Afscheid van de klassieke procedure?
Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.1.3.3:III.1.3.3 Het materiële strafrecht
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.1.3.3
III.1.3.3 Het materiële strafrecht
Documentgegevens:
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS300734:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De thematiek van het preadvies hangt vanzelfsprekend nauw samen met de vraag welke gedragingen al dan niet strafbaar zijn en daarmee met de reikwijdte van het materiële strafrecht. Niettemin besteden wij in het navolgende geen afzonderlijke aandacht aan vraagstukken omtrent criminalisering en decriminalisering. Dat maatschappelijk – mede als gevolg van de opkomst van de zogenoemde veiligheidscultuur waarin risico’s zoveel mogelijk moeten worden uitgebannen1 – een grote vraag bestaat naar de toepassing van het strafrecht, welke vraag de afgelopen decennia in belangrijke mate door de politiek en de wetgever wordt gehonoreerd, beschouwen wij als een voorlopig vaststaand gegeven en daarmee als een van de uitgangspunten waarop dit preadvies berust. Deze grote vraag naar strafrechtelijke handhaving maakt het eens temeer noodzakelijk op zoek te (blijven) gaan naar slimme, alternatieve vormen van afdoening van strafbare feiten, die zowel beantwoorden aan belangen van efficiëntie en effectiviteit als aan belangen van legitimiteit, kwaliteit en individuele rechtsbescherming. Ten aanzien van de vraag welke gedragingen al dan niet in het strafrecht thuishoren, volstaan wij in dit preadvies met de aloude – maar daarmee niet minder actuele – waarschuwing dat er grenzen bestaan aan wat het strafrecht in termen van criminaliteitsbestrijding en conflictoplossing vermag en dat de gedachte van strafrecht als ultimum remedium ook in de eenentwintigste eeuw een onverminderd serieus te nemen uitgangspunt vormt bij de vraag of gedrag al dan niet strafbaar moet worden gesteld.2 Wel wordt in het navolgende aandacht besteed aan de vraag wanneer de inzet van het strafrecht – gegeven de strafbaarheid van de aan de orde zijnde gedraging – in het individuele geval op zijn plaats is. Deze vraag ligt primair ter beantwoording voor aan de officier van justitie in het kader van de opportuniteitsafweging of en in welke vorm tot strafrechtelijke handhaving moet worden overgegaan. In het kader van deze afweging komt vanzelfsprekend mede betekenis toe aan het materiële strafrecht, nu de aard en ernst van het aan de orde zijnde delict alsmede de achterliggende rechtsbelangen belangrijke factoren (kunnen) zijn bij de afweging welke wijze van afdoening in het individuele geval op zijn plaats is.