Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.4.3.1:4.4.3.1 Juridische achtergrond
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.4.3.1
4.4.3.1 Juridische achtergrond
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS418631:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Fuller 1969, p. 71.
Popelier 1997, p. 242; zie ook Nota Zicht op wetgeving par. 2.2.5.
Van der Vlies 1984, p. 198 en Van der Vlies 1991, p. 159. Zij vermeldt dat dit beginsel in de literatuur ook wel het beginsel van de handhaafbaarheid wordt genoemd.
Van der Vlies 1991, p. 159.
Coremans en Van Damme 2001, p. 102; vgl. Van der Vlies 1991, p. 163.
Popelier 1997, p. 600.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Fuller verstaat onder het verbod van regelgeving die het onmogelijke eist dat de regelgever zich ervan moet verzekeren dat de rechtsregel ligt binnen de machten van de rechtssubjecten die aan de regel zijn onderworpen.1 Popelier concludeert dat dit beginsel tegenwoordig wordt geformuleerd als een vereiste van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van regelgeving, waarbij rekening wordt gehouden met het maatschappelijke, financiële en administratieve draagvlak.2 Dit blijkt mede uit de invulling die Van der Vlies aan het beginsel van uitvoerbaarheid geeft.3 Zij stelt dat dit beginsel beoogt dat er garanties zijn dat aan het in de regel gestelde gevolg zal worden gegeven. Die garanties bestaan uit voldoende maatschappelijk draagvlak, diensten die de regel gaan uitvoeren, voldoende financiële middelen en adequate sancties.4
Coremans en Van Damme onderscheiden het uitvoerbaarheidsbeginsel. Op grond van dit beginsel dient de regelgever zo efficiënt mogelijk op te treden met sturende regelgeving.5 Popelier onderscheidt binnen het beginsel van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid een negatief en een positief aspect voor de regelgever.6 Het negatieve aspect eist dat de regelgever niet het onmogelijke mag vragen van de burger. De inhoud van deze eis komt overeen met de invulling die Van der Vlies aan het beginsel van de uitvoerbaarheid geeft. Het positieve aspect schrijft voor dat regelgeving realiseerbaar moet zijn en komt in par. 4.4.7 aan de orde.
Het beginsel dat regelgeving niet het onmogelijke mag vragen, is ook relevant bij het maken van een keuze voor een bepaald overgangsregime. In par. 4.4.3.2 zal ik uit dit beginsel dan ook een beginsel van behoorlijk overgangsbeleid afleiden.