De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.5.6:3.5.6 Autonomie ten opzichte van het bevoegd gezag én de wetgever
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.5.6
3.5.6 Autonomie ten opzichte van het bevoegd gezag én de wetgever
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949433:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Es 1993, p. 77.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De leraar moet zich niet enkel verhouden tot zijn team, maar ook tot het bevoegd gezag en indirect de wetgever. Over deze verhoudingen wordt al sinds begin jaren 90 gediscussieerd. De Commissie van Es constateert in 1993 dat de overheid moet gaan sturen op afstand, door globale randvoorwaarden te scheppen.1 De scholen moeten daarnaast een eigen beleidsvoerend vermogen ontwikkelen. Door de groei van regelgeving is de beslissingsruimte van de school te klein geworden. In het advies Leerkracht! uit 2007 wordt ervoor gepleit de autonomie van de leraar te vergroten. De leraar zou daarnaast, zoals ook de Commissie van Es adviseert, betrokken moeten worden bij het beleid van de school. Met de Wet beroep leraar is dit deels geregeld. In het professioneel statuut dient het bevoegd gezag, in overleg met de leraar, uit te werken hoe de zeggenschap van de leraar binnen de school georganiseerd wordt. De wetgever heeft dan ook geregeld dat het bevoegd gezag en de leraar in gesprek moeten gaan en afspraken moeten maken over de zeggenschap, ofwel autonomie, van de leraar. Dit betreft de autonomie van de leraar binnen het onderwijskundig beleid van de school, dat weer dient te passen binnen de kaders van wet- en regelgeving. De wetgever heeft niet zelf een stap teruggedaan door globalere randvoorwaarden te scheppen, waardoor het bevoegd gezag meer ruimte zou krijgen om eigen onderwijskundig beleid op te stellen en dus zijn school meer naar eigen inzicht in te kunnen richten. De beslissingsruimte van de school binnen de kaders van wet- en regelgeving blijft dan ook beperkt, waardoor ook de mate van zeggenschap die het bevoegd gezag aan de leraar kan geven beperkt blijft. Met de Wet beroep leraar, waarbij het doel was om de autonomie van de leraar te vergroten, had de wetgever een stap terug kunnen doen door globaler te gaan sturen. Hierdoor hadden het bevoegd gezag en de leraar meer ruimte kunnen krijgen om samen het onderwijskundig beleid van de school uit te werken.