Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.4.2
3.4.2 Adversair proces
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS482178:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Den Hartog 1992, p. 59.
Vgl. Stevens 2005, p. 51, en Knigge, noot onder EHRM 25 februari 1993 (Funke t. Frankrijk), NJ 1993, 485.
EHRM 28 augustus 1991 (Brandstetter t. Oostenrijk), § 66-67. Eerder had het Hof al wel de term ‘adversarial’ gebruikt, zoals in EHRM 6 december 1988 (Barberà, Messegué en Jabardo t. Spanje), § 78. Dit ter onderscheiding van het begrip ‘inquisitoir’. Zie over het begrippenpaar ‘adversair’ en ‘inquisitoir’ in relatie tot het nemo tenetur-beginsel uitgebreid Stevens 2005, p. 27 e.v.
Vgl. EHRM 28 augustus 1991 (Brandstetter t. Oostenrijk), § 66-67, en meer recent EHRM 14 januari 2003 (Lagerblom t. Zweden), § 49. Zie ook EHRM 18 maart 1997 (Mantovanelli t. Frankrijk), § 33 met verwijzing naar EHRM 19 juli 1995 (Kerojärvi t. Finland), § 42.
Vgl. EHRM 6 december 1988 (Barberà, Messegué en Jabardo t. Spanje), § 78.
EHRM 20 februari 1996 (Vermeulen t. België), § 33 (betreffende burgerlijke rechten).
EHRM 16 februari 2000 (Fitt t. Verenigd Koninkrijk), § 44.
EHRM 14 januari 2003 (Lagerblom t. Zweden), § 49.
Dit ter onderscheiding van onderzoeken die buiten de verdachte om gaan (en op zichzelf niet aan de nemo tenetur-problematiek raken).
Zie § 3.3 hiervoor.
Het recht op een behoorlijk strafproces in art. 6 EVRM is sterk gericht op de rechten van de verdediging. Het waarborgen van die rechten door de verdragsstaten moet onder meer zekerstellen dat het onderzoek ter terechtzitting (of anderszins; vgl. een schriftelijke procedure) deugdelijk plaatsvindt, doordat de ene partij in de gelegenheid wordt gesteld datgene te betwisten dat de andere partij naar voren brengt.1 art. 6 wordt dan ook vaak vereenzelvigd met de adversaire procesvorm, waarin de verdachte zijn eigen procespositie kan bepalen.2
In de zaak Brandstetter rept het EHRM voor het eerst over ‘the fundamental right that criminal proceedings should be adversarial’.3 Daarin overweegt het dat de verdachte effectief moet kunnen deelnemen aan een strafzitting.4 Hij moet invloed kunnen uitoefenen op het bewijs in de strafzaak tegen hem5, althans op de besluitvorming van de rechter die de (on)gegrondheid van de criminal charge vaststelt.6 Zie ook de zaak Fitt. Daarin overweegt het Hof dat het recht op een adversair proces in een strafzaak betekent dat de verdediging de gelegenheid moet krijgen om kennis te nemen van en te reageren op de standpunten die en het bewijs dat de andere partij heeft gepresenteerd.7
Illustratief is ook de zaak Lagerblom. Daarin overweegt het Hof dat het recht van de verdachte om effectief deel te nemen aan de strafzaak niet is beperkt tot het recht om bij de zitting aanwezig te zijn, maar ook het recht op juridische bijstand omvat en het recht om de procedure daadwerkelijk te volgen.8 Uit deze zaak volgt ook dat de (uitdrukkelijk) in art. 6, lid 3 EVRM vastgelegde rechten een uitdrukking zijn van de adversaire procesvorm.
Bewijsgaring voor het aanvangsmoment van de criminal charge
Van belang is ook dat aan de notie van tegenspraak in het strafproces respectievelijk de gelijkwaardigheid van partijen afbreuk zou worden gedaan, wanneer de autoriteiten het voor de vervolging benodigde bewijs bij de ‘person charged’ zouden vergaren. De vervolgende autoriteiten dienen het bewijs bij de verdachte te vergaren vóórdat hij is ‘charged with a criminal offence’.9 Dan geldt art. 6 nog niet.10