Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/2.6.2
2.6.2 Partijverbod
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947891:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over die wet verder par. 5.5.
Rb. Amsterdam 18 november 1998, ECLI:NL:RBAMS:1998:AD2961.
Met als bekendste voorbeeld de oratie van George van den Bergh: Van den Bergh 1936.
Elzinga 1982, p. 143.
EHRM 13 februari 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0213JUD004134098 (Refah Partisi (The Welfare Party) and Others/Turkey), par. 98.
EHRM 13 februari 2003, ECLI:CE:ECHR:2003:0213JUD004134098 (Refah Partisi (The Welfare Party) and Others/Turkey), par. 102, 104.
Art. 2:32a BW (Stb. 2021, 310, art. V).
‘Het verschil tussen wel of niet verboden verklaard worden, heeft gevolgen voor de strafbaarheid van de voortzetting van de werkzaamheden van de betreffende rechtspersoon. Is de rechtspersoon verboden bij onherroepelijke rechterlijke beslissing, dan is de voortzetting van de activiteiten van de rechtspersoon strafbaar op grond van art. 140 lid 2 Sr. Is de rechtspersoon «enkel» ontbonden omdat het doel in strijd is met de openbare orde, dan is de voortzetting van de werkzaamheden daarentegen niet strafbaar. Naar het oordeel van de regering ontbreekt een voldoende rechtvaardiging voor dit verschil.’ Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr. 3, p. 7.
Hetzelfde geldt overigens voor de artikelen 9 en 10 EVRM, waarop een verbodenverklaring en ontbinding ook een beperking vormt. Zie Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr. 3, p. 4.
Kamerstukken II 2019/20, 35366, nr. 3, p. 19-20.
Zie over het conceptvoorstel op dit punt: Trapman 2023a, p. 434-435.
Art. 86 conceptvoorstel Wpp.
Trapman 2023a, p. 434-435.
Zie par. 6.4.
Zie ook Elzinga 1982, p. 163.
Zie respectievelijk art. 1 sub b Wfpp en art. 1.1 Mediawet.
Het sterkste mechanisme dat het Nederlandse recht te bieden heeft tegen afschaffing van de democratie, wordt gevormd door het partijverbod, dat momenteel kan worden opgelegd op basis van artikel 2:20 BW. De aangekondigde Wet op de politieke partijen moet echter in een nieuwe verbodsgrondslag gaan voorzien.1 Tot op heden is het in 1988 ingevoerde artikel 2:20 BW, dat een algemene verbodsregeling voor rechtspersonen behelst, slechts eenmaal toegepast op een politieke partij. Het betrof de Nationale Volkspartij/CP’86, die in 1998 verboden werd verklaard en werd ontbonden.2
Over de wenselijkheid en toelaatbaarheid van partijverboden is in het verleden uitvoerig gediscussieerd.3 Het problematische aspect van partijverboden ligt daarin, dat het instrument duidt op een ‘democratische paradox’, waarin de democratie wordt beschermd met een – in essentie – ondemocratisch middel.4 Het gaat immers om een beperking van de verenigingsvrijheid, een politiek participatierecht dat mede de kern vormt van het democratiebegrip, die bovendien niet door de (democratisch gelegitimeerde) wetgever wordt opgelegd, maar door de rechter. Daar komt bij dat een verbod nauwelijks gelegitimeerd zal kunnen worden wanneer een situatie zich aandient waarin op een partijverbod wordt aangestuurd, omdat anders het voortbestaan van de democratie op het spel staat. Wanneer het antidemocratische gedachtegoed van de betreffende partij substantiële aanhang heeft verworven, raken de middelen die de democratische rechtsstaat moeten beschermen, immers omstreden. Elzinga beschouwt het vraagstuk van de verboden politieke partij in dat kader als een ‘in essentie (…) onoplosbaar probleem’.5
Het EHRM staat het opleggen van een partijverbod onder strenge voorwaarden toe. Een belangrijk uitgangspunt van de verenigingsvrijheid is dat ook partijen die streven naar een herziening van de constitutionele structuur van een staat, een plaats verdienen in het politieke landschap. Dit streven naar herziening moet worden toegelaten indien (I) de betreffende partij zich voor het bereiken van haar doelen alleen van wettelijk en democratische middelen wil bedienen en (II) de door de partij voorgestelde veranderingen op zichzelf verenigbaar zijn met de fundamentele democratische principes.6 Wanneer een partij volgens deze voorwaarden te werk gaat, mag zij niet verboden worden en is het aan de kiezer om bij de eerstvolgende verkiezingen een oordeel te vellen over het partijprogramma. Het partijverbod is een ultimum remedium voor die partijen die zich niet naar de democratische spelregels voegen of de afschaffing daarvan bepleiten. De mogelijkheid om een partijverbod op te leggen geeft uitdrukking aan een materiële opvatting van het democratiebegrip, waarin ruimte is voor bescherming van de democratie tegen haar eigen afschaffing. Een partijverbod kan alleen in beeld komen indien de partij het voortbestaan van de democratie daadwerkelijk bedreigt. Om dat te bepalen, dienen staten niet slechts af te gaan op de programma’s of statuten van de partij, maar moeten zij die ook vergelijken met de daadwerkelijke handelingen van de partijleden. 7
Artikel 2:20 BW
Artikel 2:20 BW geeft zoals gezegd een algemene grondslag voor het verboden verklaren en ontbinden van rechtspersonen. De bepaling werd per 1 januari 2022 gewijzigd. Politieke partijen zijn echter buiten het bereik van deze wetswijziging gehouden. Voor hen geldt, totdat de aangekondigde Wet op de politieke partijen in een specifiek op partijen toegesneden verbodsbepaling voorziet, nog altijd de oude versie van het artikel, dus zoals dat luidde tot 1 januari 2022.8 Het ‘nieuwe’ artikel 2:20 BW verschilt onder meer van zijn voorganger door vast te leggen dat rechterlijke verbodenverklaring en ontbinding, op verzoek van het Openbaar Ministerie, plaatshebben wanneer het doel of de werkzaamheden van de rechtspersoon in strijd zijn met de openbare orde. Tot dat moment was verbodenverklaring en ontbinding voorbehouden aan rechtspersonen wier werkzaamheden in strijd waren met de openbare orde. Een rechtspersoon waarvan enkel het doel strijdig was met dat principe, werd niet verboden verklaard, maar slechts ontbonden.9
De term ‘openbare orde’ sluit aan bij de gelijkluidende beperkingsgrond voor de in artikel 8 Gw vastgelegde verenigingsvrijheid en bij de limitatief omschreven beperkingsgronden van artikel 11 lid 2 EVRM.10 Lange tijd diende men voor de inhoud van dat begrip te rade te gaan bij de parlementaire geschiedenis van artikel 2:20 BW, waarin de regering nadere duiding gaf aan het begrip. Volgens de regering omvatte de term handelingen die ‘een aantasting inhouden van de als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel [en] die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend (…) [zouden] blijken voor de samenleving’. De regering noemde als voorbeeld van zulke handelingen onder andere het gebruik van geweld of bedreiging daarmee, (rassen)discriminatie, aanzetten tot haat en het plegen van fraude.11 Per 1 januari 2022 geeft de gewijzigde tekst van de bepaling zelf meer uitleg, door te stellen dat in ieder geval ‘de bedreiging van de nationale veiligheid of internationale rechtsorde’, alsook ‘de ontwrichting van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag’ onder het bereik van de term ‘strijd met de openbare orde’ vallen.12Aantasting van de menselijke waardigheid, geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie worden in aanvulling daarop vermoed in strijd te zijn met de openbare orde.13 De ontwrichting van de democratische rechtsstaat omvat, zo stelt de regering, ‘de duurzame aantasting van de democratische vrijheden, de introductie van een parallel rechtssysteem bijvoorbeeld op basis van religieuze wetgeving, de aantasting van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen, de obstructie of onrechtmatige beïnvloeding van vrije verkiezingen, de bedreiging van volksvertegenwoordigers en de omverwerping/afschaffing van onze rechtsstaat’.14
Wet op de politieke partijen
De aangekondigde Wet op de politieke partijen (Wpp) moet zoals gezegd in een specifiek op partijen toegesneden verbodsgrondslag gaan voorzien.15 Blijkens het conceptvoorstel voor de Wpp moeten een partij in de toekomst verboden en ontbonden kunnen worden indien zij ‘door haar doelstelling of werkzaamheden een daadwerkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een of meer grondbeginselen van de democratische rechtsstaat’.16 Die grondbeginselen worden vervolgens (niet limitatief) gespecificeerd. Eronder vallen in ieder geval periodieke, vrije en geheime verkiezingen, democratische besluitvorming, grondrechten, scheiding van machten en onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak. Daarmee wordt afscheid genomen van het onbepaalde ‘openbare orde’-begrip uit het oude artikel 2:20 BW, zoals dat nu voor partijen geldt. ‘Openbare orde’ in de zin van dat artikel is een containerbegrip, waarvan de inhoud kan verschillen naar plaats en tijd.17 Wat dat betreft is de voorgestelde verbodsgrond een verbetering, waarbij overigens wel geldt dat het open karakter van de opsomming en de brede formulering van de gronden de helderheid van de bepaling niet ten goede komen. Zo kan men zich afvragen in welke gevallen een partij een daadwerkelijke en ernstige bedreiging vormt voor, bijvoorbeeld, ‘grondrechten’ of ‘de scheiding der machten’.
Niet alleen de verbodsgronden, maar ook de procedure wordt aangepast. Waar artikel 2:20 BW (ook) door lagere rechters wordt toegepast, is de bevoegdheid om een partijverbod op te leggen in het conceptvoorstel voorbehouden aan de Hoge Raad, die daar op initiatief van de procureur-generaal bij de Hoge Raad toe kan overgaan. Door te kiezen voor rechtspraak in één instantie wil de regering waarborgen dat zo snel mogelijk uitsluitsel wordt geboden over het voortbestaan van een politieke partij. Daar staat echter tegenover dat, mede gegeven de brede formulering van de verbodsgronden, het bestaan van een ‘correctiemechanisme’ in de vorm van rechtspraak in meerdere instanties juist in het geval van politieke partijen van grote waarde is. Men kan zich afvragen of de regering hier niet te veel belang hecht aan de snelheid van de procedure (die, overigens, sowieso vertraging oploopt als een partij besluit naar het EHRM te stappen om het oordeel van de Hoge Raad aan te vechten)18
Consequenties
Tot slot verdient het opmerking dat een partijverbod er niet aan in de weg staat dat de voorheen aan de partij verbonden leden nog altijd aan de verkiezingen kunnen deelnemen, zij het niet langer onder de vlag van de nu verboden partij. Dit is een consequentie van het systeem van open kandidaatstelling.19 Slechts de uitsluiting van het kiesrecht van de kandidaten kan aan verkiezingsdeelname in de weg staan. Deelname aan de voortzetting van de werkzaamheden van een verboden verklaarde en ontbonden politieke partij is weliswaar een misdrijf,20 maar kan niet leiden tot uitsluiting van het kiesrecht. Niet alleen heeft het partijverbod dus geen gevolgen voor het recht op verkiezingsdeelname, ook het Kamerlidmaatschap van de voormalige partijleden blijft onaangetast.21 Het is aan de kiezer om daarover te oordelen. Hoewel het partijverbod in Nederland dus wordt beschouwd als het sterkste instrument is ter verdediging van de democratie, voorziet de maatregel dus slechts in een beperkte waarborg tegen het doordringen van antidemocratische geluiden tot het parlement. Wel brengt een partijverbod andere beperkingen met zich. Zo moet gewezen worden op artikel 2:20a BW, dat voorschrijft dat de bestuurder van een verboden rechtspersoon gedurende drie jaar geen bestuurder van een andere rechtspersoon mag zijn. Ook wordt de naam van de partij geschrapt uit het register van partijaanduidingen, zodat deze aanduiding bij de volgende verkiezingen niet meer boven de kandidatenlijst geplaatst kan worden.22 Voorts verliest de partij daarmee haar aanspraak op subsidie volgens de Wet financiering politieke partijen, alsook haar recht op zendtijd volgens de Mediawet.23