Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/7.5.2
7.5.2 Betaling bij hypotheekexecutie
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS613248:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 835.
Art. 551 lid 5 Rv.
Wat dit betreft is er geen verschil tussen executie door een schuldeiser (die krachtens executoriale titel beslag heeft gelegd) of een hypotheekhouder. De in de art. 551-553 Rv. neergelegde regeling van de verdeling van de opbrengst van de executoriale verkoop van onroerende zaken gaat immers
van de situatie dat de executiekoper de koopprijs in overeenstemming met art. 524 Rv heeft voldaan in handen van de notaris, die daaruit de kosten van de executie voldoet en, als een gerechtelijke rangregeling nodig blijkt, de netto-opbrengst stort bij de in art. 551 lid 2 bedoelde bewaarder. Zie: HR 12 juni 2009, NJ 2010/663, JOR 2009/273, § 3.5. In verband met het stelsel van de wettelijke rangregeling als hiervoor weergege-ven brengt redelijke toepassing van de art. 551-553 Rv in verbinding met deart. 482-490a Rv mee dat bij de opstelling van de staat van verdeling geen rekening ermee wordt gehouden dat de koopprijs niet in handen van de notaris is gestort, en dat ook geen rol speelt waar die koopprijs als gevolg van de onregelmatigheden na de executieverkoop mogelijk wel terecht is gekomen. De omstandigheid dat er geen door de notaris aangewezen bewaarder is die de netto-opbrengst onder zich heeft, staat hieraan niet in de weg, reeds omdat een notaris, die de ingevolge art. 551 Rv op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, op de voet van lid 4 van dat artikel, naast de Staat, jegens de belanghebbenden aansprakelijk is voor de daaruit voor hen voortvloeiende schade en dus (naast de Staat) moet instaan voor de aanwezigheid van de te verdelen netto-opbrengst. Zie: HR 12 juni 2009,NJ 2010/663, JOR 2009/273, § 3.7.
G.Á.C. OrbÁn en R.J. de Weijs, ‘Loan-to-Own meets Credit Bid: Credit Bidding naar Amerikaans en Nederlands recht’, TvI 2016/15, voetnoot 33 en § 6 (p. 117).
Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten, 12 augustus 2014, A.R. 2013/42, JOR 2014/284 (“Hoewel de executerende hypotheekhouder verkoper van het registergoed is, dient de koopsom evenwel aan de notaris te worden betaald. De executerende hypotheekhouder die tevens als koper op de veiling optreedt, zal zijn verbintenis om de koopsom te voldoen niet kunnen verrekenen met zijn vordering op de schuldenaar. De notaris ontvangt voor de gezamenlijke belanghebbenden.”). Zo ook: S.J.L.M. van Bergen, ‘Onroerend goed onder water: Herstructurering naar Amerikaans voorbeeld door middel van credit bidding?’ in: Perspectieven voor vastgoedfinanciering, Stichting Fundatie Bachiene, 2014, p. 246.
Noot A. Steneker bij: Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten 12 augustus 2014, JOR 2014/284, § 5. Vgl.: Parl. Gesch. Boek 3, p. 835; W.H. Heemskerk,AA 1978,p. 486.
Noot A. Steneker bij: Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten 12 augustus 2014, JOR 2014/284, § 6.
Rb Zwolle-Lelystad 21 april 2008, RI 2008/59.
De laatste zin is per 1 oktober 2014 toegevoegd in de Wet Wijziging Executoriale Verkoop.
Bijv.: Rb Noord-Holland 20 januari 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:260.
R.o. 3.8, Rb Amsterdam 27 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY4260. Zie ook: G.Á.C. OrbÁn en R.J. de Weijs, ‘Loan-to-Own meets Credit Bid: Credit Bidding naar Amerikaans en Nederlands recht’, TvI 2016/15, voetnoot 33 en § 6 (p. 117).
Art. 5 lid 1 Administratieverordening van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie KNB, gebaseerd op art. 24 lid 3 Wet op het notarisambt.
Voor het toepassen van credit bidding bij een executoriale verkoop van een verhypothekeerde zaak is het noodzakelijk dat: (i) de verkoop aan de hypotheekhouder kwalificeert als executoriaal; en (ii) de koopprijs door de koper, de hypotheekhouder, kan worden ‘verrekend’. In paragraaf 7.4 is uiteengezet wanneer aan voorwaarde (i) wordt voldaan. Wat betreft voorwaarde (ii) geldt allereerst dat ook een hypotheekhouder bij elke vorm van executoriale verkoop kan meebieden en als koper kan optreden.1 De wet geeft aan dat bij executie door een hypotheekhouder niet art. 551 Rv maar uitsluitend art. 3:270 BW van toepassing is.2 In art. 3:270 lid 1 BW is bepaald dat de koper de koopprijs in handen van de notaris moet voldoen.
Terwijl bij uitwinning van een pandrecht de koopprijs aan de verkopende pandhouder is verschuldigd, moet bij de uitwinning van een hypotheekrecht de koopprijs aan de notaris worden voldaan. Bij de openbare verkoop is dat de notaris die de openbare verkoop heeft begeleid; bij een onderhandse verkoop de notaris die de akte heeft verleden. De voldoening “in handen van de notaris” houdt in dat de koopprijs wordt gestort op de derdengeldrekening van de notaris.3Art. 3:270 BW schrijft voor dat de notaris eerst de executiekosten zal voldoen. Als geen sprake is van andere beperkt gerechtigden of beslagleggers, zal de notaris de hypotheekhouder voldoen en een (eventueel) restant aan de schuldenaar uitkeren (art. 3:270 lid 2 BW). Bij meerdere gerechtigden zal de notaris de netto-opbrengst – in beginsel – bij een bewaarder storten (art. 3:270 lid 3 BW). In art. 3:270 lid 7 BW is bepaald dat van het in art. 3:270 BW bepaalde niet in de verkoopvoorwaarden kan worden afgeweken. De rol van de notaris is toegelicht in de memorie van toelichting bij de Wet Wijziging Executoriale Verkoop.4
Credit bidding is bij de executie van een hypotheekrecht volgens een enge uitleg van art. 3:270 BW dus in strijd met art. 3:270 BW.5 Dit is wat betreft een openbare verkoop door het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint- Maarten op 12 augustus 2014 bevestigd.6 In de bijbehorende noot acht Steneker dit oordeel juist. Ten eerste omdat de notaris volgens de parle mentaire geschiedenis de koopsom niet ten behoeve van de schuldenaar, maar ten behoeve van de gezamenlijke belanghebbenden ontvangt. Er ontstaat slechts een vordering van de hypotheekgever op de notaris, en niet op de hypotheekhouder. Daarom is – wederom – geen sprake van een “schuld jegens dezelfde wederpartij”, zoals voor verrekening in wettelijke zin is vereist.7 Ten tweede omdat de betaling aan de notaris de mogelijkheid creëert van een rangregeling ex art. 3:271 lid 1 BW jo. art. 3:270 lid 5 BW. De notaris kan en mag volgens Steneker niet beoordelen of die belanghebbenden er al dan niet zijn en wat hun aanspraak op de executieopbrengst is; de voorzieningenrechter en de rechter-commissaris dienen dit te beoordelen (art. 3:271 lid 1 BW jo. art. 552 Rv).8 Ook wanneer er geen andere rechthebbenden dan de executerende hypotheekhouder zijn kan de geëxecuteerde de hoogte van de gesecureerde vordering betwisten (art. 3:271 lid 1 BW jo. art. 3:270 lid 5 BW).9
Maar wat als een executerende eerste hypotheekhouder aan de voorwaarden van art. 3:270 lid 3 BW voldoet? Met inachtneming van art. 3:270 lid 3 BW kan de executerende eerste hypotheekhouder zijn vordering voldaan krijgen voordat de notaris de netto-opbrengst bij de bewaarder stort. In dit artikel is bepaald dat wanneer het goed door de eerste hypotheekhouder is verkocht en deze vóór of op de betaaldag aan de notaris een verklaring heeft overgelegd van hetgeen hem van de opbrengst toekomt (krachtens de door de eerste hypotheek verzekerde vordering), de storting achterwege blijft voor hetgeen aan de verkoper blijkens deze verklaring toekomt, en de notaris dit aan hem uitkeert.
Een rangregeling ten aanzien van het restant van de opbrengst hoeft een (eerdere) uitkering aan de executerende eerste hypotheekhouder niet te belemmeren. De betreffende verklaring over de hoogte van de gesecureerde vordering moet echter wel “zijn voorzien van een aantekening van de voorzieningenrechter van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het verbonden goed zich geheel of grotendeels bevindt, inhoudende dat hij de verklaring heeft goedgekeurd, nadat hem summierlijk van de juistheid ervan is gebleken. De verklaring kan behalve door een advocaat ook door een notaris worden ingediend”.10 De verklaring over de gesecureerde vordering kan worden betwist waardoor de uitbetaling aan de executerende eerste hypotheekhouder wordt opgeschort (art. 3:270 lid 4 BW).11 Wanneer de verklaring niet wordt betwist, lijken er geen bezwaren tegen een executoriale verkoop die afwijkt van art. 3:270 BW. Credit bidding lijkt dan mogelijk: de kopende hypotheekhouder brengt de koopprijs, het bedrag dat hem op grond van art. 3:270 lid 3 BW door de notaris uitgekeerd zou worden, in mindering op de vordering op de hypotheekgever. Naar de letter van de wet is dit in strijd met art. 3:270 lid 1 en lid 7 BW maar als er geen belanghebbenden worden benadeeld is deze ruime uitleg van art. 3:270 BW niet ondenkbaar.
Bij een onderhandse verkoop, die (voor de volledigheid) volgens de wettelijke regels van openbare verkoop werd opgestart, oordeelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in lijn met bovenbedoelde ruime uitleg van art. 3:270 BW:
“Ingevolge artikel 3:270 BW moet de koper de koopprijs in handen van de notaris voldoen. Een andere wijze van betaling is in dat artikel niet geregeld. Het verzoek op de voet van artikel 3:270 BW om de koopprijs met gesloten beurzen te laten plaatsvinden vindt dan ook geen steun in de wet en de bank is reeds daarom niet- ontvankelijk in haar verzoek. De voorzieningenrechter merkt echter op dat, nu de curatoren hiertegen geen bezwaar hebben, er vooralsnog geen bezwaar is tegen de door de bank voorgestelde gang van zaken, mits een en ander op deugdelijke wijze wordt beschreven door de notaris.”12
Wat betreft de positie van de notaris geldt dat de notaris zorgdraagt dat “intern maatregelen worden genomen die waarborgen dat de gelden waarvoor in de te passeren akten wordt gekwiteerd te zijner beschikking staan danwel (zich er van te vergewissen dat deze) zijn voldaan (…)”.13
De toelichting op deze bepaling geeft aan dat de notaris op grond van een zogenaamde kas- of controlestaat voor of op het moment van passeren van de akten kan verifiëren of alle gelden tot zijn beschikking staan. En:
“Wanneer de koopsom bij uitzondering niet via de notaris wordt voldaan, hetgeen bijvoorbeeld bij een aandelentransactie tussen B.V.’s binnen een concern het geval kan zijn, dient de notaris zich ervan te vergewissen dat de in de akte verleende kwijting voor de koopsom terecht wordt verleend.”14
Wanneer de notaris beschikt over een schriftelijke toelichting van de verkopende hypotheekhouder dan lijkt de handelswijze van credit bidding niet in strijd met de Administratieverordening.