Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.7.2.1
V.7.2.1 Inleiding
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242934:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Idem Boschma e.a. 2018, p. 73; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; en Van Olffen 2009, p. 41. Met de term ‘mandatering’ doel ik op het verlenen van een mandaat in de zin van art. 10:1 Awb: “de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen”. In de vennootschapsrechtelijke literatuur wordt in plaats van de term ‘mandaat’ veelal de term ‘delegatie’ gehanteerd. Zie bijvoorbeeld Boschma e.a. 2018, p. 73; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2012/90; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:129a/239a BW, aant. 9.1; De Roo, WPNR 2019/7243, p. 474; en Verdam, Ondernemingsrecht 2013/102. Van delegatie in de zin van art. 10:13 Awb, te weten “het overdragen door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent”, is bij art. 2:129a/239a lid 3 BW echter geen sprake. De besluitvormingsbevoegdheid van het bestuur wordt weliswaar overgedragen aan een of meer bestuurders, maar de verantwoordelijkheid blijft op het bestuur rusten. Bovendien werkt de regeling van art. 2:129a/239a lid 3 BW – zoals gezegd – niet privatief. Het bestuur kan steeds vorderen dat over een bepaalde zaak door het bestuur als collectief wordt besloten. Ik vind de term ‘mandaat’ daarom zuiverder.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 17 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 13 (NV).
Art. 2:129a/239a lid 3 BW vormt de eerste uitzondering op het uitgangspunt van collectieve besluitvorming. Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid tot mandatering van de besluitvormingsbevoegdheid van het bestuur aan een of meer bestuurders.1 Op grond van het derde lid van art. 2:129a/239a BW kan namelijk bij of krachtens de statuten worden bepaald dat een of meer uitvoerende of niet-uitvoerende bestuurders rechtsgeldig kunnen besluiten omtrent zaken die tot zijn respectievelijk hun taak behoren. Bestuursbesluiten die op grond van art. 2:129a/239a lid 3 BW door een of meer bestuurders worden genomen, hebben te gelden als besluiten van het bestuur.2 Ik duid aldus genomen besluiten aan als ‘zaak-taakbesluiten’.