Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.7.2.2
V.7.2.2 Mandatering bij of krachtens de statuten
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242935:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23 (MvA).
Zie over de uitwerking van de regeling in een aandeelhoudersovereenkomst Nowak, WPNR 2014/7014, p. 348.
Zie de laatste volzin van art. 2:129a/239a lid 3 BW. Nowak, WPNR 2014/7014, p. 348, is van mening dat een statutaire grondslag niet vereist is wanneer de uitwerking van de regeling in een aandeelhoudersovereenkomst geschiedt. Gelet op de wettekst, houdt zijn opvatting mijns inziens geen stand.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 23 (MvA).
Idem Van Olffen 2009, p. 34.
Volgens Boschma e.a. wordt de regeling van art. 2:129a/239a lid 3 BW doorgaans in de statuten of in het bestuursreglement uitgewerkt, zie Boschma e.a. 2018, p. 73. Een regeling bij de statuten is bijvoorbeeld bij Prosus NV te vinden. Zie art. 18.4 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019. Ook bepalen de statuten regelmatig dat de regeling kan worden uitgewerkt in het bestuursreglement. Zie bijvoorbeeld art. 16.4 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016; en art. 26.1 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012.
Zie art. 2:66/177 lid 1 jo. 2:69/180 lid 1 BW. Uit art. 2:126/236 BW volgt dat ook eventuele wijzigingen van de statuten moeten worden ingeschreven. Zie in gelijke zin Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89.
De regeling kan bijvoorbeeld op de website van de vennootschap geplaatst worden.
Dit betekent dat de algemene vergadering er steeds aan te pas moet komen. Zie art. 2:121/231 lid 1 BW. Zie aldus ook Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89.
Idem Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/184; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/120; en Handboek 2013/149, p. 157. De zaken liggen anders wanneer de algemene vergadering daartoe in de statuten is aangewezen of het bestuursbesluit daaromtrent is onderworpen aan de goedkeuring van de algemene vergadering.
Evenzo Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; en Van Olffen 2009, p. 33-34, die zijn standpunt herhaalt in Van Olffen, Ondernemingsrecht 2012/89.
Zie art. 2:14 lid 1 en 2 BW. Vgl. Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/303.
Zie art. 2:15 lid 1 sub b en c BW.
In gelijke zin De Roo, WPNR 2019/7243, p. 473.
De algemeen gedeelde opvatting in de literatuur is dat een besluit dat is genomen door een onbevoegd orgaan nietig is ex art. 2:14 lid 1 BW. Zie onder meer Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/301; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 17.5, p. 317-318; en Handboek 2013/234, p. 456-457. Hetzelfde geldt wanneer het besluit weliswaar is genomen door het bevoegde orgaan, maar niet is voldaan aan de eis dat het besluit moet worden genomen door het voltallige orgaan. Zie bijvoorbeeld Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 17.5, p. 318. Ik vermoed dat deze lijn kan worden doorgetrokken tot de situatie waarin een bestuurder op grond van art. 2:129a/239a lid 3 BW zelfstandig bevoegd is bestuursbesluiten te nemen omtrent zaken binnen zijn taakgebied, maar hij de omvang van zijn mandaat overschrijdt. Ook De Roo, WPNR 2019/7243, p. 473, lijkt deze opvatting te zijn toegedaan.
De Roo, WPNR 2019/7243, p. 473.
Voor de toepassing van de mogelijkheid die art. 2:129a/239a lid 3 BW biedt, geldt slechts één vereiste. De mandatering behoort ‘bij of krachtens de statuten’ te geschieden. Er zijn drie smaken. In de eerste plaats kan de regeling in de statuten zelf worden opgenomen. Ook kan de uitwerking van het mandaat in een ander ‘stuk’ geschieden.1 Te denken valt aan het bestuursreglement, een bestuursbesluit of een aandeelhoudersovereenkomst.2 Een voorwaarde is dan wel dat de basis voor de uitwerking in de statuten is neergelegd en de uitwerking op schrift wordt gesteld.3 Mondelinge afspraken bieden volgens de minister onvoldoende bescherming aan de andere bestuurders.4 Tot slot is een combinatie van een uitwerking in de statuten en een ander schriftelijk stuk mogelijk. Zo kan een beperkte regeling worden opgenomen in de statuten met de mogelijkheid tot uitbreiding in bijvoorbeeld een bestuursreglement, bestuursbesluit of aandeelhoudersoverenkomst.5 Elk van deze mogelijkheden kent voor- en nadelen. Het is afhankelijk van de wensen van de vennootschap welke optie de voorkeur verdient.6
Een eerste verschil betreft de openbaarheid van de regeling. Zo heeft het vastleggen van de regeling in de statuten tot gevolg dat de regeling voor eenieder raadpleegbaar is, aangezien de statuten ter inzage liggen bij het handelsregister.7 Dat is niet het geval als de regeling wordt uitgewerkt in een ander schriftelijk stuk. De regeling is dan niet voor derden kenbaar, tenzij de vennootschap er zelf voor kiest de regeling openbaar te maken.8
Voorts dient in ogenschouw te worden genomen dat de regeling eenvoudiger kan worden gewijzigd wanneer zij krachtens de statuten is uitgewerkt. Is de regeling opgenomen in de statuten, dan is steeds een statutenwijziging nodig om de regeling aan te passen.9 Een reglement of besluit kan daarentegen eenvoudig worden gewijzigd door een besluit van het bestuur zelf.10
Tot slot maakt het voor de toepassing van art. 2:14-15 BW uit of de regeling bij of krachtens de statuten geschiedt.11 Althans, als de regeling voorwaarden verbindt aan de mandatering. Te denken valt aan de voorwaarde dat de bestuurders slechts individueel besluitbevoegd zijn met voorafgaande goedkeuring van een ander orgaan dan het bestuur. Is deze regeling opgenomen in de statuten, dan is het besluit nietig indien de voorafgaande goedkeuring ontbreekt.12 Is de regeling uitgewerkt in een besluit of reglement, dan is het besluit niet nietig maar vernietigbaar.13 Voor de volledigheid wijs ik erop dat het voor de gevolgen van het overschrijden van de bevoegdheid niet uitmaakt of de regeling bij of krachtens de statuten geschiedt. Neemt een bestuurder een bestuursbesluit omtrent een zaak die buiten zijn taakgebied valt, dan is dat besluit nietig.14 Daarbij is niet relevant of de mandatering van de besluitvorming op de statuten dan wel het bestuursreglement of een ander schriftelijk stuk berust.15 In navolging van De Roo meen ik namelijk dat niet de titel, maar juist het ontbreken daarvan beslissend is.16