Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/5.3.5.7
5.3.5.7 Bezitstermijn en voortzettingsvereiste
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS350341:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie MvT, Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 45-46 (erflater) en MvT, Kamerstukken II 1997/98, 25 688, nr. 3, blz. 8 en 23 (schenker).
Gedurende deze periode moet de erflater wel als ‘echte ondernemer’ kwalificeren, aldus de parlementaire behandeling (NnavV, Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 103). Hier moet rekening mee worden gehouden indien bijvoorbeeld gewone aandelen worden omgezet in preferente aandelen. Voor de situatie van overlijden geldt dan dat de erflater minimaal één jaar in bezit moet zijn geweest van gewone aandelen. Het voorgaande geldt eveneens voor de bezitstermijn bij schenkingen.
In art. 9 Uitv.reg. schenk- en erfbelasting worden situaties benoemd waarvoor tevens geldt dat aan genoemde periode geacht wordt te zijn voldaan. Zie nader Toelichting Uitv.reg. schenk- en erfbelasting van 17 december 2009, Stcrt. 2009, 20619.
MvT, Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 45-46.
Zie art. 10 Uitv.reg. schenk- en erfbelasting voor gebeurtenissen die niet leiden tot verlies van de faciliteit. In die situaties verandert alleen de juridische huls. Een belastingplichtige mag geruisloos doorschuiven op grond van art. 3.65Wet IB 2001, mits hij niet meer aan contanten ontvangt dan is toegestaan op basis van de desbetreffende doorschuivingsbepalingen. Zie voor de toelichting op genoemd artikel: Toelichting Uitv.reg. schenk- en erfbelasting; regeling van 17 december 2009, Stcrt. 2009, 20619. In de toelichting zijn ook voorbeelden opgenomen. Indien van art. 10, eerste tot en met derde lid, Uitv.reg. schenk- en erfbelasting gebruik wil worden gemaakt, moet een verzoek worden gedaan bij de inspecteur (vijfde lid van genoemd artikel). De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Indien de voortzetter gedurende deze periode komt te overlijden kunnen de rechtsopvolgers krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht voor de resterende duur van de termijn in de plaats treden van de oorspronkelijke verkrijger (art. 10, zesde lid, Uitv.reg. schenk- en erfbelasting).
Het ophouden winst uit onderneming te genieten betekent niet altijd dat een belastingplichtige ook zijn onderneming staakt. Zo leidt de toepassing van art. 3.61 Wet IB 2001 (eindafrekeningsbepaling) ertoe dat de belastingplichtige ophoudt winst uit onderneming te genieten, terwijl van een staking geen sprake is.
Besluit van 17 januari 2013, nr. BLKB2012/1221M, onderdeel 6.1.
Zie ook Nadere MvA, Kamerstukken I 2009/10, 31 930, nr. F, blz. 10.
Jansen (2005a) stelt zich de vraag waarom de staatssecretaris van Financiën onder de tot 31 december 2001 geldende wetgeving nog wel goedkeurde dat de faciliteit niet eindigde bij het aangaan van een personenvennootschap onder voorbehoud van stille reserves. Ik denk dat hierbij een rol speelt dat destijds sprake was van een minder genereuze regeling. De kwijtscheldingsfaciliteit voor niet specifiek ondernemingsvermogen bedroeg destijds ‘slechts’ 25%.
Zie ook art. 35e, tweede lid, SW 1956 waarin wordt aangegeven dat het voortzettingsvereiste niet geldt voor het belang waartoe de voortzetter al gerechtigd was vóór de verkrijging.
Voor de uitleg hiervan wordt verwezen naar de regels zoals die in de inkomstenbelasting gelden (NnavV, Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 103).
MvT, Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 46.
Besluit van 17 januari 2013, nr. BLKB2012/1221M, onderdeel 6.5.
S.A. Stevens (2008).
Zie uitgebreider S.A. Stevens (2008), paragraaf 5.
Zie wanneer in een dergelijk geval tevens van een vervreemding sprake is art. 35e, derde lid, SW 1956.
Zie ook paragraaf 4.2.4.5.d.
Dat e.e.a. voor de ab-regeling wel geruisloos kan verlopen, acht de wetgever niet van belang. Daar gaat geen claim verloren. Zie Nadere MvA, Kamerstukken I 2009/10, nr. F, blz. 10.
Het certificeren van aandelen leidt niet tot het ontnemen van de faciliteit, mits wordt voldaan aan de voorwaarden uit het Besluit van 4 september 2012, nr. BLKB2012/101M, onderdeel 4.5. Zie het Besluit van 17 januari 2013, nr. BLKB2012/1221M, onderdeel 6.4.
NnavNV, Kamerstukken II 2009/10, 31 930, nr. 13, blz. 28-29.
Tweede NvW, Kamerstukken II 2009/10, 31 930, nr. 16, blz. 14. De redactie van V-N oppert in een aantekening bij deze wijziging (V-N 2009/50.3) de terugname van de vrijstelling niet te baseren op het aantal gewone aandelen ten opzichte van het totaal aantal gewone aandelen maar op de waarde van de aandelen. Daar kan ik mee instemmen. Overigens kan ik niet volgen waarom de waarde van het aandeel in kwestie maar 0,00002% van het totaal zou bedragen.
Ook hiervoor geldt weer een aantal uitzonderingen. Zie art. 10 Uitv.reg. schenk- en erfbelasting.
Zie voor voorbeelden de Toelichting Uitv.reg. schenk- en erfbelasting; regeling van 17 december 2009, Stcrt. 2009, 20619.
In art. 35d en 35e SW 1956 worden zowel eisen gesteld aan de erflater/ schenker als aan de verkrijger. Deze bepalingen zijn ingevoerd om misbruik van de regeling tegen te gaan.1
Op grond van art. 35d SW 1956 geldt voor de erflater een bezitseis van één jaar voorafgaand aan het overlijden.2 Voor de schenker betreft dit een periode van vijf jaren voorafgaande aan de schenking.3 Naar mijn mening is dit verschil gerechtvaardigd. Een schenking kan immers worden gepland. De eis ten aanzien van de erflater geldt sinds 1 januari 2010. Voordien werd de opvatting gehuldigd dat een dergelijke eis niet nodig was omdat overlijden niet voorzienbaar is. Er is evenwel gebleken dat in het zicht van overlijden belast vermogen werd omgezet in onbelast ondernemingsvermogen.4 De bezitseis voor de schenker geldt vanaf de invoering van de kwijtscheldingsfaciliteit per 1 januari 1997.
Naar mijn mening is het stellen van voorwaarden noodzakelijk. Het betreft immers een voorwaardelijke vrijstellingsfaciliteit. Om te voorkomen dat vlak vóór overlijden, dan wel schenking beleggingsvermogen wordt omgezet in ondernemingsvermogen, is deze bezitseis ingevoerd. Ik acht de bezitseis doeltreffend.
In art. 35e SW 1956 wordt bepaald wanneer aan het voortzettingsvereiste is voldaan.5 De termijn bedraagt hiervoor in alle gevallen vijf jaren.6 Ten aanzien van een IB-onderneming geldt dat de verkrijger niet mag ophouden, ook niet voor een gedeelte, winst uit onderneming te genieten:7 ‘De terminologie ‘ophouden uit de onderneming of uit een deel daarvan winst te genieten’ sluit aan bij het materiële stakingsbegrip in de inkomstenbelasting. Dit betekent overigens niet dat er een volledige gelijkheid bestaat met de behandeling voor de inkomstenbelasting. Afwijkingen zijn mogelijk indien de ratio van de BOR dat rechtvaardigt.’8 Dit geldt onder andere indien de onderneming wordt ingebracht in een samenwerkingsverband met voorbehoud van stille reserves.9 Er worden dan geen stille reserves gerealiseerd, maar de winstgerechtigdheid gaat gedeeltelijk over op een ander.10 Er wordt ook niet voldaan aan het voortzettingsvereiste bij toepassing van de doorschuiffaciliteit van art. 3.63 Wet IB 2001. Het gaat er in feite om of het in de IB-onderneming verkregen belang (gedeeltelijk) wordt overgedragen.11 Zo leidt ook het inbrengen van de IB-onderneming in een CV waarbij de inbrenger commanditair vennoot wordt tot verlies van de vrijstelling. Dat in genoemde situaties het recht op een vrijstelling verloren gaat, acht ik acceptabel. Indien het doel is alleen reële bedrijfsopvolgingen te faciliteren, kan een voorzettingsvereiste niet ontbreken. Dit geldt des te meer indien, zoals onder de huidige SW 1956, sprake is van een zeer genereuze vrijstellingsfaciliteit. Een voortzettingstermijn van vijf jaren is naar mijn mening de ondergrens. Ook ten aanzien van de verkrijging van een medegerechtigdheid geldt dezelfde voortzettingseis. De verkrijger mag niet ophouden uit de medegerechtigdheid, of een gedeelte daarvan, winst te genieten. Het moet naar mijn mening geen probleem zijn als de CV wordt ontbonden en de verkrijger de onderneming voortzet in de zin van art. 3.2Wet IB 2001.
De discussie bij de verkrijging van een ab is van een andere orde als bij een IB-onderneming. Indien immers een ab wordt verkregen, kan geen sprake zijn van een door de verkrijger gedreven onderneming. De betrokkenheid is anders. De vennootschap mag niet ophouden in materiële zin een onderneming te drijven, ook niet voor een gedeelte daarvan, noch ophouden uit de onderneming of winstgerechtigdheid winst te genieten (art. 35e, eerste lid, onderdeel c, ten derde, SW 1956).12 Dit is ook aan de orde als de toerekening op grond van art. 35c, vijfde lid, SW 1956 tot een andere uitkomst leidt omdat bijvoorbeeld gedurende de voortzettingstermijn aandelen in de werkmaatschappij worden verkocht.13 Hierbij is niet van belang of er een vervangingsvoornemen is ten aanzien van de verkregen opbrengst of dat een herinvestering is gedaan.14 S.A. Stevens15 stelt terecht kanttekeningen bij dit standpunt. Het voortzettingsvereiste legt immers beperkingen op waar het betreft de gewenste bedrijfsstrategie. Volgens Stevens zou de faciliteit niet terug moeten worden genomen zolang de verkoopopbrengst nog als ondernemingsvermogen in de vennootschap aanwezig is. Ik onderschrijf zijn standpunt, maar zijn denkrichting maakt de regeling wel weer ingewikkelder. Verder stelt Stevens dat het nog maar de vraag is of een verkoop van een deelneming op grond van de jurisprudentie kan worden gezien als staking van (een gedeelte van) de onderneming.16
Ten aanzien van het ab geldt dat de vermogensbestanddelen of een gedeelte van de in deze vermogensbestanddelen liggende rechten niet mogen worden vervreemd (zie daarvoor paragraaf 3.3.3.2). Wat betreft de voortzettingseis ten aanzien van een ab17 geldt hetzelfde als ik heb aangegeven voor een IB-onderneming. Een vijfjaarstermijn acht ik geboden. Er geldt overigens een verschil met de in art. 4.17c Wet IB 2001 opgenomen doorschuiffaciliteit bij schenking. Op grond van art. 4.17c, eerste lid, onderdeel d,Wet IB 2001 moet de verkrijger gedurende 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de vervreemding in dienstbetrekking zijn geweest van de vennootschap waarop de geschonken aandelen betrekking hebben. Er geldt voor art. 4.17c Wet IB 2001 geen voortzettingsvereiste. Dit verschil is goed te verklaren. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de schenk- en erfbelasting geeft uiteindelijk, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, afstel van belastingheffing. Het is niet meer dan redelijk daaraan een voortzettingsvereiste te koppelen. Voor een doorschuiffaciliteit geldt evenwel dat het de claim van de overdrager betreft. Het is dan niet logisch de doorschuiffaciliteit terug te nemen als de verkrijger niet voortzet.18 Bovendien leidt een doorschuiffaciliteit niet tot een echt afstel van belastingheffing. De belastingclaim wordt immers doorgeschoven naar de verkrijger.
Uiteindelijk vervalt het recht op de faciliteit ook als vermogensbestanddelen worden omgezet in preferente aandelen19 of als de aanspraak van de verkregen vermogensbestanddelen op toekomstige winsten of waardeontwikkelingen wordt beperkt (art. 35e, eerste lid, onderdeel c, ten tweede, SW 1956).20 De regering is van mening dat niet gesproken kan worden van een reële bedrijfsopvolging. De verkrijger is niet meer de ondernemer die voortzet.21 Bij winstbewijzen is het vreemd te moeten constateren dat deze kwalificeren als ze recht geven op ten minste 5% van de jaarwinst (art. 35c, eerste lid, onderdeel c, SW 1956 verwijst immers naar afdeling 4.3 van de Wet IB 2001), maar dat vervolgens ten aanzien van andere vermogensbestanddelen wordt geëist dat het recht op toekomstigewaardeontwikkeling niet magworden beperkt. De wetgever zal zich dit waarschijnlijk niet hebben gerealiseerd.
De voortzettingseis geldt op grond van het vierde lid van art. 35e SW 1956 ook voor de gewone aandelen die de voortzetter op het moment van verkrijging reeds in bezit moet hebben. Indien 60% van de gewone aandelen worden vervreemd vervalt voor 60% de voorwaardelijke vrijstelling ten aanzien van de preferente aandelen.22 Deze eis is logisch als het doel van art. 35c, vierde lid, SW 1956 in ogenschouw wordt genomen.
Ten aanzien van terbeschikkinggestelde onroerende zaken geldt de voortzettingseis ten aanzien van het ter beschikking blijven stellen van de onroerende zaak en het dienstbaar blijven aan de onderneming van de vennootschap.23 De verkrijger hoeft niet belast te worden op grond van art. 3.92 Wet IB 2001. De verkrijger hoeft immers geen ab te hebben om de faciliteit te kunnen krijgen. Deze persoon kan dan ook niet belast worden onder art. 3.92 Wet IB 2001. Met het voortzettingsvereiste inzake terbeschikkinggestelde onroerende zaken kan ik instemmen.
De in art. 35e SW 1956 gestelde voortzettingstermijn blijft overigens doorlopen bij overlijden van de verkrijger, danwel indien sprake is van een overgang onder algemene titel krachtens huwelijksvermogensrecht of bij ontbinding en verdeling van een huwelijksgemeenschap (art. 6 en 7 Uitv.reg. schenk- en erfbelasting).24 Degene die op die grond verkrijgt moet wel blijven voldoen aan het oorspronkelijke voortzettingsvereiste. Ten aanzien van de overlijdenssituatie geldt dat er vervolgens voor de verkrijger een nieuwe voortzettingstermijn gaat lopen. Deze persoon krijgt immers uit eigen hoofde de bedrijfsopvolgingsfaciliteit.