Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/6.3
6.3 De wetshistorische betekenis van rituele slacht
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452783:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Havinga 2008, p. 212.
KB van 5 juni 1920, Stb. 285 (artikel 7). Zie ook Van Bijsterveld 1988, p. 213, 214.
De Blois 2014, p. 350.
Stb. 1922, 305. Zie ook Havinga 2008, p. 212.
Verordening van 31 juli 1940, vo. 80 (van kracht vanaf 5 augustus) en genaamd: ‘Zur Vermeidung von Tierqualerei beim Viehslachten’.
KB 9 februari 1948.
Shadid & Van Koningsveld 1992, p. 14.
Vleeskeuringsbesluit, Stb. 1977, nr. 28.
Rath 1996, p. 46.
Handelingen II 1983/84, p. 1305.
Handelingen II 1983/84, p. 1307.
Kamerstukken II 1984/85, 18600 XIV, nr. 84; Kamerstukken II 1984/85, 18600 XIV, nr. 88 en Aanhangsel Handelingen I 1984/85, nr. 40, p. 83-85. Zie ook Den Boer, NJCM-Bulletin 1987/12-2, p. 115, 116.
Rath 1996, p. 46.
De rechtsgeschiedenis leert dat de uitleg van rituele slacht als een godsdienstige uiting niet altijd onbetwist is geweest. In deze paragraaf ga ik in op de wijze waarop de ‘oude’ nationale wetgever de rituele slacht definieerde. De joodse rituele slacht vindt al 375 jaar plaats in Nederland. Tot omstreeks 1900 was deze onverdoofde slachtwijze geen punt van discussie. Daarna verbeterden de bestaande slachtwijzen door nieuwe bedwelmingstechnieken. Rond die tijd kwam voor het eerst de vraag op of ritueel slachten op basis van het grondwettelijke recht op godsdienstvrijheid wel kon worden getolereerd of dat ritueel slachten verboden zou moeten worden als ontoelaatbare dierenmishandeling.1 Met de oprichting van gemeentelijke slachthuizen vanaf 1890 werden voorschriften voor het slachten vastgelegd in gemeentelijke verordeningen. In deze verordeningen werd vaak verdoving voorgeschreven maar werd een uitzondering gemaakt voor joods ritueel slachten. De eerste nationale regeling voor het verdoofd slachten waarin een uitzondering werd gemaakt voor de Israëlitische rite dateert uit 1920.2 In dit Koninklijk Besluit werd de verplichting tot bedwelming verdedigd als een ‘humane’ maatregel om misbruik van dieren zoveel mogelijk tegen te gaan, terwijl de uitzondering werd gemotiveerd met een verwijzing naar de religieuze aard van de slacht.3 In de Vleeskeuringswet van 1922 werd voor het eerst op het niveau van de formele wet een uitzondering opgenomen ten aanzien van joods ritueel slachten. In deze wet werd ook de export van ritueel geslacht vlees zonder beperkingen toegestaan.4 Op 31 juli 1940 werd aan de eeuwenlange praktijk van joods ritueel slachten abrupt een eind gemaakt door de Duitse bezetter. In de door Duitsland bezette gebieden werden door de Nazi’s, uit antisemitische overwegingen, verboden op rituele slacht ingevoerd.5 Na de oorlog, met de komst van de geallieerden werden deze racistische wetten weer ingetrokken. Ook in Nederland werd de joodse rituele slacht bij Koninklijk Besluit in beperkte mate weer toegestaan.6
Het naoorlogse besluit had enkel betrekking op de joodse rituele slacht. Lange tijd na de oorlog tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd de islamitische rituele slacht niet gezien als een rite vergelijkbaar met die van de joden. Verzoeken van moslims voor het toestaan van de islamitische religieuze slacht in verband met het islamitische Suikerfeest werden door de overheid steevast afgewezen. Het idee leefde dat in de Koran niet de verplichting stond opgenomen dat dieren onbedwelmd geslacht moesten worden en dat de rituele slacht ook bedwelmd kon plaatsvinden.7 We kunnen deze benadering van de overheid van de rituele slacht zien als een voorbeeld van een objectiverende manier om tot een begrip van godsdienst te komen. Rituele slacht werd in dat perspectief gezien als een godsdienstige gedraging die was voorbehouden aan de joden. Deze opvatting werd geschraagd door een bepaalde interpretatie van de Koran. Een dergelijke onderbouwing is evident in strijd met het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid. Deze benadering is bovendien niet te verenigen met het ideaaltype van het liberale gezindtepluralisme omdat de staat hiermee geen neutrale houding inneemt ten opzichte van het jodendom en de islam en als gevolg hiervan deze godsdiensten ongelijk behandelt.
De opvattingen over de islamitische rituele slacht gingen schuiven naarmate de groter wordende moslimbevolking steeds nadrukkelijker kenbaar maakte dat ook zij, net als de joden, onbedwelmd ritueel wilde slachten. De rechtspositie van moslims ten aanzien van rituele slacht veranderde in 1977. Toen werd voor slachting volgens de islamitische rite dezelfde uitzondering gemaakt als voor de joodse rite.8 In beide gevallen werd deze uitzondering begeleid door een reeks extra voorschriften om te voorkomen dat dieren onnodige pijn zouden ondervinden. Ook mocht het slachten alleen plaatsvinden in de door de minister aangewezen slachthuizen.9 In de jaren tachtig wordt er in het parlement nog een aantal keren gedebatteerd over de rituele slacht. Uit deze debatten blijkt onder andere dat de regering van oordeel is dat rituele slacht een godsdienstige uiting is. Zo kwam in het plenaire debat in de Tweede Kamer naar aanleiding van de goedkeuring van het in de vorige paragraaf genoemde Europees Verdrag inzake bescherming van slachtdieren de kwestie aan de orde in hoeverre het onbedwelmd slachten binnen de moslimgemeenschap moest worden gezien als een voorschrift dat voortvloeit uit de islam of dat deze wijze van slachten slechts een gebruik is dat voortvloeit uit de traditie.10 De minister stelt niet op deze vraag in te willen gaan omdat dit volgens hem een interne discussie binnen de islamitische gemeenschap betreft die ‘in vergaande mate tot exegetische toestanden leidt’.11 De minister geeft met dit antwoord blijk zich goed bewust te zijn van de scheiding tussen kerk en staat en het daaruit afgeleide leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid.
Ook laaide de parlementaire discussie omtrent ritueel slachten nog kortstondig op in het kader van een eventueel in te stellen exportverbod voor ritueel geslacht vlees. Ook in dit verband stelde de regering expliciet dat ritueel slachten een gedraging is die valt onder de bescherming van het recht op de vrijheid van godsdienst. Volgens de toenmalige regering leidt deze erkenning niet alleen tot een uitzonderingsbepaling op het verbod op onbedwelmde rituele slacht, maar is de consequentie ook dat een verbod op de export van ritueel geslacht vlees in strijd is met de vrijheid van godsdienst. De regering overwoog dat gelovigen die onverdoofd ritueel geslacht vlees wensen te consumeren in derdelanden waar wel een verbod bestaat op de onverdoofde rituele slacht zijn aangewezen op de import.12 Indien Nederland een exportverbod zou invoeren zouden deze gelovigen in het buitenland geen of minder makkelijk toegang hebben tot ritueel geslacht vlees en daardoor indirect in hun godsdienstvrijheid worden beperkt. Een dergelijk verbod werd dan ook niet ingevoerd.13 Vanaf 1986 tot het indienen van het wetsvoorstel Thieme luwde de politieke discussie omtrent de rituele slacht.
Op grond van de ‘oude’ wetgeving ten aanzien van de rituele slacht, de begeleidende parlementaire stukken en de literatuur hierover kunnen we concluderen dat de rituele slacht al heel lang wordt gezien als een religieuze gedraging en dat deze uiting minstens vanaf begin jaren tachtig van de vorige eeuw expliciet wordt beschouwd als een gedraging die valt onder de reikwijdte van de godsdienstvrijheid (het huidige artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM). Reeds vanaf eind jaren zeventig van de vorige eeuw zien we dat de islamitische rituele slacht door de wetgever wordt gedefinieerd als religieuze gedraging. In het licht van de vorige paragraaf kunnen we concluderen dat de wetgever ten aanzien van rituele slacht een ontwikkeling heeft doorgemaakt in het definiëren ervan. Waar de wetgever voor de jaren zeventig een objectiverende uitleg van rituele slacht hanteerde die beperkt was tot het jodendom, zien we vanaf eind jaren zeventig dat de wetgever het leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid in acht neemt en het jodendom en de islam gelijk behandelt. Gesteld kan worden dat de wetgever dan uitgaat van het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Ten slotte zien we dat in de huidige context de rituele slacht niet enkel wordt voorbehouden aan joden en moslims maar dat de wetgever, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, ruimte laat voor andere religies en daarmee bewust, althans in theorie, religieuze pluriformiteit accommodeert. Deze werkwijze past binnen het perspectief van het accommodationisme.
Wel is het gezien het Europees Verdrag inzake bescherming van slachtdieren van de Raad van Europa van 1979 en het door het kabinet met de joodse en islamitische gemeenschap gesloten convenant niet voor de hand liggend dat de rituele slacht ook geldt als onderdeel van de vrijheid van godsdienst voor de enkeling, het individu. De indruk wordt gewekt dat de organisatie van de rituele slacht enkel begrepen kan worden vanuit de context van de religieuze gemeenschap. In die zin is het begrip van de rituele slacht toch in zekere mate geobjectiveerd. Een dergelijke objectivering past meer bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Men gaat immers uit van de gevestigde herkenbare godsdiensten.