Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/5.4.4.5
5.4.4.5 Gelijke behandeling
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD91317:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hof Amsterdam 18 maart 1993, JAR 1993,193 en Ktg. Gouda 13 maart 1986, Prg. 1986, 2667.
Rb. Amsterdam 14 juli 1993, JAR 1993,190 (afwijzing vergoeding immateriële schade, gevorderd wegens (als discriminatoir opgevatte) procedurefouten tijdens sollicitatie).
Vgl. Hof Amsterdam 18 maart 1993, jar 1993,193 (toekenning van ƒ 5.000 aan vrouw die voor functie werd afgewezen 'omdat zij een vrouw was').
Zie voor een dergelijke uitspraak Ktg. Gouda 13 maart 1986, Prg. 1986, 2667.
Vgl. in deze richting denkend A-G Koopmans in zijn conclusie voor HR 29 november 1991, Nj 1993,150 (Ambtenarenpensioen), waar hij in overweging geeft het oude art. 1637wi.v.m. discriminatie in de arbeidssfeer in de richting van een privaatrechtelijke boete te interpreteren.
Ook het recht op gelijke behandeling geniet in het algemeen een zo hoge waardering dat in ernstige gevallen van schending van dat recht een vergoeding van immateriële schade op haar plaats kan zijn. In de rechtspraak worden bij schendingen van dat recht dan ook wel vergoedingen van immateriële schade toegekend.1 Ook hier is een zekere drempel op zijn plaats. Dat betekent dat de ongelijke behandeling van aanzienlijke ernst dient te zijn wil er plaats zijn voor een recht op vergoeding van immateriële schade.2 De keerzijde daarvan is dat in dergelijke gevallen dan ook een enigszins substantieel bedrag in de rede ligt.3 Zo acht ik de toekenning van ƒ 1 in dergelijke gevallen niet wenselijk.4 Voor een zeer hoge 'vergoeding' in de vorm van een privaatrechtelijke boete acht ik hier overigens evenmin plaats.5