Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.2.6.1
3.2.6.1 Algemeen
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS355034:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Drupsteen, Interview 2012, bijl. 5.8, par. 2.3. Zie ook Voermans, Het ontwerpen van wetten en systeemontwikkeling 1998: 'De realiteit in een complexe samenleving als de onze is dat al lang niet meer iedereen alle relevante wettelijke regelingen kan kennen.' Van Gestel schrijft dat het om een juridische fictie gaat en niet om een opdracht aan de burger om wetteksten van buiten te leren of om anderszins actief informatie over bestaande regelgeving in te winnen. De fictie beoogt volgens Van Gestel tot uitdrukking te brengen dat 'je als burger van het bestaan van wettelijke regels moet kunnen weten en kennis van de inhoud dient te kunnen nemen, alvorens je eraan gehouden mag worden.' (Van Gestel, Eenieder wordt geacht de wet te kennen 1998, p. 78).
www.jurofoon.nl/jurofoonjournaal/200401/wetten_en_regels.asp.
Veerman, De wet als zinsbegoochelingstoestel 2004, p. 9.
Lokin, Het op orde houden van het wettenbestand 2005, p. 156.
Witteveen, Utopia en de volmaakte wetskennis 2004, p. 191 en 193.
Van Gestel, Wetgeven is vooruitzien, 2008, p. 2 en 30.
Zie Explanatory Memorandum bij Richtlijn 96/61/EEG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, (PbEG 1996 L 257/26).
Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 223.
Zoals www.zoekopnummer.nl/.
Dat het probleem van het gebrek aan kenbaarheid van het omgevingsrecht overigens niet veel vaker wordt gesignaleerd - en geattaqueerd - is misschien voor een belangrijk deel het gevolg van het feit dat degenen die zich bezig houden met het omgevingsrecht daarin veelal goed zijn ingevoerd en de juridische werkelijkheid ook als een eigen werkelijkheid, misschien wel als de echte werkelijkheid, zijn gaan ervaren. Om een vergelijking te maken. Wie nooit moeite heeft gehad met de uitgang van een voltooid deelwoord in het Nederlands zal niet snel een noodzaak gevoelen in te stemmen met een vereenvoudiging van deze voor veel mensen lastige taalregel.
Woldendorp, Interview 2011, bijl. 5.1, par. 3.1.
Rademaker, Interview 2011, bijl. 5.2, par. 3.3.
Molenaars en De Vos, Interview 2012, bijl. 5.6 en 5.7, par. 2.1.
Borman, Interview 2012, bijl. 5.3, par. 3.2.
Zie hierover ook par. 3.2.6.3.
Voermans, Interview 2012, bijl. 5.5, p.2.1.
Drupsteen, Interview 2012, bijl. 5.8, p. 2.1.
Zoekend naar een antwoord op de vraag welke samenhangcriteria voor een wetssysteem wetenschappelijk verdedigbaar zijn, heb ik hiervoor aangegeven dat de belangrijkste functie van een wetssysteem - los van de inhoud van de daarvan deel uitmakende regels - de kenbaarheid van het recht betreft. Dat geldt ook voor het omgevingsrecht. Omwille van de kenbaarheid is het daarbij van belang dat een wetssysteem probleemgeoriënteerd is vormgegeven. Daaruit volgt mijns inziens dat de wetgever moet kiezen voor samenhangcriteria die waar mogelijk recht doen aan deze kenbaarheid en probleemgeoriënteerdheid. Dit uitgangspunt wordt naar mijn overtuiging nog versterkt door het in Nederland geldende postulaat dat ieder wordt geacht de wet te kennen. Dat betekent vanzelfsprekend niet dat juristen veronderstellen dat rechtssubjecten
'de' wet ook daadwerkelijk kennen, maar dat rechtssubjecten zich niet op onbekendheid daarmee kunnen beroepen.1
Het kennen van alle wetten is alleen al vanwege hun omvang onbegonnen werk. Zo meldt Jurofoon2 dat er volgens onderzoek van het Nederlands Juristenblad op 1 december 2003 138.764 wettelijke bepalingen in Nederland van kracht waren: 1.790 wetten (46.472 wetsartikelen), 2680 algemene maatregelen van bestuur (35.695 artikelen) en 7.664 ministeriële regelingen (56.597 artikelen). Een wet telde in 2003 gemiddeld 26 bepalingen, een algemene maatregel van bestuur 13 en een ministeriële regeling ruim 7. Daarnaast bestaan er nog beleidsregels, internationale verdragen, Europese regels, regels van zelfstandige bestuursorganen, waterschappen, gemeenten en provincies. Volgens Veerman stonden in 2004 in de wettenbank van de Sdu ongeveer 1750 wetten, 2750 algemene maatregelen van bestuur en 7800 ministeriële regelingen. In totaal 12.300 regelingen die samen 140.000 artikelen telden.3
Op 23 mei 2002 telde ik op www.overheid.nl 1598 wetten in formele zin. Op 23 mei 2012 was dat aantal opgelopen tot 1878 wetten in formele zin, 2287 algemene maatregelen van bestuur en andere koninklijke besluiten, alsmede 5471 ministeriële regelingen.
Deze juridische fictie brengt naar mijn oordeel echter wel met zich dat van de wetgever mag worden verwacht dat hij zich alle mogelijke moeite zal getroosten om wetssystemen op het gebied van het omgevingsrecht zodanig in te richten dat het voor gebruikers van het omgevingsrecht niet onnodig moeilijk wordt gemaakt om de voor hen relevante wetssystemen te kunnen kennen. Een op de juiste wijze vormgegeven wetssysteem zou daaraan een belangrijke bijdrage kunnen leveren.
Lokin meent terecht dat de wetgever het aan zijn stand verplicht is om de fictie dat de burger nog steeds wordt geacht de wet te kennen dichter bij de werkelijkheid te brengen.4 In dit verband is ook interessant Witteveen waar hij schrijft dat in de utopische traditie een ideaalbeeld van de wetgeving van Utopia ontstond, waartoe behoorde een volmaakte wetskennis bij iedereen die van de gemeenschap deel uitmaakt. Hij citeert onder meer Thomas Mores Utopia: 'Dit keuren zij dan ook in de eerste plaats bij andere volken af, dat daar ontelbare boekdelen met wetten en uitleggingen nog niet voldoende zijn. Zelf
achten zij het echter in hoge mate onbillijk iemand, wie ook maar, te binden aan zulke wetten, die of te talrijk zijn, dan dat men ze zou kunnen doorlezen, of te duister, dan dat een willekeurig mens ze zou kunnen begrijpen.'5 Ook Van Gestel begint zijn rede Wetgeven is vooruitzien met een verwijzing naar Utopia, Interessanter voor mijn onderzoek is echter dat Van Gestel meent dat op de wetgever de plicht rust om wettelijke regels zoveel mogelijk zo in te richten dat ze voldoende duidelijk, kenbaar en voorzienbaar zijn om te voorkomen dat er reeds op wetsniveau strijd met het rechtszekerheidsbeginsel ontstaat.6
Mij lijkt dat een wetssysteem op het gebied van het omgevingsrecht aan kenbaarheid zal winnen naarmate het beter aansluit bij de samenhangen en de problemen die door gebruikers reeds als werkelijkheid worden ervaren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de samenhang 'bouwen van een fabriek' of om het probleem 'welke vergunningen heb ik nodig voor het bouwen van een fabriek?' Omwille van de kenbaarheid en de probleemgeoriënteerdheid moet de wetgever de samenhang in een wetssysteem daarom bij voorkeur niet zoeken in de door hemzelf geschapen wereld van het (omgevings)recht, maar juist in de werkelijkheid, zoals die door de gebruikers van wetssystemen wordt ervaren. Ik noem dat de echte werkelijkheid, de werkelijke wereld, the real world.7 Op wie van oordeel is dat er slechts één werkelijkheid bestaat, zal 'de echte werkelijkheid' wellicht overkomen als een pleonasme. Toch gebruik ik dit begrip om duidelijk aan te geven dat er een verschil bestaat tussen de (echte) werkelijkheid zoals die door gebruikers van wetssystemen wordt ervaren en de (juridische) werkelijkheid die door wetgevingsjuristen in wetteksten wordt geschapen. Die juridische werkelijkheid is tot op zekere hoogte evenmin te vermijden als formules in de wiskunde, maar heeft wel gevolgen voor de kenbaarheid van een wetssysteem.
Het risico dat een wetssysteem aan kenbaarheid en probleemgeoriënteerdheid inboet neemt toe in de mate dat de wetgever datgene wat in de werkelijkheid samenhangt niet samenhangend heeft geregeld.
Noll noemt in dit verband het voorbeeld van de wetgever die de samenhang zoekt in het criterium 'straf' en vervolgens het Wetboek van Strafrecht niet systematiseert volgens delictsomschrijvingen maar volgens de verschillende strafbedreigingen. Een voorbeeld zou dan zijn: 'Met levenslange gevangenisstraf wordt gestraft hij die a) een moord pleegt, b) volkerenmoord pleegt etcetera.' Op die manier zou de systematiek, 'ins Extrem geführt, einem Telefonbuch gleichen, das nicht nach den Namen der Inhaber von Telefonanschlüssen und ihre alphabe-tischen Reihenfolge geordnet ware, sondern nach der arithmetischen Reihenfolge der Telefonnummern.'8 Bij deze voorbeelden past wel de relativering, dat dergelijke samenhangcriteria wel nuttig kunnen blijken voor degene die wil weten op welke strafbare feiten levenslange gevangenisstraf staat of degene die een telefoonnummer heeft en de daarbij behorende naam zoekt. Inmiddels zijn er ook digitale telefoonboeken op de markt die het mogelijk maken om bij een telefoonnummer een naam en adres te zoeken.9
Deze voorbeelden illustreren dat een (wets)systeem voor bepaalde gebruikers aan kenbaarheid inboet (voorbeeld van het strafrecht) of zelfs praktisch geheel onbruikbaar wordt (voorbeeld van het telefoonboek als men tenminste op naam zoekt) als wordt gekozen voor een samenhangcriterium dat niet aansluit bij de door gebruikers van het wetssysteem ervaren in de werkelijkheid bestaande samenhang(en). Deze voorbeelden geven en passant ook aan dat niet elke -politieke - keus voor een samenhangcriterium op goede gronden verdedigbaar is.10
In het kader van de door mij gehouden interviews heb ik het punt van de kenbaarheid en de echte werkelijkheid uitdrukkelijk aan de orde gesteld.
Een deel van de geïnterviewden is gecharmeerd van het idee om de kenbaarheid van een wetssysteem te vergroten door samenhang te zoeken in de echte werkelijkheid. Woldendorp vraagt zich af "of de wetgever wel een eenvoudige en voor iedereen kenbare wet wil en moet willen", maar hij is het met mij eens dat de wetgever de wetgeving zou moeten maken "voor de werkelijkheid van de mensen waarvoor de wetgeving is bedoeld. En niet zoals vroeger, toen de wetten in elkaar zaten overeenkomstig de organisatie van de ministeries. Dat is niet het goede uitgangspunt." Aan de hand van een aantal praktijkvoorbeelden - mestboekhouding (MINAS), CO2-enNOx-emissiehandel en natuurwetgeving - geeft hij vervolgens aan, dat het uitgangspunt van kenbaarheid en eenvoud in de wetgevingspraktijk soms sneuvelt om tegemoet te komen aan in de maatschappij levende wensen, die daar vaak haaks op staan.11Rademaker is er "heilig van overtuigd dat de wetgever moet aansluiten bij de echte werkelijkheid van burgers en bedrijven."12 Hij zegt dit in het licht van de Wabo, waar de werkelijkheid voor burgers en bedrijven is dat zij iets op een bepaalde plaats willen realiseren en gebruiken. In het kader van de Omgevingswet stellen Molenaars en De Vos dat zij bij het vormgeven van de Omgevingswet wel bezig zijn met het zoeken van een betere aansluiting bij de echte werkelijkheid van burgers en ondernemers. Daarbij is
de vraag gesteld of moet worden uitgegaan van het begrip inrichting, dan wel van activiteiten waarmee iemand daadwerkelijk bezig is. De Vos zegt: "We zijn nadrukkelijk op zoek naar terminologie en aangrijpingspunt voor de normstelling om beter aan te sluiten bij de fysieke wereld en wie zich daarin bezighouden."13
Een ander deel van de geïnterviewden lijkt niet tegen het zoeken van samenhang in de echte werkelijkheid, maar operationaliseert dat niet. Voor Borman lijkt de kenbaarheid voor burgers en bedrijven geen prioriteit te hebben: "Wetgeving blijft natuurlijk een juridisch document, dat niet kan worden opgesteld in Jip-en-Janneketaal.""De geadresseerde is wel vaak een burger of bedrijf, maar het gaat om juridische documenten. Die worden eerder geschreven voor de rechter dan voor de burger."14Voermans sluit aan bij dit van binnen naar buiten-denken15 waar hij zegt dat de wetgevingsjurist de kenbaarheid eerder zoekt voor juridische gebruikers. Het gaat immers om wetgeving.16Drupsteen ten slotte meent dat kenbaarheid en voorspelbaarheid voor burgers en ondernemers niet de eerste insteek zal zijn van een wetgevingsjurist. Er wordt volgens hem niet geredeneerd vanuit de gedachte dat wetssystemen voor iedereen leesbaar moeten zijn.17
Zoals ik hiervoor al heb gemotiveerd, moet de (omgevings)wetgever de samenhang in een wetssysteem niet zoeken in de wereld van het recht, maar juist in de werkelijke wereld. Mijn oordeel dienaangaande wordt gedeeld door een deel van de geïnterviewden. Voor dat oordeel valt eveneens steun te vinden in de Aanwijzingen voor de regelgeving, literatuur, beleidsstukken en (toelichting op) wetgeving. Dat zal ik hierna toelichten.