Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.1
2.1 Inleiding
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS298600:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de conclusie van A-G Keus, voorafgaand aan HR 16 januari 2009, NJ 2009, 54 (Heerlen/ Whizz), sub. 2.10, waar na de hantering van het begrip ‘feitelijke grondslag’ wordt verwezen naar artikel 24 Rv. Ten aanzien van dat artikel lijkt de keuze voor het begrip ‘rechtsstrijd’ duidelijker, omdat daarmee een goed onderscheid kan worden aangebracht tussen dit artikel en artikel 149, lid 1 Rv (de feitelijke grondslag). A-G Verkade onderscheidt artikel 24 van artikel 149 Rv door de begrippen ‘rechtsfeit’ en ‘feitelijke grondslag’ (conclusie A-G Verkade, voorafgaand aan HR 25 september 2006, NJ 2006, 507 (Ahmed/Biman Bangladesh Airlines), sub. 4.2).
22
Voor het doen van een uitspraak is een feitelijke basis vereist. De rechter heeft feiten nodig om een wetsartikel te kunnen toepassen en daarop aansluitend het geschil te kunnen beslechten. Hier spelen twee vragen. Ten eerste, wie is er verantwoordelijk voor het bijeenbrengen van de feiten? Ten tweede, van welke feiten mag de rechter gebruikmaken bij zijn beslissing?
In het civiele proces zijn partijen verantwoordelijk voor het aandragen van de feiten. De rechter mag echter niet zomaar alle feiten uit het dossier gebruiken bij zijn beslissing. Hij dient rekening te houden met de ‘rechtsstrijd’ van partijen. Feitelijke stellingen die binnen de rechtsstrijd vallen, mogen in principe door de rechter worden toegepast. Als deze binding aan de rechtsstrijd tot rechtsgevolgen zou leiden die niet ter vrije beschikking van partijen staan, kan de rechter gebruik maken van alle feitelijke stellingen uit het dossier. Wat het ontwarren van deze twee typen bemoeilijkt, is dat zowel de rechtsstrijd als de feiten uit het dossier als de feitelijke grondslag wordt aangeduid.1
23
In dit hoofdstuk staat het stelsel van de artikelen 23 tot en met 25 en 149 Rv centraal. Onderdeel van dit stelsel vormt de rechtsstrijd van partijen. Onder ‘rechtsstrijd’ zal worden verstaan de op het lijdelijkheidsbeginsel c.q. beginsel van partijautonomie gestoelde gedachte dat de rechter voor zijn eindbeslissing alleen gebruik mag maken van de feitelijke stellingen die door partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten grondslag zijn gelegd. Aan de hand van de rechtsstrijd kan de rechter dus bepalen welke feiten hij mag gebruiken voor zijn eindbeslissing en, daarmee samenhangend, aan welke rechtsgronden hij toepassing kan geven. Partijen bepalen dus impliciet, met de ingestelde vordering en hetgeen zij aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen, welke rechtsgronden de rechter kan toepassen. Het stelsel van de artikelen 23 tot en met 25 Rv kan dus met zich brengen dat het EU-recht in de procedure buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat dit buiten de rechtsstrijd valt. Daarmee kan de effectiviteit van het EU-recht worden beperkt. In deel III van dit onderzoek zal worden bezien in hoeverre onderdelen van dit stelsel van de artikelen 23 tot en met 25 en 149 Rv buiten toepassing moeten worden gelaten teneinde de effectiviteit van het EU-recht te garanderen. Eerst wordt in dit hoofdstuk beschreven hoe dat stelsel er precies uitziet. Het volgende hoofdstuk beschrijft de rechtsstrijd in Duitsland, Engeland en Frankrijk, om te bezien op welke andere wijzen invulling kan worden gegeven aan uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de artikelen 23, 24, 25 en 149 Rv. Dan gaat het om beginselen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM en de partijautonomie.