Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.4.3:2.4.3 Rechtspositie uitzendkracht en het 8-urencriterium
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.4.3
2.4.3 Rechtspositie uitzendkracht en het 8-urencriterium
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258992:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
CRvB 12 mei 1992, ECLI:NL:CRVB:1992:AK9642, RSV 1992/303.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het 8-urencriterium had ook in de praktijk bij werknemers voor vraagtekens gezorgd. Zo is aan de CRvB in 19921 de vraag voorgelegd of een uitzendkracht aan het 8-urencriterium voldeed in de perioden dat zij stond ingeschreven bij het uitzendbureau, maar niet was uitgezonden omdat er geen werk beschikbaar was. De CRvB overwoog dat artikel 42 lid 2 WW niet de eis inhoudt dat feitelijk werkzaamheden in dienstbetrekking moeten zijn verricht, maar dat betrokkene in dienstbetrekking moet hebben gestaan. Maar de enkele inschrijving bij het uitzendbureau is volgens de CRvB niet voldoende om van het ontstaan van een dienstbetrekking te spreken. Een dergelijke dienstbetrekking ontstaat alleen op het moment dat gedurende een periode de uitzendkracht feitelijk bij een inlener werkzaamheden gaat verrichten.
De uitzendkracht voerde nog aan dat zij haar gewerkte uren wilde middelen, aangezien zij in sommige weken meer dan 8 uur per week had gewerkt en gedurende andere weken minder, maar gemiddeld genomen wel aan de eis van ten minste 8 uur per week voldeed. De uitzendkracht wees erop dat zij totaal genomen meer had gewerkt dan iemand die in drie jaar alleen maar gedurende 8 uur per week zou hebben gewerkt, zodat het onrechtvaardig was om tegen haar te werpen dat zij niet gedurende drie jaar ten minste 8 uur per week in een dienstbetrekking heeft gestaan. De CRvB bepaalde kort en duidelijk dat er niet mag worden gemiddeld nu de tekst van artikel 42 lid 2 WW dit niet toelaat. Ook anderszins had de CRvB geen aanknopingspunten gevonden om de bepaling in die zin uit te leggen. Tot slot werd overwogen dat het niet aan de Raad is om de innerlijke waarde of de billijkheid van de betrokken wettelijke bepaling te beoordelen. De herziening van de arbeidsverledeneis van 26 juni 1991 van 52 SV-dagen en de 208 uren regeling van 2013 hadden deze betreffende uitzendkracht soelaas kunnen bieden, aangezien zij waarschijnlijk aan die criteria voldeed. Deze uitspraak benadrukt dan ook dat de herziening van de arbeidsverledeneis voor oproepkrachten en deeltijders gunstig was.