert dat de verklaring van aangeefster voldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te bezigen terwijl dat oordeel (zie middel II) is gebaseerd op:
- —
een onjuiste voorstelling of lezing van de verklaring van aangeefster.
- —
een onbegrijpelijke bagatellisering van de onjuistheden in de verklaring van aangeefster
- —
Onvoldoende redengevende omstandigheden en redeneringen voor de betrouwbaarheid op essentiële onderdelen.
Vervolgens heeft het hof dat bewijsmiddel ondersteuning geven door de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, die echter niet redengevend om de essentie van de bewezenverklaring te kunnen ondersteunen.
Nu de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster onvoldoende geborgd is, dienen hogere eisen te worden gesteld aan het ondersteunend bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen en aan die eisen wordt niet voldaan.
Voor de bewezenverklaring ontbreekt daardoor het wettig bewijs, omdat het in de kern slechts gebaseerd is op de verklaring van aangeefster zonder voldoende relevante ondersteuning uit enig ander bewijsmiddel.
Voorts maakt dit de gehele bewijsconstructie door het Hof onbegrijpelijk en is de bewezenverklaring onvoldoende althans ondeugdelijk gemotiveerd.
Mitsdien
Op vorenstaande gronden moge het Uw Edelhoogachtbaar College behagen gemeld arrest te vernietigen met zodanige verdere uitspraak, als aan Uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
's‑Gravenhage, 6 april 2025
R.A.J. Verploegh
Beroepschrift 04‑04‑2025
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage (straf)
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Griffienummer: 24-02515
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE:
Edelhoogachtbaar College,
Daartoe door de rekwirant in cassatie, [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum[ 1997, bepaaldelijk gevolmachtigd, heeft ondergetekende, mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's‑Gravenhage aan de Koninginnegracht 5, hierbij de eer aan Uw Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 juni 2024.
Als cassatiemiddel wordt opgevoerd:
I. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebreng;
De bewezenverklaring door het Gerechtshof houdt in dat:
‘hij op 7 april 2020 te 's‑Gravenhage [benadeelde] door geweld en een andere feitelijkheid, te weten
- —
het brengen van die [benadeelde] in een staat van bewusteloosheid en/of onmacht door het heimelijk toedienen van GHB, heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], te weten het brengen en heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina van die [benadeelde];’
Het middel richt zich tegen de deze bewezenverklaring door het Gerechtshof.
Toelichting:
De bewezenverklaring houdt in zich dat aangeefster [benadeelde] is gedwongen tot het ondergaan van tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde]. Dit middel ziet op de bewezenverklaring van het dwingen.
De de raadsman heeft blijkens de pleitaantekeningen bij het Gerechtshof aangevoerd dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar zijn en heeft daartoe onder meer aangevoerd dat:
- —
de rechtbank rekwirant heeft veroordeeld en daarbij de verklaring van aangeefster voldoende betrouwbaar heeft geacht en dat zij op enig moment na haar ontwaken vrijwillig seks met de rekwirant, haar eerdere verklaring niet weerspreekt.
- —
aangeefster in haar (3) verklaringen bij politie niet heeft gezegd dat zij kort na de feiten die ten laste zijn gelegd, nadat zij een andere persoon die in de woning was weg hebben gebracht, met rekwirant terug is gegaan met rekwirant naar zijn woning en nogmaals (vrijwillige) seks met rekwirant geeft gehad.
- —
pas nadat rekwirant bij politie in een gedetailleerde verklaring stelt niet één maal, maar die avond zelfs twee maal seks met aangeefster te hebben gehad, zij, daarmee geconfronteerd, bij haar verhoor bij de rechter-commissaris bekent dat zij die avond weer terug naar de woning is gegaan van rekwirant en toen (wederom) seks met hem heeft gehad, zij toen helder was, de seks vrijwillig was, zij zich daar goed bij voelde en op ook op geen moment enige druk heeft ervaren door rekwirant.
- —
de raadsman redenen heeft aangevoerd waarom aannemelijk is dat aangeefster de vrijwillige latere seks aanvankelijk heeft verzwegen en ook onwaar heeft verklaard over de seks kort daarvoor, waar het ten laste gelegde op ziet.
- —
dit alles maakt dat de lezing van aangeefster dat zij door rekwirant zou zijn gedrogeerd, en in hulpeloze toestand zou zijn verkracht, om vervolgens een paar uur later uit volledige vrije wil nog een keer seks met hem te hebben, onbegrijpelijk en ook aannemelijk is.
- —
in de afgelegde verklaringen van rekwirant geen onwaarheden kunnen worden vastgesteld.
- —
rekwirant diende te worden vrijgesproken van dit feit.
Blijkens de overweging gewijd aan de afwijzing van de vordering benadeelde partij heeft het Gerechtshof deze gang van zaken wel aannemelijk geschat omdat dit reden was om de vordering van vordering benadeelde partij af te wijzen door de overwegen:
‘Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij, mede gegeven haar eigen verklaring dat zij kort na het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is teruggekeerd naar de woning, niet voldoende onderbouwd dat als direct gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde materiële schade is geleden. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden afgewezen.’
Het Gerechtshof heeft aan deze toch opmerkelijke gang van zaken zoals die uit de bewijsmiddelen blijkt en het verweer dat is gevoerd, verder geen overweging gegeven of en welke gevolgen dit diende te hebben voor de bewezenverklaring. In het bijzonder de vraag of wel sprake kan zijn van een strafbaar dwingen tot ondergaan van seksuele handelingen tegen een ander, als die ander kort daarna geheel vrijwillig seks met diezelfde persoon heeft.
Het gerechtshof heeft daarmee onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtegang en daarmee onvoldoende gemotiveerd in de bewijsconstructie waarom dit toch tot een bewezenverklaring dient te leiden van het dwingen tot het ondergaan van seksuele handelingen.
Het gerechtshof heeft daardoor de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd.
Het Gerechtshof is tevens (mogelijk) uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de strekking en invulling van het onderdeel dwingen in artikel 242 van het wetboek van strafrecht.
II. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebreng;
De bewezenverklaring door het Gerechtshof houdt in dat:
hij op 3 januari 2020 te [a-plaats], [slachtoffer] door geweld en een andere feitelijkheid, te weten
- —
het heimelijk toedienen van GHB waardoor die [slachtoffer] zich misselijk en/of verlamd voelde en
- —
het optillen van die [slachtoffer] en haar (vervolgens) op zijn bed te smijten
heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten
- —
het zoenen van die [slachtoffer] in haar nek en/of gezicht en
- —
het met zijn hand(en) (al dan niet onder/over de kleding heen) de borst(en) en schaamstreek, en/of het (verdere) lichaam van die [slachtoffer] te betasten/aanraken.
Het middel richt zich tegen de deze bewezenverklaring door het Gerechtshof.
Toelichting:
Het middel richt zich erop dat onbegrijpelijk is dat het Hof tot een bewezenverklaring van de feiten is gekomen, althans dat dit onvoldoende, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd. In het bijzonder op de onbegrijpelijke motivering van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en de bruikbaarheid daarvan voor het bewijs van de bewezenverklaring.
Het Gerechtshof heeft overwogen:
‘Namens de verdachte is ook ten aanzien van dit feit — op gronden zoals nader vermeld in de pleitnotities van de raadsman — vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Aangeefster [slachtoffer] heeft, samengevat, het volgende verklaard. Getuige [getuige 1] stelde op 3 januari 2020 voor om samen met een vriend van hem — zijnde de verdachte — een drankje te gaan doen. De verdachte heeft hen toen opgehaald en mee naar zijn huis genomen. Bij de verdachte thuis kreeg aangeefster vervolgens een drankje.
Redelijk snel na het drinken hiervan werd de aangeefster misselijk en duizelig. Toen zij aan de verdachte vroeg wat hij met haar gedaan, erkende hij dat hij GHB in haar drankje had gedaan. Aangeefster voelde zich verlamd. De verdachte heeft haar vervolgens naar zijn bed gebracht, haar op het bed gesmeten en haar vervolgens ondanks haar verzet op erogene plekken op haar lichaam betast. Uiteindelijk moest aangeefster overgeven, waarna de verdachte zijn handelingen heeft gestaakt en naar de huiskamer van de woning is gegaan.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen op 3 januari 2020, zowel in haar verklaring van 26 mei 2021 als later op 24 maart 2022 bij de rechter-commissaris. Dat aangeefster slechts aangifte deed om ten gunste van haar neef [getuige 1] te verklaren — zoals betoogd door de verdediging — is niet aannemelijk geworden. Aangeefster heeft immers ook belastend verklaard over [getuige 1]. Het enkele gegeven dat enkele details uit de verklaringen van aangeefster niet volledig stroken met wat is waar te nemen op foto's van de slaapkamer van de verdachte — die bovendien geruime tijd na 3 januari 2020 zijn gemaakt — maakt het vorenstaande niet anders. De verklaring van aangeefster over een zich in de slaapkamer bevindend waterbed — zoals overigens ook later is geconstateerd door verbalisanten (p. 288 dossier) — is bovendien een bevestiging voor de omstandigheid dat aangeefster die dag daadwerkelijk in de slaapkamer van de verdachte is geweest. Concluderend acht het hof de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen.
Het dossier bevat bovendien op essentiële onderdelen steun voor de verklaringen van aangeefster. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte haar een drankje met GHB gaf. Toen zij dit proefde wilde zij een nieuw glas, waarna de verdachte haar gepusht heeft om het wel te nemen. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij met aangeefster heeft gezoend in zijn huis. Verder versterkten de berichten die de verdachte later die avond aan aangeefster heeft gestuurd, de verklaring van aangeefster. Uit die berichten volgt immers dat de verdachte zijn excuses aanbood omdat hij ‘door dat spul’ niet kon stoppen
Het door de verdediging geschetste alternatief scenario waarin aangeefster aanvankelijk vrijwillig seks zou willen hebben gehad met de verdachte, maar dat zij hiervan af zagen toen er geen condoom voorhanden bleek te zijn, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen en is derhalve naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.’
In de kern komt de bewezenverklaring erop neer dat in de slaapkamer van rekwirant de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd. Rekwirant heeft echter steeds gesteld dat de feiten niet hebben plaatsgevonden en dat aangeefster in het geheel niet in de slaapkamer is geweest.
De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster is de door de raadsman blijkens de pleitaantekeningen ook uitvoerig betwist door te stellen:
‘[getuige 1] krijgt op enig moment een uitnodiging van politie om als verdachte te gaan worden gehoord over die dag. Dan gaat hij bewegen en heeft contact met [verdachte] die ook een uitnodiging heeft gekregen en hij neemt contact op met [slachtoffer] omdat zij zou moeten gaan verklaren dat hij onschuldig is.
Dan is te zien dat hij in zijn verhoor bij de politie probeert de kwestie naar [verdachte] te schuiven en verklaart bij de politie dat hij maanden daarvoor, toen hij met [slachtoffer] was, zelfs al een keer is gedrogeerd door [verdachte] en dat [verdachte] toen [slachtoffer] had aangerand.
[slachtoffer] wordt gemobiliseerd en benaderd om aangifte te doen tegen [verdachte].
Als dit waar zou zijn dat is onlogisch dat hij na die vermeende kwestie met [slachtoffer] waarbij hij verklaart dat hijzelf ook door [verdachte] zou zijn gedrogeerd, toch weer met [verdachte] meegaat, maar nu met [benadeelde]. Hij stelt dat hij zich van allebei de gebeurtenissen niets meer kan herinneren, omdat hij volledig buiten westen was door de drugs. Dat is echter een ongeloofwaardig verhaal in het licht van de video-call die hij heeft met de vriend van [benadeelde], waaruit blijkt dat hij niet volledig buiten westen was.
[slachtoffer] legt op 26 mei 2021, op verzoek van [getuige 1], een getuigenverklaring af van een gebeurtenis van 3 januari 2020.
Politiepv 155
V: [slachtoffer], over wie wil jij wat vertellen?
A: Ik weet dat ik moet getuigen voor mijn aangetrouwde neef en heel de situatie wat betreft die [verdachte].
Politiepv 161
V: Wat zei [getuige 1] dan precies?
A: Hij was er niet heel duidelijk over. Hij zei gehaast dat hij een brief van ik denk de politie had gekregen waarin stond dat hij ook verdacht is of zoiets. Volgens mij ging dat over een situatie met een ander meisje. Maar dat heb ik hem niet gevraagd.
Hij belde ongelegen en vroeg of ik wilde getuigen dat hij inderdaad niks had gedaan.
Zij verklaart vervolgens bij politie dat zij gedrogeerd is door [verdachte] en in zijn slaapkamer door hem is betast.
[verdachte] heeft verklaard dat hij wel met [slachtoffer] op de bank heeft gezeten, maar dat wat zij verklaard over wat in de slaapkamer is gebeurd niet waar is en dat zij helemaal niet in de slaapkamer is geweest.
Politie vraagt haar vervolgens een beschrijving van de slaapkamer te geven.
Dan verklaart zij dat sprake dat het een boxspringbed is met een hoofdeinde.
Uit de foto's in het dossier blijkt echter dat het bed geen hoofdeinde heeft (pagina 37). En uit de verklaringen (bijvoorbeeld [benadeelde]) blijkt dat het bed in de slaapkamer van [verdachte] een waterbed is. En het verschil tussen een waterbed en een boxpring-bed is onmiskenbaar en is zo specifiek dat [slachtoffer] dit zich zeker had moeten herinneren als ze op dat bed zou zijn geweest.
[slachtoffer] verklaart tevens dat als de deur van de slaapkamer open gedaan wordt, aan de linker kant een kast was, waarvan zij geen specifieke kenmerken kan geven. Bij de RC zegt ze ook nog dat die kast tegen het bed aan stond.
Op de foto op 37 blijkt dat in de slaapkamer aan de rechterkant een kast is en dit een volledige spiegelwand is en er geen kast tegen het bed aan staat.
Bij de RC verklaart zij nog iets specifieker namelijk dat sprake is van een boxspring met een bank eraan en een plank omhoog aan de muur (hoofdeinde). En dat het matras scheef op het bed lag (RC30).
Er is echter geen plank omhoog aan de muur en is geen bank aan het bed en bij een waterbed kan het matras er niet scheef op liggen.
Dat zijn zulke wezenlijke verschillen, dat het niet kan dat zij in de slaapkamer van [verdachte] is geweest. Zij weet niets specifieks van die slaapkamer te benoemen wat ook klopt, alles wat zij daar over zegt blijkt niet te kloppen.
Ook opmerkelijk is dat bij de Rc een foto van de woonkamer te zien krijgt (bovenste foto pagina 40) en dan zegt zij dat zij de dromenvanger die daar hangt herkent. Vervolgens vraag ik naar de dromenvanger en zegt zij dat wat daar hangt een dromenvanger is en dat je die eigenlijk boven je bed moet hangen en dat hij dat niet heeft gedaan omdat het zo'n rommel in het huis was.
Uiteraard heb ik haar met een reden om de dromenvanger gevraagd, want op de foto van pagina 37 is echter te zien dat in de slaapkamer wel degelijk een dergelijke dromenvanger hangt.
[verdachte] zegt over deze kwestie dat er wel iets is voorgevallen met [slachtoffer] in de woning, maar dat dit niet in de slaapkamer is geweest. Dat lijkt te kloppen want [slachtoffer] kan ook maar niet één specifiek kenmerk van de slaapkamer juist benoemen. Het kan niet anders dan dat [verdachte] daarin, net als bij [benadeelde] de waarheid heeft gesproken.
[slachtoffer] kan bovendien niet uitleggen waarom ze niet op enig moment 112 heeft gebeld terwijl zij stelt dat haar daar toen al duidelijk was dat aan haar tegen haar wil verdovende middelen was toegediend en zij vervolgens langere tijd in de stoel in de woonkamer zat. Zij zegt getuige [getuige 1], nadat zij in de slaapkamer is geweest, niet meer te hebben gezien, terwijl [getuige 1] verklaart dat [slachtoffer] naast hem op de bank zat te schreeuwen toen hij wakker werd. [getuige 1] stelt dat [verdachte] aan hem heeft toegegeven wat met [slachtoffer] was gebeurd toen ze in de auto zaten om [slachtoffer] naar huis te brengen. Uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat dit niet kan kloppen omdat zij stelt door [verdachte] alleen naar huis is gebracht en [getuige 1] daar helemaal niet bij aanwezig is geweest.
…
Waar het verhaal van [slachtoffer] door de politie wordt geprobeerd te verifiëren op basis van objectieve feiten blijkt zij die allemaal fout te hebben.
Tezamen met de reden waarom zij aangifte doet en het tijdstip waarop is dit zo twijfelachtig dat dit niet zou mogen leiden tot het gebruik van haar verklaring als bewijs voor een veroordeling.
Terwijl [verdachte] wel heeft verklaard dat er iets is gebeurd en dat hij wat met [slachtoffer] wilde, maar dat wat [slachtoffer] heeft verklaard wat in de slaapkamer gebeurd zou zijn, niet is gebeurd en zij ook nooit in de slaapkamer is geweest.
Het is te toevallig dat [verdachte] zegt dat [slachtoffer] helemaal niet in de slaapkamer is geweest en zij vervolgens inderdaad ook geen enkel detail van die slaapkamer juist kan benoemen en zelfs allerlei details noemt die juist niet blijken te kloppen.
En dat is hetzelfde met de verklaring in de zaak met mevrouw [benadeelde], waarin [verdachte] tegen alle logica in, en tegen de aanvankelijke verklaring van [benadeelde] in zegt dat hij niet één keer seks met [benadeelde] heeft gehad, maar zelfs twee keer.
En ook dat blijkt bij nadere ondervraging te kloppen.
…
In beide zaken was echter wel deze [getuige 1] aanwezig, waarbij hij in de zaak van [benadeelde] richting [naam 1] zelfs bekend heeft dat HIJ [benadeelde] heeft gedrogeerd met GHB en seks met haar heeft gehad. Het lijkt er eerder op dat [getuige 1] door de kwestie met [benadeelde] en de oproep om door de politie als verdachte te worden gehoord, in paniek is geraakt en uit angst dat hij zelf een probleem zou krijgen met die zaak, of problemen zou krijgen met de vriend van [benadeelde] of haar familie, zichzelf in de positie van slachtoffer van [verdachte] heeft gemanoeuvreerd, en daarbij ook ondersteuning gezocht bij zijn [slachtoffer], die op aangeven van [getuige 1] vervolgens moest bevestigen dat [getuige 1] onschuldig was (en [verdachte] de dader).
In de kern is er echter niets in de verklaringen van [verdachte], waarvan kan worden aangetoond dat het niet kan kloppen. Maar wel voldoende reden twijfels te hebben bij de verklaringen van de aangeefsters.
Reden om U te verzoeken om de heer [verdachte] vrij te spreken van hetgeen hem is ten laste gelegd.’
In de overwegingen heeft het Gerechtshof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te bezigen in het bijzonder omdat de verklaring van aangeefster over een zich in de slaapkamer bevindend waterbed een bevestiging is voor de omstandigheid dat aangeefster die dag daadwerkelijk in de slaapkamer van de verdachte is geweest.
Die overweging is echter gebaseerd op een onjuiste lezing van de processtukken omdat aangeefster niet heeft verklaard dat in de slaapkamer van rekwirant een waterbed aanwezig was.
Zij heeft verklaard:
‘Bij de politie (PV Pagina 157 en 267) :
V: En dat bed, waar was dat van?
A: Het was een boxspring met zo een hoofdeinde.’
Uit de verklaring op 24 maart 2022 bij het verhoor ten overstaan van de rechter-Commissaris:
- ‘30.
U vraagt naar het bed. Het was een boxspring met een bank eraan. Het matras lag scheef tegen de kast aan en de dekens lagen op de grond. Ik weet dat het een bende was. U vraagt of er iets specifieks was van die bende. Nee. U, rechter-commissaris, vraagt wat voor mij een boxspring is. Ik heb het over dat ding waar een matras op ligt. Met een plank omhoog aan de muur. Dat matras lag scheef op het bed.’
In de overwegingen heeft het Gerechtshof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te bezigen, omdat het enkele gegeven dat enkele details uit de verklaringen van aangeefster niet volledig stroken met wat is waar te nemen op foto's van de slaapkamer van de verdachte het oordeel over de betrouwbaarheid niet anders maakt.
In het licht van het de blijkens de pleitaantekeningen aangevoerde omstandigheden omtrent hetgeen aangeefster onjuist heeft beschreven en verzuimd heeft te beschrijven is het onbegrijpelijk dat het Hof dit kwalificeert als ‘enkele details’. Aangeefster heeft geen enkel detail uit de slaapkamer juist kunnen beschrijven of ook maar in de buurt van een juiste beschrijving kunnen geven.
In de overwegingen heeft het Gerechtshof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te bezigen, omdat deze op essentiële onderdelen steun bevat voor de verklaringen van aangeefster namelijk dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte haar een drankje met GHB gaf. Dit is echter niet redengevend voor de bewezenverklaring dat in de slaapkamer de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden.
In de overwegingen heeft het Gerechtshof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te bezigen, omdat verdachte zelf heeft verklaard dat hij met aangeefster heeft gezoend in zijn huis.
Dit is echter niet redengevend voor de omstandigheid dat in de slaapkamer de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden, omdat uit de verklaring van rekwirant blijkt dat dit heeft plaatsgevonden op de bank in de woonkamer.
In de overwegingen heeft het Gerechtshof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te bezigen, omdat de berichten die de verdachte later die avond aan aangeefster heeft gestuurd, de verklaring van aangeefster versterken. Uit die berichten volgt immers dat de verdachte zijn excuses aanbood omdat hij ‘door dat spul’ niet kon stoppen.
Dit is echter niet redengevend voor de omstandigheid dat in de slaapkamer de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en bevestigt slechts de eerder door het Hof aangehaalde verklaring van verdachte dat hij met aangeefster heeft gezoend op de bank in de woonkamer. Als rekwirant zou hebben verklaard dat er die avond niets tussen hem en aangeefster zou zijn voorgevallen zou dit mogelijk een argument zijn. Maar onder deze omstandigheden niet.
De conclusie van het hof dat de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te bezigen is gebaseerd op:
- —
een onjuiste voorstelling of lezing van de verklaring van aangeefster.
- —
een onbegrijpelijke bagatellisering van de onjuistheden in de verklaring van aangeefster
- —
Onvoldoende redengevende omstandigheden en redeneringen voor de betrouwbaarheid op essentiële onderdelen.
Dat maakt de bewezenverklaring door het Hof onbegrijpelijk, ondeugdelijk gemotiveerd en derhalve de bewezenverklaring, mede in het licht van het gevoerde verweer onvoldoende gemotiveerd.
III. Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebreng;
Het Gerechtshof heeft aan rekwirant de verplichting opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriele schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade bepaald op 7 april 2020.
Het middel richt zich tegen de deze beslissing tot opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
Toelichting:
Het gerechtshof heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter zake van immateriële schade terwijl door het slachtoffer, geen vordering daarvoor was ingediend en ook ter terechtzitting niet heeft gesteld dit te wensen.
Het oordeel van het Gerechtshof houdt in:
‘Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiele schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van€ 40,00. Ter zake van irnmateriele schade is door de benadeelde partij noch op het voegingsformulier, noch ter terechtzitting in eerste aanleg een concreet bedrag ter zake van immateriële schade gevorderd. Het hof stelt daarmee vast dat er thans geen vordering ter zake van immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt. In hoger beroep is deze vordering daarom aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 40,00 ter zake van materiele schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij, mede gegeven haar eigen verklaring dat zij kort na het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is teruggekeerd naar de woning, niet voldoende onderbouwd dat als direct gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde materiele schade is geleden. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden afgewezen.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde] ex art. 36f Wetboek van Strafrecht
Naar het oordeel van het hof staat evenwel vast dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde is toegebracht. Derhalve zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen het naar billijkheid vastgestelde bedrag van€ 5.000,00 aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde]. Het hof heeft bij de vaststelling van de hoogte van deze maatregel rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.’
Blijkens het proces-verbaal van de zitting is de benadeelde partij in de gelegenheid gesteld haar vordering toe te lichten en heeft zij verklaard:
‘De vordering ter zake van materiële schade wordt gehandhaafd. Als ik een vordering zou indienen voor geleden, immateriële schade, dan zou deze ter hoogte van het door de rechtbank toegewezen bedrag zijn.’
Het Gerechtshof heeft derhalve de schadevergoedingsmaatregel opgelegd ter betaling van een bedrag ten behoeve van het slachtoffer aan immateriële schade terwijl door het slachtoffer geen (bedrag aan) immateriële schade is gevorderd en ter terechtzitting ook niet heeft gesteld dit te wensen.
In gevallen waarin als gevolg van processuele beperkingen die aan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij in de strafzaak zijn gesteld, die vordering niet kan worden toegewezen, kan desondanks een maatregel tot betaling aan de Staat als bedoeld in art. 36f Sr worden opgelegd en in stand blijven. In dat geval dient sprake te zijn van een materiële verschuldigdheid ten behoeve van de benadeelde partij.
Indien sprake is van een kwestie waarin de vraag is of, dan wel tot welke omvang de schade kan worden toegewezen, raakt dit echter ook de grond waarop de verschuldigdheid van het in de opgelegde schadevergoedingsmaatregel begrepen schadebedrag is aangenomen. Het gaat dan namelijk niet om de strafprocesrechtelijke vraag of de benadeelde partij de door haar geleden schade in de strafzaak tegen de verdachte kan vorderen, maar om de onderliggende, aan de hand van het materiële burgerlijk recht te beantwoorden vraag of, dan wel tot welke omvang de verdachte gehouden is tot vergoeding van de schade die zowel onderwerp is van de vordering van de benadeelde partij als van de schadevergoedingsmaatregel (vgl ook HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901)
Benadeelde partij wenste ondanks de uitnodiging van het hof om toch maar een concrete vordering voor immateriële schade in te dienen (te noemen), dit niet te doen.
De toewijzing van een vordering van een benadeelde partij van geleden schade is gebaseerd op een burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de veroordeelde jegens de benadeelde. Een dergelijke burgerrechtelijke aansprakelijkheid en vaststelling van schade met de oplegging van een verplichting tot vergoeding van schade vindt ook plaats op basis van burgerrechtelijke beginselen. Zo dient de eiser (benadeelde) een schade te stellen en te vorderen en is de rechter lijdelijk aan wat partijen stellen en vorderen. Het is burgerrechtelijke niet mogelijk om aansprakelijk te zijn voor een veroorzaakte schade als die schade niet is gesteld en gevorderd. De aansprakelijkheid voor de schade ontstaat daardoor.
Nu geen sprake van een materiele verschuldigdheid voor een vergoeding van de immateriële schade, omdat de benadeelde deze schade niet heeft gesteld, niet heeft gevorderd en ook niet wenste te vorderen, gaat het oordeel van het hof dat desondanks een schadevergoedingsmaatregel oplegt om een bedrag aan immateriële schadevergoeding te betalen ten behoeve van het slachtoffer, uit van een onjuiste rechtsopvatting.
Voorts is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk dat het een schadevergoeding toewijst aan een slachtoffer dat er geen blijk van heeft gegeven dit te willen.
Het hof heeft de schadevergoedingsmaatregel ex art 36f van het wetboek van strafrecht opgelegd tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer van een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 2020. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd omdat uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de vaststelling van het bedrag aan immateriële schade van het slachtoffer heeft gebaseerd. Dat brengt mee dat de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. ook HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901 en om HR 28 januari 2025 ECLI:NL:HR:2025:96).
Mitsdien
Op vorenstaande gronden moge het Uw Edelhoogachtbaar College behagen gemeld arrest te vernietigen met zodanige verdere uitspraak, als aan Uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
's‑Gravenhage, 4 april 2025
R.A.J. Verploegh