Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.2.1:4.2.1 Vermogensbescherming
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.2.1
4.2.1 Vermogensbescherming
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS492995:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 31 mei 1956, Stb. 327, zie 3.5.
1956.
Wetsvoorstel 17 725, Stb. 1990, 90.
J.M.M. Maeijer, 'Omzetting van rechtspersonen', WPNR 1983-5649, p. 248.
1989.
Kamerstukken II 1982/83, 17 725, nr. 2, p. 14.
Naar aanleiding van opmerkingen van de heer Wolffensperger van D66 in Kamerstukken II 17 725, 14de Vergadering vaste commissie voor Justitie, p. 7-8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Wet op stichtingen was de eerste wettelijke regeling waarin rechtsvormwijziging van een rechtspersoon voorkwam.1Artikel 19 van de Wet op stichtingen was de voorloper van de algemene bepaling over rechtsvormwijziging. Vanaf het moment dat rechtsvormwijziging van een stichting mogelijk was, bestond een wettelijke regeling om het doelvermogen van de stichting te beschermen bij rechts-vormwijziging. Om te voorkomen dat rechtsvormwijziging door een stichting werd misbruikt om zich het vermogen van een stichting toe te eigenen werd bepaald dat gedurende tien jaren na rechtsvormwijziging een besluit tot ontbinding van de rechtspersoon slechts geldig was, wanneer de bestemming van het batig saldo van de vereffening door de Minister van Justitie was goedgekeurd.2
In 1992 wijzigde het karakter van het toezicht op vermogen.3 De bepaling werd in belangrijke mate opgerekt: in tijd en in omvang. De beperking in tijd, tien jaar, kwam te vervallen. In omvang was ook van een belangrijke verruiming sprake. Onder het oude recht ging het slechts om het overschot ná vereffening in tegenstelling tot de later ingevoerde continue bestemming van het doelvermogen.
De gewijzigde regeling introduceerde de vermogensklem zoals die nu nog in de wet is opgenomen. Het toezicht werd aan de ene kant beperkter in de zin dat alleen 'anders besteden' aan toezicht werd onderworpen. Besteding in overeenstemming met het doel was niet aan toezicht onderworpen. Aan de andere kant werd het toezicht verruimd. Besteding werd niet uitsluitend in het kader van een liquidatie beoordeeld maar doorlopend.4
De toezichthouder werd in 1992 eveneens gewijzigd. Was voorheen de Minister van Justitie degene die de bestemming in het oog hield, later werd dat (onder meer) aan de rechter overgelaten. Het vermogen van de stichting mocht slechts met toestemming van de rechter anders dan overeenkomstig het stichtingsdoel besteed worden.5 Aanvankelijk was toestemming van de rechter slechts nodig bij rechtsvormwijziging van een stichting in een vereniging.6 Later was het voorschrift voor alle wijzen van rechtsvormwijziging van een stichting van toepassing.7 De bepaling verloor haar kracht zodra het doelvermogen en de vruchten daarvan waren besteed.