Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.3.2
16.3.2 Wettelijk verbod op doorwerking bij vergrijpboetes
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940246:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voorts paragraaf 16.4.2 en paragraaf 16.5.4.2.
Zie Feteris 2007, p. 316. In noot 132 verwijst hij naar enkele voorbeelden van andersluidende opvattingen. Zie voorts Koopman 1996, p. 206-207, alsmede Den Boer, Koopman & Wattel 1999, p. 572. Koopman achtte ook de beperking tot vergrijpboetes discutabel en vond dat de doorwerking in de grondslag ook bij verzuimboetes moest worden uitgesloten.
HR 27 juni 2001, BNB 2002/27, r.o. 3.5 (slot). De omkering van de bewijslast was destijds nog geregeld in art. 29 lid 1 AWR.
Feteris meende echter dat de Hoge Raad de doorwerking hiermee ‘zonder enig voorbehoud’ had geaccepteerd, Feteris 2007, p. 317.
In het berechte geval ging het voor wat betreft die waarborgen vooral om het nemo tenetur-beginsel en de dreiging van de omkering in dat verband. Zie daaromtrent nader paragraaf 11.2.4 en paragraaf 11.2.5.
De wettelijke bepalingen die de omkering van de bewijslast regelen, lijken de doorwerking voor wat betreft vergrijpboetes geheel uit te sluiten. Art. 25 lid 3, tweede volzin AWR bepaalt dat de omkering geen toepassing vindt voor zover het bezwaar is gericht tegen een vergrijpboete. Art. 27e lid 3 AWR bevat voor de beroepsfase een vergelijkbare bepaling. Een zuiver grammaticale interpretatie zou betekenen dat de inspecteur, in gevallen waarin de omvang van de heffing met toepassing van de omkering is vastgesteld, het belastingbedrag als grondslag voor de op te leggen vergrijpboete steeds afzonderlijk moet bewijzen. De omkering zou dan alleen in de sfeer van de heffing gelden. De boetegrondslag zal doorgaans aanzienlijk lager zijn dan het belastingbedrag in de sfeer van de heffing, aangezien dat bedrag veelal aan de hand van een redelijke schatting wordt bepaald.1 De wetgever heeft echter aangegeven dat de bovengenoemde bepalingen alleen zien op de schuldgradatie.2 De omkering mag dus geen gevolgen hebben voor de vraag of er sprake was van opzet of grove schuld, maar kan wél doorwerken in de grondslag voor de boete.3 Deze uitleg verklaart waarom er voor verzuimboetes geen wettelijk verbod is opgenomen.
De opvatting van de wetgever was in de literatuur en in de rechtspraak niet onomstreden.4 De Hoge Raad oordeelde in 2001 zonder veel omhaal van woorden dat de omkering en verzwaring van de bewijslast niet kan worden beschouwd als strijdig met het EVRM.5 Dit arrest bood echter niet de gewenste duidelijkheid over de houdbaarheid van de doorwerking van de omkering in de boetegrondslag.6 De Hoge Raad bepaalde namelijk slechts in algemene zin dat de omkering niet als zodanig in strijd komt met art. 6 EVRM, indien de waarborgen van dat artikel maar niet zijn veronachtzaamd bij beoordeling van de toepasselijkheid van de omkering.7 Dat is een open deur. Bovendien bleef de precieze betekenis voor het wettelijke verbod op doorwerking bij vergrijpboetes ongewis, omdat het verbod nog niet gold in het berechte geval. In paragraaf 16.5.2 kom ik hierop terug.