Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VIII.3.1
VIII.3.1 Arbitrabiliteit van besluiten in andere landen
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178707:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie het overzicht van Perales Viscasillas 2009, p. 281-284.
Dat geldt in ieder geval voor België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland. Zie Ritter 2015, p. 105 en 108-118.
Zie Van Gerven 2007, p. 180-182, Caprasse 2011, p. 91 en 97 alsmede Van Gerven 2016, p. 675.
Caprasse 2011, p. 98.
Zie genuanceerder en met veel slagen om de arm Speller 2011, p. 47-51.
§ 248 I (jo. § 249 I) AktG, dat analoog ook van toepassing is op de GmbH. Zie MüKoGmbHG/Wertenbruch 2019, GmbHG Anh. § 47 Rn. 360.
Vgl. Filker 2013, p. 27 e.v.
Zo’n onderscheid is m.i. ook weinig zinvol nu juist behoefte bestaat aan arbitrage waar een extern besluit een rol speelt in het geschil. De ingrijpendste besluiten hebben externe werking (zie § IV.2.2).
Zie A-G Timmerman, in zijn conclusie voor HR 26 november 2010, NJ 2011/ 55, m.nt. Van Schilfgaarde (Silver Lining), onder 3.22.
In HR 19 december 2014, NJ 2015/231, m.nt. Van Schilfgaarde (Rifgat) beperkt de Hoge Raad de herroeping van een ontbindingsbesluit, zo lijkt het, tot de BV.
Wie over de grenzen kijkt, ziet dat de arbitrage van vennootschapsrechtelijke geschillen in menig rechtsstelsel gemeengoed is.1 In veel Europese landen kan een scheidsgerecht bovendien oordelen over besluiten.2 Wel lopen de hiervoor geldende voorwaarden uiteen. Zo is besluitenarbitrage in België en Frankrijk mogelijk indien de statuten van een rechtspersoon een arbitrageclausule bevatten.3 Zelfs aandeelhouders die tegen het opnemen van zo’n clausule stemden, zijn gebonden.4 In het Verenigd Koninkrijk zijn de mogelijkheden daarentegen beperkter. Een scheidsgerecht kan zich waarschijnlijk niet uitspreken over besluiten die derden raken. Vertaald naar Nederlandse termen kan een Britse arbiter zich dus alleen om interne besluiten bekommeren.5
Tussen de rekkelijke en de precieze stelsels bevinden zich onze oosterburen. Als gezegd geldt sinds een arrest van het Bundesgerichtshof uit 2009 dat besluiten in een GmbH onder voorwaarden vatbaar zijn voor arbitrage.6 Deze middenweg is voor het Nederlandse recht interessant. Allereerst is het Duitse besluitenrecht sterk vergelijkbaar met het Nederlandse. Ook in Duitsland vormt het erga omnes-principe een gewichtige wettelijke hoeksteen met gelijke ratio als art. 2:16 lid 1 BW7 en bestaat traditioneel terughoudendheid ten aanzien van arbitrage.8 Bovendien blijft een onderscheid tussen interne en externe besluiten achterwege waar het gaat om de arbitrabiliteit daarvan.9 Anders dan Timmerman zie ik dan ook geen wezenlijke verschillen die een zinvolle vergelijking tussen Nederlands en Duits recht in de weg staan.10 Dat het arrest van het Bundesgerichtshof alleen op de GmbH betrekking heeft terwijl art. 2:16 lid 1 BW geldt voor alle rechtspersonen, doet niet ter zake. Wellicht kan de benadering van de Duitse hoogste rechter toepassing vinden in alle rechtspersonen. Ook een beperking tot de BV is mogelijk en de Hoge Raad, ten aanzien van bijvoorbeeld de herroeping van ontbindingsbesluiten, niet vreemd.11 Bovendien zijn de BV en de contractuele, flexibele GmbH niet fundamenteel onvergelijkbaar, zeker nu contractuele tendensen steeds meer vat krijgen op de BV. Ik bespreek de hoofdlijnen van het Scheidsfähigkeit II-arrest (§ 3.2), om vervolgens de door het Bundesgerichtshof gestelde voorwaarden elk afzonderlijk te bezien (§ 3.3-3.6).