Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/5.4.4.3
5.4.4.3 Bewegingsvrijheid
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD67745:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een algemeen recht op vrijheid van ontplooiing wordt m.i. niet erkend. Niettemin vinden verschillende vrijheden wel bescherming in overige persoonlijkheidsrechten.
Zie daarover hiervoor § 4.6.
Dat is overigens in overeenstemming met andere rechtsstelsels. Zie voor Duitsland § 847 BGB en voor Engeland McGregor 1997, nr. 1850, waar de door vrijheidsontneming geleden schade wordt gekarakteriseerd als 'general damages' waarvoor nauwelijks nader bewijs wordt gevergd. Het is bovendien in overeenstemming met art. 5 lid 5 evrm dat verplicht tot schadevergoeding wegens onterechte vrijheidsbeneming.
Ook in de rechtspraak wordt in dergelijke gevallen een vergoeding van immateriële schade toegekend. Zie bijv. Rb. Zutphen 27 mei 1993, TvG 1994, nr. 37; Rb. Amsterdam 30 september 1994, Nj 1995, 106 en Rb. Den Haag 22 maart 1994, Nf 1995, 218, waarin de rechtbank - kennelijk geïnspireerd door de normbedragen in het kader van art. 89 Sv - een bedrag van ƒ 100 per dag aan vergoeding toekent. Zie over art. 35 Bopz hiervoor § 3.3.3.
Zie Ktg. Zwolle 22 augustus 1995, TvC 1996 2, p. 121 en Consumentengids jan. 1996, p. 6, waarin bovendien gewag wordt gemaakt van toekenning van ƒ 500 bij een vergelijkbaar geval in Amsterdam. In deze gevallen stond overigens niet zozeer de vrijheidsontneming centraal, maar vooral de schending van eer en goede naam. Zie over een drempel in de vorm van een minimumbedrag hierna § 7.4.3.4.
Zie voor een voorbeeld waarin aan de vrijheidsontneming in ruime mate publiciteit was gegeven Rb. Zwolle 9 februari 1976, N] 1976, 363.
Ook de bewegingsvrijheid wordt van een zodanig gewicht geacht dat bij ernstige inperkingen daarop een recht op vergoeding van immateriële schade wordt aanvaard.1 Men denke daarbij in de eerste plaats aan de gevallen waarin de wet expliciet een recht op vergoeding van immateriële schade noemt, zoals artikel 89 Sv en artikel 34j VW.2 Maar ook buiten de daar geregelde gevallen zal vrijheidsonmeming doorgaans kunnen worden aangemerkt als persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106.3 Daarbij valt te denken aan gevallen van ontvoering,4 maar ook aan verplichte opname in een psychiatrisch ziekenhuis die achteraf onrechtmatig blijkt te zijn. Zo kent artikel 28 Bopz een recht op vergoeding van schade toe, indien de last tot opname onrechtmatig was. Hoewel het artikel niet expliciet vermeldt dat ook ander nadeel dan vermogensschade moet worden vergoed, moet mijns inziens worden aangenomen dat het gewicht van het recht op bewegingsvrijheid meebrengt dat in die gevallen kan worden gesproken van een persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106, zodat op die grond een recht op vergoeding van immateriële schade bestaat.5
Niettemin geldt mijns inziens ook bij vrijheidsonmeming dat van een zekere ernst sprake moet zijn. Zo acht ik de toekenning van ƒ 100 smartengeld in verband met de aanhouding wegens het ten onrechte afgaan van een winkelalarm niet juist.6
Voorts dient te worden bedacht dat schending van de vrijheid gepaard kan gaan met schending van de goede naam van degene aan wie de vrijheid werd ontnomen.7