Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/5.4.4.2
5.4.4.2 Persoonlijke levenssfeer
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD77141:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht De Graaf 1977, p. 104-151 die noemt: het privé-leven als zodanig, de woning, brieven, het gesproken woord, eer, de beeltenis en het karakterbeeld. Zie ook Verhey 1992, p. 192 e.v. Vgl. over het - overigens weinig scherpe - onderscheid tussen eer en goede naam enerzijds en de persoonlijke levenssfeer anderzijds hiervoor g 4.2.4.
Vgl. voor een voorbeeld CRvB 21 oktober 1993, AB 1994, 220; VRS 1997, 811, waarin aan een groot aantal ambtenaren een vergoeding werd toegekend vanwege het feit dat de gemeente in verband met een collectieve ziektekostenovereenkomst persoonsgegevens aan een derde had verstrekt.
Ook wordt wel gesproken van de privacy in relationele zin, waarmee wordt bedoeld het recht om zelf te beslissen met wie men omgaat. Zie hierover Onrechtmatige daad Vtt (Schuijt) aant. 101 en daar vermelde literatuur.
Aldus HR 30 oktober 1987, NJ 1987, 277 m.nt. lwh (Naturistengids) en HR 1 november 1991, Nj 1992, 58 (K/Staat).
MvA II, PG Bk 6, p. 380.
Zie hiervoor § 4.4.
M.n. wanneer het gaat om de publicatie van portretten, maar ookbuiten dergelijke gevallen. Vgl. bijv. Pres. Rb. Groningen 17 november 1994, KG 1995,101; VRS 1997,848 (bekendmaking seropositiviteit door derde) en Hof Amsterdam 4 november 1993, NJ 1996, 7; Mediaforum 1994, B8; VRS 1997, 857 (publicatie van persoonlijke informatie over zanger en actrice).
Het gewicht van de bescherming van de privacy blijkt ook uit de erkenning van dit recht in art. 10 Gw en art. 8 EVRM, art. 12 EVRM en art. 17 IVBPR. Brunner (noot onder HR 4 maart 1988, NJ 1989, 361 (Kinderen Bourbon Parma» meent zelfs dat er geen privacy-gevoeliger volk is dan het Nederlandse. Zie voor een ontwikkeling in Engeland, waar is voorgesteld om het recht op privacy in een aparte nieuwe 'tort' onder te brengen Consultation Paper 132, p. 18, noot 36.
Korthals Altes 1989, p. 58-59.
Zie de genoemde uitspraken van de Hoge Raad.
Aldus Spoor/Verkade 1993, p. 262.
Zie HR 30 oktober 1987, N/ 1988, 277 m.nt. lwh (Naturistengids); Rb. 's-Gravenhage 13 december 1989, VRS 1997, 821 (toezending naaktfoto's) en Pres. Rb. Breda 13 juni 1996, KG 1996, 216; VRS 1997, 832 (foto uit reportage over body painting gebruikt voor reclame).
Rb. Amsterdam 10 juli 1996, VRS 1997, 849 (publicatie van pikante foto met begeleidende tekst 'het jaar van de openbare sex').
Zie Rb. Amsterdam 20 mei 1987, VRS 1997, 814 (publicatie van foto's van roofovervaller in huis aan huis blad); Rb. 's-Gravenhage 2 september 1989, VRS 1997, 838 (vertoning foto op televisie van ten onrechte van ontvoering verdachte); Ktg. 's-Gravenhage 28 september 1994, Prg. 1996, 4501; VRS 1997, 816 (opname van foto's in politieregister van ten onrechte verdachte); Rb. Utrecht 26 oktober 1994, VRS 1997,831 (foto met suggestie van XTC-gebruik); Hof Amsterdam 2 februari 1995, Nj 1996, 205; VRS 1997, 844 (vertoning op televisie van beelden van van corruptie verdachte gevangenbewaarder) en Hof Amsterdam 16 maart 1995, VRS 1997, 824 (foto arrestatie bij huwelijk).
Zie Rb. Zutphen 23 mei 1991, VRS 1997, 828 (publicatie van foto van getuige van overval).
HR 23 januari 1987, NJ 1987, 555 m.nt. G (Eillert/De Groot). Deze afwijzing is vermoedelijk vooral toe te schrijven aan het feit dat deze zaak wat ongelukkig uit de verf kwam, doordat de vordering van Eillert was gebaseerd op de ellende die hij met zijn gezin had ondervonden als gevolg van het verblijf in Pension Hunebed, waarin hij zijn toevlucht had gezocht. Het hof had - volgens de Hoge Raad niet onjuist - geoordeeld dat er geen oorzakelijk verband bestond tussen de onrechtmatige daad en de immateriële schade als gevolg van het verblijf in Pension Hunebed. Daarmee werd de zaak afgedaan als een causaliteitskwestie. Van der Grinten ziet in zijn noot onder het arrest wel mogelijkheden voor een vergoeding wegens schending van de privacy.
Rb. Rotterdam 11 oktober 1991, vr 1993, nr. 101; VRS 1997,815. Vgl. voor een m.i. ernstiger geval Rb. Zwolle 3 augustus 1994, VRS 1997, 843 (kinderen en logé worden door derde uit huis geplaatst zonder dat sprake was van crisissituatie).
Men denke aan de gedwongen confrontatie met seksuele handelingen van anderen. Vgl. Hof Amsterdam 6 januari 1994, VRS 1997, 709, waarbij overigens ook het slachtoffer zelf was betast. Vgl. voor gevallen in de Duitse rechtspraak Larenz/Canaris 1994, p. 517 die in dit verband spreekt van een 'fremden Intimbereich' en 'ideellen Immissionen'.
Zie voor het Duitse recht BGH 15 april 1974, BGHZ 64, 178, waarin het tonen van pornoblaadjes in een etalage onvoldoende werd geacht ('denn man kann ja einfach wegschauen'). Hetzelfde geldt volgens BGH 12 juli 1985, BGHZ 95, 307 voor buren van een bordeel, voorzover dat niet naar buiten zichtbaar is.
Zie 'aftastend' Wachter 1978, p. 44.
Zie hiervoor § 5.3.
Vgl. hiervoor § 3.4.4.3.
Aldus het - kennelijke - standpunt van de consumentenbond in de zaak Baby-Joost, te kennen uit Overeem 1995, p. 34.
De persoonlijke levenssfeer kent zeer uiteenlopende facetten.1 Zo wordt wel onderscheiden tussen de informationele aspecten en ruimtelijke aspecten van privacy, waarbij met de eerste wordt gedoeld op het recht om zelf te beslissen over de vergaring, het opslaan en het verstrekken van privé-gege-vens2 en met de tweede op het recht op 'huisvrede' in ruime zin, dat wil zeggen het recht op bepaalde plaatsen met rust te worden gelaten.3
Vooral schendingen van de informationele privacy genieten een hoge prioriteit waar het de toekenning van smartengeld betreft. Zo is door de Hoge Raad in een tweetal zaken expliciet aangegeven dat bij ernstige schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een recht op vergoeding van immateriële schade bestaat4 en acht ook de wetgever een recht op vergoeding van immateriële schade hier kennelijk op zijn plaats. Dat laatste kan niet alleen worden afgeleid uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 6:106,5 maar ook uit de erkenning van een recht op vergoeding van immateriële schade in artikel 9 van de Wet persoonsregistraties.6 In lagere rechtspraak wordt ook betrekkelijk veelvuldig smartengeld toegekend wegens schending van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.7
De toewijzing van smartengeld wegens schendingen van de privacy laat zich enerzijds verklaren door de hoge waardering die de persoonlijke levenssfeer geniet8 en anderzijds door het gebrek aan bescherming op andere wijze. Zo komt een verbod of bevel hier dikwijls te laat of dienen zij achterwege te blijven met het oog op de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en kan met een rectificatie weinig worden goedgemaakt.9
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de schending een zekere ernst dient te hebben. Die ernst kan in concrete gevallen in de eerste plaats worden afgeleid uit de aard van de vrijgegeven informatie.
Zo wordt het vrijgeven van intieme informatie of van strafrechtelijke informatie doorgaans als ernstig gekwalificeerd.10 Voorts zijn ook de context van de publicatie (spottend of onnodig grievend karakter), de wijze van vergaring, het doel waarmee publicatie is geschied, de reikwijdte van de informatieverstrekking en de mate van schuld van de laedens mijns inziens relevante gezichtspunten.
Een aparte categorie van gevallen wordt in dit verband gevormd door openbaarmakingen van portretten. In opdracht vervaardigde portretten mogen krachtens artikel 20 Auteurswet in beginsel niet zonder toestemming van de geportretteerde openbaar worden gemaakt. Niet in opdracht gemaakte portretten mogen krachtens artikel 21 Auteurswet niet openbaar worden gemaakt, voorzover een redelijk belang van de geportretteerde zich daartegen verzet. Dat belang kan van commerciële aard zijn, maar het kan ook gaan om een belang van privacy.11 Daarnaast bestaat aanvullende bescherming van artikel 6:162. Bij onrechtmatige openbaarmaking van portretten wordt in de rechtspraak dikwijls aangenomen dat de persoonlijke levenssfeer van de geportretteerde zodanig is geschonden dat een recht op vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is. Dat geldt met name voor intieme foto's waarop 'bloot' is te zien,12 maar ook voor andere intieme13 of anderszins compromitterende foto's14 en voor foto's waarvan publicatie de afgebeelde persoon in gevaar kan brengen15.
Ook voor wat betreft schendingen van de persoonlijke levenssfeer in ruimtelijke zin dient mijns inziens sprake te zijn van een ernstige aantasting. De Hoge Raad lijkt hier eveneens terughoudend. Zo werd aan Eillert een recht op smartengeld ontzegd, nadat zijn buurman De Groot tijdens een burenruzie had gepoogd de grens tussen de beide erven eigenhandig te verleggen door op een nachtelijk uur met geweld de muur van de echtelijke slaapkamer van Eillert in te slaan.16 In dit licht kan men bijvoorbeeld een vraagteken plaatsen bij de toewijzing van ƒ 500 smartengeld wegens het feit dat een voorbijganger aanstalten maakt om plotseling ongenood in andermans auto te stappen.17
Denkbaar is ook dat de - gedwongen - confrontatie met andermans mtimi-teiten in zeer ernstige gevallen voldoende is voor toekenning van smartengeld.18 De ernst van de situatie moet dan mijns inziens wel voldoende blijken uit aanzienlijke dwang19 en zeer intieme handelingen.
'Gewone' storingen van het woongenot, zoals lawaai en stank leveren mijns inziens in beginsel geen aantasting in de persoon op in de zin van artikel 6:106.20 Het verband met de (integriteit van de) persoon is hier mijns inziens onvoldoende direct. Uitzonderingen zijn wel denkbaar, bijvoorbeeld wanneer de storingen leiden tot ernstige psychische schade, maar dan kan een recht op smartengeld worden ontleend aan de aanwezigheid van geestelijk letsel.21 Voorts zijn in dergelijke gevallen vergoedingen denkbaar wegens waardevermindering van de zaak. Het betreft dan evenwel vergoeding van vermogensschade.22
Ook de gedachte dat het onrechtmatig veroorzaken van de dood of de verwonding van naaste een schending van de persoonlijke levenssfeer vormt en om die reden recht zou doen ontstaan op vergoeding van immateriële schade,23 doet mij (te) gewrongen aan.