Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.3.5.1
8.3.5.1 De discussie in de literatuur over de mogelijkheid om toekomstige zaken bij voorbaat over te dragen
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS415978:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van de discussie: Veenhoven 1955, p. 51 e.v.
Houwing 1940, p. 52.
Scheltema 1938, p. 403.
Wiarda 1940, p. 63.
Los van de discussie over de geldigheid van een geanticipeerde levering constituto possessorio werd in de literatuur tevens de mogelijkheid verdedigd dat een schuldenaar een afzonderlijk aangeduide toekomstige roerende zaak als middellijk vertegenwoordiger voor de schuldeiser kon verkrijgen. Zie voor een bespreking van deze constructie: Houwing 1940, p. 54 e.v.; Asser/Beekhuis 1980, p. 131 e.v. Het werd weliswaar algemeen aangenomen dat een onmiddellijk vertegenwoordiger direct eigendom voor de vertegenwoordigde verkreeg, maar voor een middellijk vertegenwoordiger stond dit ter discussie. Enerzijdswerd betoogd dat de middellijk vertegenwoordiger direct eigendom verkreeg voor de vertegenwoordigde. Anderzijds werd betoogd dat de middellijk vertegenwoordiger eerst eigendom verkreeg om vervolgens constituto possessorio te leveren aan de vertegenwoordigde. De eerste opvatting noemde men de leer van de rechtstreekse verkrijging en de tweede de doorleveringsleer. De doorleveringleer bood niet de mogelijkheid om alle toekomstige roerende zaken bij voorbaat voor de schuldeiser te verkrijgen. Vgl. Meijers 1936, p. 253-4; Asser/Beekhuis, Mijnssen & De Haan 1985, nr. 238-240. De rechtstreekse verkrijging was echter beperkt tot afzonderlijk aangeduide zaken en strekte zich niet uit tot vervangbare zaken of zaken die de vertegenwoordiger ontving om er in eigen belang handelingen mee te verrichten. De rechtstreekse verkrijging bood dus geen uitkomst voor een schuldeiser die alle bestaande en toekomstige roerende zaken van de schuldenaar onder zijn zekerheidsrecht wilde brengen.
In de literatuur stond ter discussie of een vervreemder toekomstige zaken bij voorbaat kon leveren.1 Er waren grofweg twee opvattingen. Volgens de eerste opvatting kon de wilsverklaring die iemand vandaag aflegde hem morgen niet zakelijk binden. Houwing schreef hierover: ‘Het ligt voor de hand, den wil des vervreemders op het oogenblik, dat hij eigenaar wordt, beslissend te achten. (…) Het recht gaat op het moment van zijn ontstaan slechts dan over, als de vervreemder op dat oogenblik den overgang nog wil; zijn wil ook op dat moment is vereischt. De voorafgegane levering maakt, dat partijen jegens elkander niet anders mogen willen, doch niet dat zij ook niet anders kunnen willen, want deze levering kan geen zakelijke werking hebben.’2 Volgens Scheltema moest de schuldenaar telkens na diens verkrijging verklaren dat hij houder was geworden voor de schuldeiser.3 Volgens de tweede opvatting had de vandaag afgelegde wilsverklaring tot gevolg dat bezit en eigendom automatisch overgingen wanneer de vervreemder de zaak zelf op een later moment verkreeg. Wiarda ging uit van deze zakelijke binding van de wil en meende dat de schuldeiser slechts geen bezit en eigendom verkreeg, als de schuldenaar de wil (om bezit te verschaffen) niet meer had èn hem had geopenbaard.4 In beide opvattingen over de levering constituto possessorio ging de zaak even door het vermogen van de schuldenaar, als gevolg waarvan een na de faillietverklaring verkregen zaak niet meer aan de schuldeiser kon worden overgedragen.5