Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.3.4.3
6.3.4.3 De overeenkomst van de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen van 6 november 2008
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399546:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de tekst van deze overeenkomst de website van de samenwerkende schadevergoedingsorganen en waarborgfondsen: www.4directive.org. Het betreft de schadevergoedingsorganen en waarborgfondsen van de volgende landen: België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië en (zoals hierboven vermeld) Zwitserland voor Liechtenstein.
Dat schadevergoedingsorgaan zal dan de verdere afhandeling van het schadegeval opdragen aan de schaderegelaar van de verzekeraar, die het dossier immers reeds in behandeling zal hebben.
De Richtlijn en de Overeenkomst van 29 april 2002 bieden een zekere bescherming aan de benadeelde bezoeker, maar geen volledige. De benadeelde heeft slechts dan toegang tot het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats in geval van faillissement van de verzekeraar van de aansprakelijke als hij:
een verzoek om schadevergoeding heeft gericht aan de schaderegelaar of de verzekeraar; en
de verzekeraar dan wel de schaderegelaar geen met redenen omkleed antwoord heeft gegeven binnen drie maanden na het verzoek; en
de verzekeraar evenmin - na daartoe te zijn opgeroepen door het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar - binnen twee maanden alsnog een gemotiveerd antwoord heeft verstrekt.
Verschaft de verzekeraar of de curator binnen de genoemde termijnen een met redenen omkleed antwoord, dan is voor de benadeelde de toegang tot het schadevergoedingsorgaan afgesloten. Er zij aan herinnerd dat een met redenen omkleed antwoord zowel een erkenning van aansprakelijkheid kan inhouden als een gemotiveerde uiteenzetting dat en waarom een definitief antwoord nog niet is te geven. Als de ontbrekende informatie later beschikbaar komt maar het definitieve standpunt van de (curator van de) verzekeraar uitblijft, herleeft de aanspraak van de benadeelde op het schadevergoedingsorgaan daardoor niet.
Dit alles geldt niet alleen in de, in de vorige paragraaf beschreven, situatie dat aan het waarborgfonds van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar geen rol is toebedeeld in geval van insolventie van een verzekeraar, maar ook als het waarborgfonds wel voor dergelijke schadegevallen heeft op te komen.
In deze laatste situatie verkeert het bezoekende slachtoffer in een nadeliger positie tegenover het waarborgfonds van de lidstaat van vestiging van de insolvente verzekeraar dan het 'nationale' slachtoffer. Heeft immers de verzekeraar een gemotiveerd antwoord gegeven, dan is de weg naar het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van woonplaats afgesloten en heeft hij zijn vordering rechtstreeks bij het waarborgfonds van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar in te dienen. Dat is voor een buitenlands slachtoffer een onmiskenbaar lastiger weg dan voor een benadeelde die zijn vordering kan indienen bij het waarborgfonds in zijn eigen land. De schadevergoedingsorganen en waarborgfondsen van de lidstaten waar het waarborgfonds opkomt voor schadegevallen waarvoor een insolvente verzekeraar aansprakelijk is, achten dit een onwenselijke situatie.
Op 6 november 2008 hebben de schadevergoedingsorganen en de waarborgfondsen van 21 lidstaten, alsmede het Zwitserse waarborgfonds in zijn hoedanigheid van schadevergoedingsorgaan en waarborgfonds voor Liechtenstein, daarom een overeenkomst gesloten met als titel:
Agreement between Compensation Bodies and Guarantee Funds in the event of the insolvency of an insurance undertaking providing civil liability motor insurance in the single market.1
De bedoeling van de Overeenkomst blijkt uit de overwegingen bij de overeenkomst. Deze roepen eerst het regime van de 4e Richtlijn in herinnering, met de door verzekeraars aan te stellen schaderegelaars en de door de lidstaten op te richten of te erkennen schadevergoedingsorganen. Vervolgens worden de vier omstandigheden gememoreerd waarin het schadevergoedingsorgaan kan worden aangesproken door de bezoekende benadeelde: (1) verzekeraar en schaderegelaar verstrekken geen gemotiveerd antwoord binnen drie maanden, (2) de verzekeraar wordt niet door een schaderegelaar vertegenwoordigd, (3) het aansprakelijke voertuig kan niet worden getraceerd en (4) de verzekeraar kan niet binnen twee maanden worden geïdentificeerd. De uitkeringen gedaan in de gevallen (3) en (4) kunnen door het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde worden verhaald op het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval dan wel op dat van de lidstaat waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald, hetgeen in overeenstemming is met de 2e Richtlijn (thans art. 10 van de Richtlijn) waarmee de lidstaten verplicht werden een waarborgfonds op te richten of te erkennen dat in deze twee situaties kan worden aangesproken.
De considerans constateert vervolgens dat dit regime een bijzondere situatie laat bestaan waarin benadeelden verstoken blijven van schadevergoeding. De volgende overwegingen kunnen worden gezien als de kern van de bedoeling van de Overeenkomst:
“- Whereas despite the protection provided for by the provisions of the 4th Directive, a situation exists where injured parties referred to in this directive may be left without Compensation, namely when the insurance undertaking covering the civil liability resulting from the use of the vehicle involved in the accident is insolvent;
— Whereas, although Member States have no such obligation pursuant to the provisions of any relevant European regulation, certain national laws provide, in the case of the insolvency of the insurance undertaking concerned, for the payment of compensation to injured parties by the motor guarantee fund;
— Whereas it would be desirable for the specific provisions put in place by the 4th Directive in favour of the injured victims referred to therein to apply equally in the event of the insolvency of an insurance undertaking;
— Whereas, however, as not all the Member States have adopted such provisions, it is not possible to conclude an agreement that would be binding on the guarantee funds of all the Member States. Whereas, nonetheless, it is possible, on the basis of an agreement entered into on a voluntary basis, based on the criterion of reciprocity, to find a satisfactory, albeit partial, solution in favour of injured parties that find themselves in the situation described above;
(…).”
De principes van deze overeenkomst zijn dus enerzijds vrijwilligheid, anderzijds reciprociteit. De reciprociteit wordt gewaarborgd door de Overeenkomst zowel door de schadevergoedingsorganen als door de waarborgfondsen te laten ondertekenen.
Slachtoffers van ongevallen in een andere lidstaat dan die van hun woonplaats die zijn veroorzaakt door voertuigen die zijn verzekerd bij een in staat van insolventie verkerende verzekeraar moeten, als beide lidstaten (die van woonplaats van benadeelde en die waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald) slachtoffers toegang geven tot het waarborgfonds in geval van insolventie van een Wam-verzekeraar, op dezelfde voet aanspraken hebben op dat waarborgfonds. Dat kan door hen een aanspraak te geven tegen het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van hun woonplaats en door dat schadevergoedingsorgaan een verhaalsrecht te verschaffen op het waarborgfonds van de lidstaat waar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald.
Er gelden enige voorwaarden en er zijn een aantal beperkingen:
In de eerste plaats moet het ongeval hebben plaatsgevonden in een lidstaat van de EER. Daarmee bestrijkt de Overeenkomst een beperkter aantal situaties dan de Richtlijn. Art. 20 lid 1 tweede alinea van de Richtlijn bepaalt immers dat de bepalingen van de art. 20 tot en met 26 ook van toepassing zijn op ongevallen in derde, bij het groenekaartstelsel aangesloten landen als het aansprakelijke voertuig gewoonlijk gestald en verzekerd is in een lidstaat. In geval van insolventie mag ervan worden uitgegaan dat het voertuig (op de datum van het ongeval) nog verzekerd was. De verzekeraar is (slechts) niet in staat aan zijn verplichtingen te voldoen. De opstellers van de Overeenkomst hebben het (kennelijk) echter een te grote complicatie gevonden om ook dergelijke gevallen onder de werking van de overeenkomst te brengen.
In de tweede plaats moet de wetgeving van de lidstaat van het ongeval voorzien in de interventie van het waarborgfonds in geval van insolventie van een in die lidstaat tot branche 10 toegelaten verzekeraar.
In de derde plaats is vereist dat het aansprakelijke voertuig ook gewoonlijk is gestald op het grondgebied van de lidstaat van het ongeval. Ook hier heeft de Overeenkomst een beperktere strekking dan de Richtlijn. Deze is immers ook van toepassing als zowel benadeelde als aansprakelijke bezoeker van het ongevalsland zijn. Ook hier werd deze variant als een te grote complicatie gezien.
Deze laatste beperking is mogelijk ingegeven door de omstandigheid dat waarborgfondsen in beginsel alleen opkomen voor ongevallen in eigen land.
Men denke zich een ongeval in België in, waarbij een Nederlandse ingezetene schade lijdt en dat is veroorzaakt door een Griekse auto die is verzekerd bij een verzekeraar die in staat van insolventie is geraakt.
Het regres van het Nederlandse schadevergoedingsorgaan op het Griekse waarborgfonds zou op deze territoriale begrenzing afstuiten. Dat betekent overigens niet dat het Nederlandse slachtoffer geheel met lege handen staat en maar moet afwachten of de staat van de boedel een uitkering nog toelaat. Hij kan zich immers als benadeelde van een bezoekende automobilist wenden tot het Belgische groenekaartbureau, dat op zijn beurt een niet door insolventie geraakte verhaalsvordering heeft op het Griekse Bureau.
Een verdere conditie is dat de vordering van de benadeelde niet verjaard is. Ook geldt dat de overeenkomst niet kan worden toegepast als de benadeelde ervoor heeft gekozen zijn vordering rechtstreeks in te dienen bij het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval.
De Overeenkomst voorziet voorts in verplichtingen van het betrokken, door de benadeelde aangesproken schadevergoedingsorgaan om te verifiëren of het voertuig inderdaad verzekerd was op de datum van het ongeval bij de betrokken verzekeraar en of deze daadwerkelijk in staat van insolventie verkeert, of de vordering al dan niet verjaard is en of een vordering niet reeds bij het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval is ingediend. Het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval heeft daarna binnen twee maanden alle noodzakelijk informatie en assistentie te verlenen opdat het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van benadeelde in staat wordt gesteld de vordering te behandelen.
Opgemerkt dient nog te worden dat het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van woonplaats van de benadeelde gemachtigd is de daadwerkelijke behandeling van de vordering van de benadeelde op te dragen aan de schaderegelaar van de insolvente verzekeraar. Deze zal vervolgens restitutie van dit schadevergoedingsorgaan kunnen verlangen dat op zijn beurt weer een recht van verhaal heeft op het waarborgfonds van de lidstaat van het ongeval.
De Overeenkomst voorziet in een recht op terugbetaling van dezelfde uitkeringen, kosten en honoraria als voorzien in de Overeenkomst van 29 april 2002. Voor wat betreft het minimum- en maximumschaderegelingshonorarium wordt verwezen naar de Overeenkomst van 29 april 2002.
Ook deze Overeenkomst voorziet in een arbitrageprocedure, die eveneens gelijk is aan die in de Overeenkomst van 29 april 2002.
De vraag kan worden gesteld naar de verhouding tussen de Overeenkomst van 29 april 2002 en de Insolventie-overeenkomst van 6 november 2008. In paragraaf 63.4.2 is immers vastgesteld dat benadeelden in geval van insolventie van een verzekeraar in sommige gevallen ook toegang hebben tot het schadevergoedingsorgaan. Daarvan is echter slechts in een beperkt aantal gevallen sprake, namelijk als de benadeelde van de verzekeraar niet tijdig een gemotiveerd antwoord heeft ontvangen. In andere gevallen is de weg naar het schadevergoedingsorgaan voor hem afgesloten. De Overeenkomst van 6 november 2008 kent een dergelijke beperking niet en aangenomen moet dan ook worden dat de benadeelde zich, ook als hij al een met redenen omkleed antwoord heeft ontvangen maar de verzekeraar vervolgens in staat van insolventie geraakt, tot het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van zijn woonplaats kan wenden.2
Ook als de verzekeraar geen schaderegelaar heeft aangesteld zal de Overeenkomst van 6 november 2008 kunnen worden toegepast.
Een tweede verschil is vanzelfsprekend dat de Overeenkomst van 29 april 2002 door de schadevergoedingsorganen en waarborgfondsen van alle lidstaten is ondertekend en dat de Overeenkomst van 6 november 2008 alleen is ondertekend door de instellingen van 22 lidstaten waar benadeelden een aanspraak hebben op het waarborgfonds in geval van insolventie van een Wam-verzekeraar.