Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/8.5.2
8.5.2 Verschillende opvattingen in de literatuur
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS617881:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Van Dorst 1996, p. 272-273.
Zie: Van Veen 1988, p. 465-466.
Zie: Fokkens 1991, p. 227-234.
Van Dorst 1996, p. 272.
Bewijsuitsluiting kan alleen als het vormverzuim mogelijk bewijs in de strafzaak heeft opgeleverd. Niet-ontvankelijkverklaring alleen als het vormverzuim een eerlijke behandeling van de zaak frustreert.
Niet: ontbreken van causaal verband tussen verzuim en hoofdzaak, zoals Embregts schrijft in Melai/Groenhuijsen (losbl.), art. 359a Sv, aant. 7.2 en in Embregts 2003, p. 181.
Van Dorst 1996, p. 274.
Het is, aldus Van Dorst 1996, ‘voorzichtig gezegd, niet helemaal vanzelfsprekend dat de vordering van de benadeelde partij in het strafgeding moet sneuvelen op verzuimen waaraan deze part noch deel heeft’, p. 272. Zie ook: Fokkens 1991, p. 234 en Kaptein 2000, p. 25-47, i.h.b. p. 41-42.
Van Dorst 1996, p. 274. Op dit voordeel had ook Fokkens 1991 gewezen: ‘Ik heb de indruk dat het rechtsgevolg van onrechtmatig optreden er soms toe leidt dat de rechter gedrag dat eigenlijk niet door de beugel kan, nog toelaatbaar acht om het gevolg vrijspraak te vermijden. (...) Een genuanceerd sanctiestelsel zou ertoe kunnen bijdragen dat bij de beoordeling van het handelen in de opsporing de maatstaven strikt gehandhaafd worden’, p. 234. Zie ook par. 4.2.4.1.
Zie bijv. Blom 2002, p. 1049-1055 en ook Embregts 2003 voorkeur gaat uit naar een primaire rol voor bewijsuitsluiting, p. 184.
Mevis 1995, p. 251-268, i.h.b. p. 258-260. Zie ook Cleiren & Mevis 1996, p. 196-197.
Mevis 1995, p. 255.
Mevis 1995, p. 259.
Mevis 1995, p. 260.
Embregts, in: Wetboek van Strafvordering / IISS Melai-Groenhuijsen e.a., aant. 10.6 op art. 359a Sv (online, laatst bijgewerkt op 1 oktober 2004).
Embregts 2003, p. 184.
De centrale vragen over het toepassingsbereik van strafvermindering zijn dan ook: op welke vormverzuimen zij kan worden toegepast en, daarmee nauw samenhangend, hoe het nadeelvereiste dient te worden geïnterpreteerd.
Van Dorst sloot in 1996 in zijn Een Via della Conciliazione in het strafprocesrecht?1 niet uit dat er een ontwikkeling op gang zou komen waarbij defecten die voorheen tot niet-ontvankelijkheid of – na bewijsuitsluiting – tot vrijspraak zouden hebben geleid, in de strafmaat zouden worden verrekend. Als pleitbezorger van strafvermindering bij wijze van alternatief voor bewijsuitsluiting was hij voorgegaan door Van Veen2 en Fokkens.3 Volgens Van Dorst zou een dergelijke ontwikkeling
‘kunnen leiden tot een resultaat dat ergens ligt tussen de opvattingen van hen die (extreem gesteld) vinden dat de strafrechter voorbij moet gaan aan fouten van politie en justitie omdat die disciplinair, ambtenarenrechtelijk, e.t.q. moeten worden afgedaan, en hen die menen dat iedere onrechtmatigheid in het voordeel van de verdachte moet uitpakken’.4
Ook zag hij ‘mits ruim uitgelegd’ voor strafvermindering vrij veel armslag voor de rechter wat betreft het toetsen van handelen dat voordien aan zijn oordeel onttrokken was. Anders dan bij bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkverklaring5 vereist de toepassing van strafvermindering geen verband tussen verzuim en de in de hoofdzaak aan de orde zijnde vragen.6 Daarbij wees hij wel op het gevaar dat bij een al te ruime uitleg van deze – minder aan de vragen van art. 348 en 350 Sv gebonden – toetsingsmogelijkheid, het strafproces teveel van de hoofdzaak zou afdwalen. Van Dorst schetste evenwel het volgende toekomstbeeld: ‘Met de nieuwe sanctie in zijn ransel behoeft de rechter de samenleving waarschijnlijk bij minder “verzuimen” te confronteren met voor haar onbegrijpelijke uitspraken waarin daaraan de ultieme consequentie wordt verbonden.’7 Dat achtte hij ook in het licht van de toegenomen rol van het slachtoffer in het strafproces een logische ontwikkeling. 8 ‘Maar hij hoeft ook minder dan voorheen recht te praten wat krom is teneinde te ontkomen aan een niet passend geachte vrijspraak of niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Het beoordelen van verzuimen aan de zijde van politie of justitie zal voortaan wat ruimhartiger en in elk geval minder krampachtig kunnen zijn.’9 De rechtspraak van het EHRM, waarin het bepalen van de gevolgen van onrechtmatige bewijsgaring tot op grote hoogte aan de lidstaten wordt gelaten, stond aan een zodanige ontwikkeling niet in de weg.
Niet iedereen was gelukkig met een rol voor strafvermindering als alternatief voor bewijsuitsluiting. Een aantal schrijvers was van oordeel dat bewijsuitsluiting de reactie moet blijven op onrechtmatige bewijsgaring.10 Een krachtig pleitbezorger in dezen was in 1995 Mevis. Hij zag in de invoering van art. 359a Sv een fundamentele breuk met het bestaande stelsel waarin bewijsuitsluiting een in zijn visie inherent en indifferent rechtsgevolg was van onrechtmatige bewijsgaring.11 In zijn analyse van de rechtspraak van de Hoge Raad zag hij bewijsuitsluiting als een tot de overheid gerichte sanctie, die steeds moet worden toegepast als de overheid bij de bewijsgaring regels heeft geschonden, ongeacht de aard van de in concreto overtreden regels en daargelaten of de individuele verdachte in enig belang is geschaad.12 Hij maakte principieel bezwaar tegen strafvermindering als alternatief:
‘Buiten de gevallen van absolute staatsnood gaat het niet aan de overheid toe te staan gebruik te maken van de resultaten van het eigen onrechtmatig optreden. Het is, alweer vanuit de idee van de rechtsstaat gedacht, bovendien ronduit onvoldoende om de burger die van de rechter vraagt de overheid aan het recht te onderwerpen (de burger kan dit niet zelf) af te schepen met een ‘compensatie’ in de vorm van strafvermindering waarmee hij als verdachte wellicht blij is, maar waarmee hij als rechtsburger fundamenteel in de kou blijft staan.’13
Ook zag hij niet veel in de afweging van art. 359a, tweede lid, Sv:
‘De ernst van het verzuim doet in wezen niet ter zake omdat het voor alle gevallen in essentie gelijk is: de overheid heeft zich niet aan de tot haar gerichte norm gehouden, te weten dat zij in alle gevallen het recht heeft na te leven. Als zodanig is dat een voor alle gevallen gelijk, overigens ernstig verzuim. Voor die, in de eerste plaats rechtsstatelijke benadering is hiervoor al uiteen gezet dat daardoor het nadeel dat de verdachte is toegebracht in essentie al evenmin ter zake doet.’14
Embregts getuigt in haar commentaar op art. 359a Sv in Melai/Groenhuijsen en in haar dissertatie van een weer wat andere visie. Zij is geen voorstander van het veelvuldig toepassen van strafvermindering, omdat daarmee de doeleinden van bewijsuitsluiting zouden worden ondergraven.
‘Het signaal dat met bewijsuitsluiting wordt gegeven, is dat wanneer de overheid buiten haar bevoegdheden treedt, zij dit niet ongestraft kan doen en dat haar dan het daarbij verkregen voordeel wordt ontnomen. Het signaal dat van strafvermindering kan uitgaan in de zaken waarin het ernstig onrechtmatig overheidsoptreden betreft, is dat de overheid onrechtmatig gedrag kan “afkopen”. Dat is ongewenst.’15
Zij acht strafvermindering alleen een goede zaak wanneer een verzuim anders zonder consequentie zou blijven, omdat het onrechtmatig optreden geen bewijs heeft opgeleverd16 en stelt dat de Hoge Raad ‘een voorstander van strafvermindering’ is in deze situatie.
Voordat de Nederlandse rechtspraak over strafvermindering op de voet van art. 359a Sv aan de orde komt, wordt nu eerst de blik gericht op de rechtspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof en van het EHRM.