Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/8.3.3
8.3.3 De conformiteitseis dwingt niet tot het voorkomen van een enquête
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196963:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bij aandelen ligt het meestal niet voor de hand dat ze exact dezelfde waarde hebben als op het moment van sluiten van het contract.
De verkopende rechtspersoon hoeft geen vennootschap te zijn – ook andere rechtspersonen kunnen dochters hebben, waarvan zij de aandelen verkopen. Omdat het in de praktijk meestal om vennootschappen gaat, wordt de verkopende rechtspersoon hierna ook wel ‘moedervennootschap’ of ‘moeder’ genoemd.
Bijvoorbeeld als het beleid van een houdstervennootschap (de continuïteit van) de in een dochter-werkmaatschappij gedreven onderneming in gevaar brengt. Zie OK 4 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1709, ARO 2018/138 (Trifier). Vgl. ook OK 27 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3277, ARO 2018/185 (Hoeve Holland), waarin verstoorde verhoudingen in de moeder de bedrijfsvoering in de dochter verlamden. In OK 2 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2798, ARO 2018/181 (Nijhuis Fabel) bestonden onduidelijkheden over leningsovereenkomsten tussen de moedervennootschap en haar dochters; dat was een reden voor twijfel aan het beleid van de moedervennootschap.
[280] De conformiteitseis brengt mee, dat de waarde van de verkochte aandelen op het moment van levering beantwoordt aan de overeenkomst.1 Bij een (ongebruikelijke) waardedaling, tussen de totstandkoming van de overeenkomst en het moment van levering, schiet de verkoper tekort. Om te bepalen of de verkoper schuld heeft aan die tekortkoming – en de tekortkoming hem wordt toegerekend – moet de objectieve norm voor het gedrag van een zorgvuldige verkoper worden vastgesteld. In dit geval is dat gedrag waarmee zo’n waardedaling wordt vermeden. Die maatstaf wordt hier aangeduid met ‘de vermijd-waardedaling-norm’.
[281] Bepaalde gedragingen van een rechtspersoon kunnen de waarde van (aandelen in) zijn dochters beïnvloeden.2 Factoren die de waarde van (de aandelen in) de dochter beïnvloeden, leveren vaak ook redenen voor twijfel aan het beleid van de moeder op.3 Brengt de vermijd-waardedaling-norm nu mee dat de moeder tegenover de koper gehouden is om twijfel – en een enquête – betreffende die factoren te voorkomen (een objectieve ‘vermijd-twijfel’ norm)? Dat lijkt voor de hand te liggen. De vermijd-waardedaling-norm lijkt moeilijk te onderscheiden van een vermijd-twijfel-norm, als ze dezelfde gedragingen van de verkopende moeder betreffen. Aan de hand van een ratio van de norm valt mogelijk wel te differentiëren. Een norm moet een doel dienen. De ratio van de ‘vermijd-waardedaling-norm’ is begrijpelijk: de koper moet geleverd krijgen wat hij kocht. Daarentegen blijft het waarom van een verplichting tegenover de koper om een enquête te voorkomen hier ongrijpbaar. Daar komt bij dat de twijfel aan een juist beleid niet noodzakelijkerwijs wordt veroorzaakt door het handelen of nalaten van de rechtspersoon zelf, zoals hiervoor is opgemerkt. Ik meen daarom dat de vermijd-waardedaling-norm geen objectieve vermijd-twijfel norm meebrengt. Met andere woorden: uit de koopovereenkomst vloeit geen objectieve norm voort, die de voorschrijft dat de rechtspersoon twijfel of een enquête moet voorkomen betreffende onderdelen van haar beleid die de waarde van zijn dochter beïnvloeden.