Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.9.3.4
7.9.3.4 Individueel en concreet blijkende verantwoordelijkheid
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652186:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 16 augustus 1996 (r.o. 3.3.1), NJ 1997/37, m.nt. J.M.M. Maeijer (VHS).
Van der Vlis 1997, p. 229; Assink 2007, p. 457-459. Zie ook HR 10 januari 1990 (r.o. 7.6), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem); HR 4 juni 1997 (r.o. 4.16.1), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite). Veenstra 2010, p. 221-222 spreekt in dit verband van ‘oorzaakschuld’.
HR 19 mei 1999 (r.o. 3.3), NJ 1999/658, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1999/145, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Bobel), waarin het ging om een commissaris. Een en ander geldt mijns inziens evengoed voor de in art. 2:354 BW genoemde bestuurders en anderen in dienst van de rechtspersoon; zo ook Maeijer (onder 1) in zijn annotatie. Zie ook HR 18 november 2016 (r.o. 3.6.2), NJ 2017/202, m.nt. H.B. Krans & P. van Schilfgaarde; JOR 2017/30, m.nt. A. Hammerstein (Meavita).
EHRM 19 maart 2002 (onder ‘The Law’, r.o. 1), JOR 2002/127, m.nt. H.J. de Kluiver (Text Lite).
Assink 2007, p. 460.
Zie bijv. OK 2 november 2015 (r.o. 15.1-15.5), JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde (Meavita), waarover kritisch Borrius 2016, p. 69; OK 6 februari 2018 (dictum), JOR 2018/94, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Xeikon), verbeterd bij OK 6 april 2018, ARO 2018/86 (Xeikon), en deels vernietigd bij HR 19 juli 2019, NJ 2019/335; JOR 2019/273, m.nt. R.M. Hermans; Ondernemingsrecht 2019/165, m.nt. P.H.M. Broere (Xeikon).
In VHS oordeelde de Hoge Raad dat een veroordeling op grond van art. 2:354 BW moet zijn gebaseerd op de individuele draagplicht van de (rechts)persoon die in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden en die voor het slecht functioneren van de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gehouden.1 Kostenverhaal vereist dus persoonlijke verwijtbaarheid voor het onjuist beleid of de onbevredigende gang van zaken, in de zin van individuele schuld.2 Voor verhaal van de kosten van het onderzoek dient individueel en concreet te blijken van verantwoordelijkheid voor een onjuist beleid of onbevredigende gang van zaken. Die verantwoordelijkheid kan niet worden aangenomen op grond van een algemeen vermoeden dat door de betrokken bestuurder, commissaris of ander in dienst van de rechtspersoon moet worden weerlegd.3 Van belang is dat de Ondernemingskamer haar oordeel dienaangaande deugdelijk motiveert. De toewijzing van het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek betreft de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen als bedoeld in art. 6 EVRM; een voldoende kenbare deugdelijke motivering is dan vereist.4
Assink heeft in dit kader opgemerkt dat de vaststelling van individuele en concrete verantwoordelijkheid voor een onjuist beleid lang niet altijd mogelijk is, als zich binnen betrekkelijk korte tijd diverse wijzigingen voordoen in de persoonlijke samenstelling van bijvoorbeeld het bestuur.5 Het lijkt erop dat de Ondernemingskamer daar echter geen moeite mee heeft, door het wanbeleid in voorkomende gevallen op te knippen in verschillende onderdelen en voor ieder onderdeel te bezien wie hiervoor verantwoordelijk is.6 De Ondernemingskamer kan de kosten van het onderzoek daarbij ook verdelen over betrokkenen (par. 7.10).