Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/57
57 Arrest Besix
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505227:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 19 februari 2002, zaak C-256/00, Jur. 2002, p. I-01699, NJ 2004/159 (Besix) m.nt. PV, r.o. 34-35.
HvJEG 19 februari 2002, zaak C-256/00, Jur. 2002, p. I-01699, NJ 2004/159 (Besix) m.nt. PV, r.o. 34-35.
Als optie was in deze procedure onder meer geopperd om als plaats van uitvoering te kiezen de plaats waar de litigieuze verbintenis is geschonden, zie HvJEG 19 februari 2002, zaak C-256/00, Jur. 2002, p. I-01699, NJ 2004/159 (Besix) m.nt. PV, r.o. 41 en de noot van Vlas sub 2 en 3. Zie voor een bevestiging dat de Tessili-methode ‘voortleeft’ in art. 5 sub 1 onder a EEX-Vo: HvJEG 23 april 2009, zaak C-533/07, Jur. 2009, p. I-03327, AA 2009, p. 400 m.nt. M.V. Polak (Falco Privatstiftung), r.o. 51.
HvJEG 19 februari 2002, zaak C-256/00, Jur. 2002, p. I-01699, NJ 2004/159 (Besix) m.nt. PV, r.o. 50.
In het arrest Besix heeft het HvJ geoordeeld over de vraag of een schending van een wereldwijd geldend exclusiviteits- en non-concurrentiebeding onder de regeling van art. 5 sub 1 EEX-Verdrag (art. 7 sub 1 EEX-Vo II) kon worden gebracht.1 De Duitse vennootschap WABAG sloot een overeenkomst met de Belgische vennootschap Besix met het oog op samenwerking in het kader van een watervoorzieningsproject in Kameroen. Tussen partijen was afgesproken dat zij uitsluitend met elkaar zouden samenwerken en niet met derde partijen zouden contracteren. Toen bleek dat WABAG – althans een tot hetzelfde concern behorende vennootschap genaamd Plafog – deze afspraak had geschonden, rees de vraag of Besix een vordering tegen WABAG tot schadevergoeding uit hoofde van schending van het exclusiviteitsbeding kon indienen bij de Belgische rechter. De Duitse rechter zou in dit geval de ‘natuurlijke’ rechter zijn als de rechter van de woonplaats van de verweerder. De Belgische rechter zou slechts bevoegd zijn indien art. 5 sub 1 EEX-Verdrag hem als alternatief bevoegd forum zou aanwijzen. Met andere woorden, was hier sprake van een situatie waarin de verbintenis om niet te doen in België moest worden uitgevoerd? Het HvJ heeft vastgesteld dat een verbintenis om niet te doen in beginsel wereldwijd moet worden uitgevoerd. De bevoegdheden die afwijken van de hoofdregel dienen echter zodanig te worden uitgelegd, dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder in staat moet zijn te voorzien voor welke gerechten, anders dan de rechter van zijnwoonplaats, hij zou kunnenworden opgeroepen. Het feit dat het in de casus in Besix ging om een verbintenis om niet te doen betekent dat er een veelvoud aan plaatsen is waar deze moet worden uitgevoerd. De plaats van uitvoering vaststellen aan de hand van het toepasselijk recht op de overeenkomst betekent in een dergelijk geval dat een veelvoud aan bevoegde rechters ontstaat. De verbintenis is immers niet geografisch beperkt en dat leidt er toe dat in alle EEX-landen een bevoegde rechter te vinden zou zijn. Aldus ontstaat het risico dat niet kan worden voorzien welke rechter op basis van de alternatieve bevoegdheidsregel van art. 7 sub 1 bevoegdheid aan zou kunnen nemen.2 Het HvJ heeft in dit verband ook een verbinding met het rechtszekerheidsbeginsel gelegd: het feit dat niet voorzienbaar is welke rechter op basis van art. 7 sub 1 bevoegd is, levert strijd op met het rechtszekerheidsbeginsel. Het HvJ heeft aangegeven niet af te willen stappen van de Tessili-methode en dus vinden andere mogelijke opties voor alternatieve bevoegdheid op basis van art. 7 sub 1 geen gehoor.3 De verbintenis om niet te doen kan naar zijn aard niet op een bepaalde plaats worden gelokaliseerd en dient in beginsel wereldwijd te worden nagekomen. Dit is in strijd met het beginsel dat een verweerder altijd moet kunnen voorzien voor welke alternatief bevoegde rechter hij zou kunnen worden gedaagd. De conclusie luidt dat in geval van een verbintenis om niet te doen die een veelvoud aan alternatief bevoegde rechters oplevert, art. 7 sub 1 niet van toepassing is. De bevoegdheid kan in voorkomend geval slechts worden bepaald in overeenstemming met art. 4: de woonplaats van de verweerder.4